Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5778

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
13/674418-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Roekeloos rijgedrag bestuurder personenauto in binnenstad Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/674418-14

Datum uitspraak: 4 september 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats]

,

uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kloos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 24 november 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Linnaeusstraat zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan (een) ander(en) (genaamd [persoon 1] en/of [persoon 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten aangezichtsletsel en/of een gebroken rug en/of een gebroken duim en/of een geperforeerde dunne darm bij [persoon 1] en/of leverscheuren en/of miltscheuren en/of een gescheurde alvleesklier en/of een afgescheurde nier en/of een gescheurd middenrif en/of een gebroken rug en/of een gebroken onderbeen en/of meerdere ribbreuken en/of longscheuren bij [persoon 2] , in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Linnaeusstraat, komende uit de richting van de Transvaalstraat en gaande in de richting van de [adres 1] ,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en/of

- terwijl het regende en/of terwijl het wegdek nat was,

verdachte is, gekomen (ongeveer) ter hoogte van het kruispunt van de Linnaeusstraat met de Ringdijk - terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid gelegen tussen (ongeveer) 82 kilometer per uur en (ongeveer) 99 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid welke (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse - in een, gezien verdachtes (rij)richting, (flauwe)bocht naar links, de macht over de door hem bestuurde personenauto verloren en is,

ondanks een ingezette (nood)remming (vervolgens) (frontaal) tegen de gevel van perceel [adres 1] aangereden en/of aangebotst en/of aangegleden, waardoor aan voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] , die als passagiers in de door verdachte bestuurde personenauto zaten, vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

werd toegebracht,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 24 november 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Linnaeusstraat zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Linnaeusstraat, komende uit de richting van de Transvaalstraat en gaande in de richting van de [adres 1] ,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en/of

- terwijl het regende en/of terwijl het wegdek nat was,

verdachte is, gekomen (ongeveer) ter hoogte van het kruispunt van de Linnaeusstraat met de Ringdijk - terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid gelegen tussen (ongeveer) 82 kilometer per uur en (ongeveer) 99 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid welke (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse - in een, gezien verdachtes (rij)richting, (flauwe)bocht naar links, de macht over de door hem bestuurde personenauto verloren en is,

ondanks een ingezette (nood)remming (vervolgens) (frontaal) tegen de gevel van perceel [adres 1] aangereden en/of aangebotst en/of aangegleden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 24 november 2013 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol (vier of vijf glazen Wodka) en/of een andere stof (twee of drie joints weed), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet

tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De rechtbank acht net als de officier van justitie en de raadsman niet bewezen hetgeen onder 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.2.

Ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde

4.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

Door de officier is als standpunt naar voren gebracht dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto zodanig roekeloos gedragen dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [persoon 1] en [persoon 2] , de inzittenden van de door verdachte bestuurde auto, zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Verdachte heeft niet gereageerd op stoptekens van de politie en de dringende verzoeken van [persoon 1] en [persoon 2] om de auto te stoppen. Verdachte wilde uit handen van de politie blijven en heeft in de nachtelijke uren, met andere verkeersdeelnemers op de weg, met hoge snelheden gereden, rode verkeerslichten genegeerd en over de verkeerde weghelft gereden. Door dit egoïstische gedrag van verdachte hadden personen dood kunnen gaan.

4.2.2.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is als standpunt naar voren gebracht dat roekeloosheid niet kan worden bewezen. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad ligt de lat voor roekeloosheid hoog. De rechtbank zal zodanige feiten moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was dan wel had moeten zijn. Verdachte is zich ervan bewust dat hij verkeerd heeft gehandeld, maar hij heeft gedurende deze nachtelijke rit goed op de weg gelet en geconcentreerd gereden. Verdachte wisselde van snelheid en er was nauwelijks verkeer op de weg, terwijl het bewijs voor rijden onder invloed van alcohol ontbreekt. Voor te stellen is dat één van de lichtere varianten van schuld van het onder 1 primair ten laste gelegde wel kan worden bewezen. De raadsman heeft verder bepleit dat, gelet op de aard van het letsel en de noodzaak van het medisch ingrijpen, niet kan worden bewezen dat sprake is zwaar lichamelijk letsel bij [persoon 1] .

4.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.2.3.1. Roekeloosheid

Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in verbinding met artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan van en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm 'roekeloosheid' geldt op zichzelf hetzelfde. Daarbij dient echter te worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als 'zwaarste vorm van het culpose delict' wordt aangemerkt die onder meer tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid.

Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moet daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, bepaaldelijk eisen worden gesteld.

De rechtbank stelt op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte in de bebouwde kom en in het centrum van Amsterdam welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen door stoptekens van de politie en stoptekens van politievoertuigen met optische en geluidssignalen te negeren, omdat hij niet opgepakt wilde worden door de politie. Verdachte wilde kostte wat het kost uit handen van de politie blijven en is ondanks de dringende en smekende verzoeken van de passagiers in de door hem bestuurde auto om te stoppen doorgereden. Verdachte werd vanaf de Stadhouderskade te Amsterdam achtervolgd door opvallende politieauto’s. In plaats van te stoppen voor de optische en geluidssignalen bleef verdachte doorrijden. Aangekomen op de Mauritskade, ter hoogte van de tunnel onder de Wibautstraat, begon verdachte harder te rijden. Daar waar binnen de bebouwde kom de toegestane snelheid 50 kilometer per uur is, reed verdachte 60 tot 70 kilometer per uur. Bij het eerstvolgende kruispunt op de Mauritskade negeerde verdachte met een snelheid van 80 tot 90 kilometer per uur een rood licht uitstralend verkeerslicht. Verdachte reed rechtdoor. Hierna werden door het achtervolgende politievoertuig de geluidsignalen aangezet om andere weggebruikers te waarschuwen dat zij moesten opletten. In een flauwe bocht tussen de ‘s- Gravesandestraat en het Alexanderplein begon verdachte tegen het verkeer in te rijden en passeerde hij de middengeleiding aan de linkerzijde. Bij het Tropenmuseum aangekomen reed verdachte rechtsaf de Linnaeusstraat in. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur over de trambaan en kruisingen van de Linnaeusstraat. Verdachte reed zo hard dat de bestuurder van de achtervolgende politieauto heeft besloten om minder hard te rijden, omdat het met die snelheid niet meer veilig was om verdachte te blijven achtervolgen. Ook gelet op het wegverloop ter plaatse was deze snelheid geheel onverantwoord. Bij de Ringdijk raakten, bij een snelheid van tussen de 82 en 99 kilometer per uur, de achterwielen van verdachtes auto los van het wegdek en is verdachte in een flauwe bocht naar links de macht over het stuur verloren en tegen een perceel gelegen aan de [adres 1] aangebotst.

De rechtbank is van oordeel dat het hierboven omschreven samenstel van gedragingen van verdachte, welke zich in het bijzijn van andere verkeersdeelnemers, waaronder een voetganger en bromfietser, terwijl het donker was en terwijl het wegdek nat was, binnen de bebouwde kom heeft voortgedaan, moet worden aangemerkt als roekeloos gedrag in de zin van artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2.3.2. Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het letsel van het slachtoffer [persoon 1] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Het slachtoffer is in het ziekenhuis behandeld als gevolg van zijn verwondingen, waaronder een gebroken rug(-wervel (L2)), een geperforeerde dunne darm, een op drie plaatsen gebroken neus, gebroken jukbeenderen en een gebroken duim. Door de geneeskundige is de geschatte duur van de genezing vastgesteld op drie maanden. Het slachtoffer [persoon 1] heeft, gehoord als getuige op 12 februari 2014, verklaard dat de fysiotherapeut voor de revalidatie naar zijn woning komt. Hij moet maandelijks naar het ziekenhuis voor controle en in elk geval opnieuw worden geopereerd aan zijn neus. Gelet op de ernst van de verwondingen, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en de geschatte herstelduur is de rechtbank van oordeel dat het letsel niet anders opgevat kan worden dan als zwaar lichamelijk letsel.

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

op 24 november 2013 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Linnaeusstraat zich zodanig, te weten roekeloos heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan anderen, genaamd [persoon 1] en [persoon 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten aangezichtsletsel en een gebroken rug en een gebroken duim en een geperforeerde dunne darm bij [persoon 1] en leverscheuren en miltscheuren en een gescheurde alvleesklier en een afgescheurde nier en een gescheurd middenrif en een gebroken rug en een gebroken onderbeen en meerdere ribbreuken en longscheuren bij [persoon 2] , werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Linnaeusstraat, komende uit de richting van de Transvaalstraat en gaande in de richting van de [adres 1] ,

- terwijl het donker was en

- terwijl het wegdek nat was,

verdachte is, gekomen ongeveer ter hoogte van het kruispunt van de Linnaeusstraat met de Ringdijk - terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid gelegen tussen ongeveer 82 kilometer per uur en ongeveer 99 kilometer per uur - in een, gezien verdachtes rijrichting, flauwe bocht naar links, de macht over de door hem bestuurde personenauto verloren en is, ondanks een ingezette noodremming vervolgens frontaal tegen de gevel van perceel [adres 1] aangebotst, waardoor aan voornoemde [persoon 1] en [persoon 2] , die als passagiers in de door verdachte bestuurde personenauto zaten, vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag, waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht aan twee personen. Verdachte heeft zich ondanks uitdrukkelijke verzoeken om te worden gehoord over dit verkeersongeval niet gemeld bij de politie en is uiteindelijk buiten heterdaad aangehouden. Hoewel verdachte zelf ook lichamelijk letsel heeft opgelopen bij dit verkeersongeval heeft dit hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte veel spijt heeft van hetgeen is gebeurd. Verdachte is zelf ook gewond geraakt en ondervindt daar nog elke dag last van. Verdachte is gebaat bij de intensieve betrokkenheid van de reclassering, in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere strafzaak, en wil zijn medewerking verlenen aan verschillende trajecten en behandelingen. De raadsman verzoekt daarom, mede gelet op de richtlijnen van het LOVS een lagere en geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte als bestuurder van een personenauto heeft deelgenomen aan het verkeer, terwijl hij zich heeft schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag dat heeft geresulteerd in een verkeersongeval, waarbij de slachtoffers als gevolg van dit ongeval zwaar gewond zijn geraakt.

Roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 is de ernstigste vorm van schuld. Om die reden heeft de wetgever deze schuldvorm dan ook bedreigd met een aanzienlijke gevangenisstraf en die kan worden verhoogd als het feit mede is veroorzaakt doordat verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gelet op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële documentatie van 23 juli 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten. Anderzijds heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dat die eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan.

De rechtbank heeft verder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) betrokken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van roekeloos rijgedrag en waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor het lot van zijn passagiers, maar alleen aan zichzelf dacht toen hij besloot te vluchten voor de politie. De rechtbank heeft voorts in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de ernst van het zware lichamelijk letsel van de slachtoffers, alsmede de omstandigheid dat verdachte door geen gehoor te geven aan oproepen van de politie om te worden gehoord over dit verkeersongeval, opnieuw is weggelopen voor zijn verantwoordelijkheid. Nu sprake is van twee slachtoffers, zijnde de passagiers uit de door verdachte bestuurde auto, welke slachtoffers gedurende de hiervoor omschreven dollemansrit duidelijk en herhaaldelijk aan verdachte hebben gevraagd of hij wilde stoppen, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal, in afwijking van wat de officier van justitie heeft gevorderd, bij het opleggen van de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen aansluiting zoeken bij bovenvermelde landelijke oriëntatiepunten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2015.