Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5776

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
13/679052-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bestuurder van een bedrijfsauto rijdt door rood licht tegen een overstekende snorfietser

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/679052-14 (Promis)

Datum uitspraak: 4 september 2015

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.M. Smits, en van wat verdachte en de raadsman, mr. P.F. Emmelot, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,


ten aanzien van het primair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 18 juli 2014 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto - in de hoedanigheid van beroepschauffeur - , daarmee rijdende over de Laan Nieuwer-Amstel, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een

ander, zijnde [persoon 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Laan Nieuwer-Amstel, komende uit de richting van de burgemeester A. Colijnweg en gaande in de richting van de Handweg,

terwijl verdachte beginnend bestuurder was,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Laan Nieuwer-Amstel met de Badlaan niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend en al enige tijd (10 seconden) ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een bromfietser (snorfiets), waarop [persoon 2] als bestuurder gezeten was en voornoemde [persoon 1] als passagier gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van links

- vanaf de Badlaan -, bij GEEL licht voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor voornoemde bromfiets (snorfiets),

verdachte is vervolgens tegen voornoemde bromfiets (snorfiets) aangereden en/of aangebotst, waardoor voornoemde [persoon 1] , voornoemd zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 18 juli 2014 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto - in de hoedanigheid van beroepschauffeur - , daarmee rijdende over de Laan Nieuwer-Amstel, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Laan Nieuwer-Amstel, komende uit de richting van de burgemeester A. Colijnweg en gaande in de richting van de Handweg,

terwijl verdachte beginnend bestuurder was,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Laan Nieuwer-Amstel met de Badlaan niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend en al enige tijd (10 seconden) ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een bromfietser (snorfiets), waarop [persoon 2] als bestuurder gezeten was en [persoon 1] als passagier gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van links - vanaf

de Badlaan -, bij GEEL licht voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor voornoemde bromfiets (snorfiets),

verdachte is vervolgens tegen voornoemde bromfiets (snorfiets) aangereden en/of aangebotst.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken leidt de rechtbank het volgende af.

Op 18 juli 2014 vond te Amstelveen op de kruising van de Laan Nieuwer-Amstel met de Badlaan een aanrijding plaats, waarbij twee voertuigen waren betrokken. Verdachte wordt verweten dat hij deze aanrijding heeft veroorzaakt doordat hij, rijdende in een witte bedrijfsauto, op voornoemde kruising door een rood uitstralend verkeerslicht is gereden, terwijl [persoon 2] , rijdende op haar snorfiets, komend van links bij geel licht deze kruising was opgereden.

Verdachte heeft verklaard dat hij door groen licht is gereden. Verdachte is eerst ter hoogte van een BMW garage te Amstelveen bij een kruising met verkeerslichten linksaf geslagen. Hij had bij die kruising groen licht. Op het moment dat hij linksaf was geslagen en op de Laan Nieuwer-Amstel reed, zag hij volgens zijn eigen verklaring dat het volgende verkeerslicht op rood stond. Verdachte heeft de versnelling van zijn auto in zijn vrij gezet en liet de auto uitrollen tot het verkeerslicht op groen sprong. Verdachte schakelde vervolgens de auto in de derde versnelling en op het moment dat hij gas gaf en verder wilde rijden zag hij opeens de scooter voor zijn auto. Hij heeft niet gezien dat [persoon 2] de kruising, komend van links was opgereden.

[persoon 2] , de bestuurster van de bromfiets, heeft verklaard dat zij op het fietspad van de Badlaan reed en dat zij de kruising wilde oversteken. Haar zoon [persoon 1] zat achterop. Zij reed met een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur en zag dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde. Toen zij de kruising dicht was genaderd zag zij dat het verkeerslicht op geel sprong. Zij reed vervolgens de kruising op. Op het moment dat zij de kruising bijna was overgestoken, zag zij vanuit haar rechter ooghoek iets wits aankomen en voelde zij dat de achterzijde van haar snorfiets werd geraakt.

De verklaring van [persoon 2] wordt ondersteund door een getuige en het proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie.

Aan de orde is de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan, zoals primair is ten laste gelegd, artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor dient de rechtbank te beoordelen of het handelen van verdachte is aan te merken als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam. Subsidiair is aan de orde de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft als standpunt naar voren gebracht dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het zwaartepunt in deze zaak is het proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie. In dit proces-verbaal is gerelateerd dat een kleine verstoring van het magnetische veld al een detectormelding tot gevolg heeft. Een voertuigafhankelijke verkeerslichtenregeling kan zich aanpassen aan het verkeersaanbod op een kruispunt, maar het is niet uitgesloten dat daarbij fouten worden gemaakt. Verbalisant [verbalisant] heeft gelet op de verklaringen van de snorfietser en de getuige aangenomen dat het verkeerslicht één seconde op geel stond, maar zelfs in het geval de snorfietser nog net door het gele verkeerslicht de kruising is gepasseerd dan is het, volgens de raadsman, niet mogelijk om binnen de ontruimingstijd van 3 seconden aan de overkant aan de kruising te komen. Verdachte heeft gezien dat het verkeerslicht voor hem op rood stond. Hij liet zijn auto uitrollen en had al snelheid op het moment dat het verkeerslicht voor hem op groen sprong. Uitgaand van de situatie dat snorfietser door geel licht reed, maar daarbij niet voldoende tijd had om de overkant van het kruispunt te bereiken, en uitgaand van de verklaring van verdachte dat hij door groen reed, is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en dient vrijspraak te volgen.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit en betrekt in haar overwegingen het bewijsverweer van de verdediging1.

Op 18 juli 2014 heeft verdachte te Amstelveen als bestuurder van een witte bedrijfsauto op de Laan Nieuwer-Amstel gereden. Verdachte is een beginnend bestuurder en werkzaam als beroepschauffeur. Verdachte kwam uit de richting van de Burgemeester A. Colijnweg en reed in de richting van de Handweg. Op de kruising van de Laan Nieuwer-Amstel met de Badlaan heeft een aanrijding plaats gevonden met een vrouw op een snorfiets en de passagier van deze snorfiets. Verdachte heeft niet gezien dat de snorfiets, gezien verdachtes rijrichting komend van links, vanaf de Badlaan, deze kruising was opgereden, met als gevolg dat verdachte tegen voornoemde snorfiets is aangebotst2.

[persoon 2] reed met haar snorfiets, met haar zoontje [persoon 1] als passagier achterop, op het fietspad van de Badlaan. Toen zij de kruising naderde reed zij met een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur. Zij zag dat het verkeerslicht voor haar op groen stond. Op het moment dat zij de kruising dicht was genaderd zag zij dat het verkeerslicht op geel sprong. Ze kon niet meer stoppen en reed vervolgens de kruising op. Op het moment dat zij de kruising bijna was overgestoken, zag zij vanuit haar rechter ooghoek iets wits aankomen en voelde zij dat de achterzijde van haar snorfiets werd geraakt. Tengevolge van de aanrijding heeft haar zoontje zijn rechter enkel gebroken3. Blijkens de verklaring van de geneeskundige duurt de genezing van deze fractuur drie maanden4.

De verklaring van [persoon 2] wordt ondersteund door de getuige [getuige 1] . Hij fietste naar het verkeerslicht toe om de Laan Nieuwer-Amstel over te steken en zag dat het verkeerslicht op oranje stond. Hij zag dat hij werd gepasseerd door een snorfiets en dat de bestuurster van de snorfiets door het oranje verkeerslicht reed. Daarna zag hij dat de vrouw door een auto werd geschept5.

De verklaring van [persoon 2] en de getuige worden ondersteund door de bevindingen van opsporingsambtenaar [verbalisant] van de afdeling verkeersongevallenanalyse van de politie Amsterdam6:

  1. Het kruispunt op de Laan Nieuwer-Amstel met de oversteekplaats van de Badlaan was voorzien van een verkeersregelinstallatie welke voertuigafhankelijk kan regelen;

  2. Een voertuigafhankelijke verkeerslichtenregeling heeft als belangrijkste eigenschap dat de regeling zich aan kan passen aan het verkeersaanbod op de kruising;

  3. Om zich aan te kunnen passen aan het verkeersaanbod maakt het verkeersregeltoestel gebruik van detectoren om te ‘zien’ of er verkeer op het kruispunt aanwezig is. Op het kruispunt van het ongeval werd gebruik gemaakt van detectielussen;

  4. Een van de voorwaarden voor een verkeersregeltoestel is dat de lampen van conflicterende richtingen nooit groen licht uitstralen. Dit is beveiligd door het regeltoestel;

  5. Uit de logging en ontruimingsmatrix, alsmede uit de verklaring van de betrokkenen en getuigen is gebleken dat de verkeersregelinstallatie aan het regelen was op het moment van het ongeval en vertoonde deze geen storingen;

  6. De bestuurder van de auto reed over richting 11 en de detectielussen voor de rijstrook van deze richting waren genummerd (van veraf tot dichtbij): 1103, 1102, 1101;

  7. De bestuurder van de snorfiets reed over richting 23 en de detectielussen voor deze rijstrook waren genummerd (van veraf tot dichtbij): 2303, 2302, 2301;

  8. De ontruimingstijd in een verkeerslichtenregeling kan worden beschouwd als een veiligheidsmarge. Dit is de tijd dat twee conflicterende richtingen tegelijkertijd rood licht uitstralen.

  9. De roodlichtnegatie wil zeggen activatie en de-activatie van de koplus (vlak voor de stopstreep), terwijl het bijbehorende verkeerslicht op dat moment rood licht uitstraalde. Op een dergelijk moment rijdt er een voertuig door rood;

  10. Voor richting 11 was de vaste geeltijd 3 seconden en de ontruimingstijd van richting 23 (rood) naar 11 (groen) 3 seconden;

  11. Voor richting 23 was de vaste geeltijd 3 seconden en de ontruimingstijd van richting 11 (rood) naar 23 (groen) 2 seconden;

  12. Op 18 juli 2014 te 12:48 uur was er een melding van het ongeval bij de meldkamer van de politie gedaan;

  13. Bij het bestuderen van de faselog heeft de opsporingsambtenaar zich geconcentreerd op de koplussen van de rijstroken waarover de bij het ongeval betrokken personen hadden gereden. Dit waren de nummers 1101 en 2301 uit het faselog D11.1 en D 23.1;

  14. In de tijd tussen 12:30 en 12:48 uur vond er één rood licht negatie plaats op de richting van de auto (richting 11) en tientallen rood licht negaties op de richting van de snorfiets (richting 23);

  15. De rood licht negatie in de faselog van richting 11 was om 12:46:06 uur, waarbij het verkeerslicht tenminste 10 seconden op rood stond;

  16. De detectie op richting 23 (koplus 2301) in de geelfase was om 12:46:05;

  17. Het ongeval is ontstaan doordat de bestuurder van de auto bij rood licht en de bestuurder van de snorfiets bij groen/geel licht de stopstreep passeerde en het kruispunt op reed.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de verkeersregelinstallatie op het moment van de aanrijding niet goed zou hebben gewerkt. Uit de verklaringen van verdachte, de bestuurster van de snorfiets en de getuige volgt dat de verkeerslichten in werking waren. Bovendien komen de verklaringen van de bestuurder van de snorfiets en de getuige overeen met de bevindingen uit het proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie. De enkele opmerking van de raadsman dat er wel eens iets mis zou kunnen gaan met het functioneren van een verkeersregelinstallatie biedt onvoldoende tegenwicht, te minder nu uit voornoemd proces-verbaal duidelijk is geworden dat er geen onregelmatigheden of storingen naar voren zijn gekomen omtrent de werking van de verkeersinstallatie.

4.4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak zowel primair als subsidiair is ten laste gelegd dat sprake is van een strafrechtelijk verwijtbare verkeersgedraging. Verdachte is door rood licht gereden en heeft niet gezien dat een snorfietser met een passagier achterop voornoemde kruising was opgereden. Deze verkeersgedraging dient als een ernstige verkeersovertreding te worden aangemerkt. In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld, maar bij het bepalen van het antwoord op de vraag of verdachte hierbij zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld, zoals vereist bij toepassing van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, dient de rechtbank de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak te beoordelen.

De rechtbank heeft daarbij laten meewegen dat uit het voornoemde proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie is gebleken dat de verkeersregelinstallatie op het kruispunt van de Laan Nieuwe-Amstel en de Badlaan naar behoren werkte. Ten aanzien van de weg en de weersgesteldheid waren er geen omstandigheden aanwezig die de oorzaak, gevolgen of toedracht van het ongeval zouden kunnen hebben beïnvloed. Het kruispunt was gelegen binnen de bebouwde kom en de wettelijk toegestane maximum snelheid ter plaatse was 50 km/u voor de personenauto en 25 km/u voor de snorfiets. Niet is gebleken dat deze snelheden zijn overschreden.

Gelet op de in rubriek 4.4.1. opgesomde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte niet is gestopt voor een voor hem rood uitstralend verkeerslicht, terwijl het verkeerslicht op dat moment tenminste 10 seconden op rood stond. Verdachte heeft een van links komende snorfietser met passagier niet gezien en is daardoor onvoldoende opmerkzaam geweest als bestuurder van zijn auto. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van méér dan een moment van onachtzaamheid en dat verdachte daarmee aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld en daarmee schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het primair ten laste gelegde,

op 18 juli 2014 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto - in de hoedanigheid van beroepschauffeur - , daarmee rijdende over de Laan Nieuwer-Amstel, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon 1] , een gebroken enkel, zijnde zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Laan Nieuwer-Amstel, komende uit de richting van de Burgemeester A. Colijnweg en gaande in de richting van de Handweg,

terwijl verdachte beginnend bestuurder was,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Laan Nieuwer-Amstel met de Badlaan niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor het verkeer in zijn richting geldend en al enige tijd (10 seconden) ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet vergewist dat voornoemd kruispunt vrij was van kruisend verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een snorfiets, waarop [persoon 2] als bestuurder gezeten was en voornoemde [persoon 1] als passagier gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van links - vanaf de Badlaan -, bij GEEL licht voornoemde kruising was opgereden,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde snorfiets aangebotst, waardoor voornoemde [persoon 1] , voornoemd letsel, werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde dient te worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar eis laten meewegen dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gedragen op het moment dat hij een rood uitstralend verkeerslicht naderde. De officier van justitie heeft verder gelet op de omstandigheid dat verdachte geen documentatie heeft en dat hij contact met de bestuurster van de snorfiets, tevens de moeder van het slachtoffer heeft gezocht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het verschrikkelijk vindt wat er is gebeurd en dat hij dit ook niet heeft gewild.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Door dit gedrag heeft het slachtoffer [persoon 1] lichamelijk letsel bekomen.

Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2015 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, alsmede dat verdachte heeft laten blijken dat hij erg geschrokken is van het verkeersongeval en dat verdachte uit eigen beweging contact heeft gezocht met de betrokkenen.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)betrokken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een geldboete van € 1.000,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.

Alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair bewezen verklaarde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2015.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Aanrijding overtreding (p. 01-05); de verklaring van verdachte ter zitting van 21 augustus 2015.

3 Proces-verbaal verhoor benadeelde [persoon 2] (p. 11-12).

4 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring ten name van [persoon 1] van 20 augustus 2014 (p. 56a).

5 Proces-vervaal van verhoor getuige [getuige 1] (p. 06).

6 Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie (P. 29-46).