Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5567

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
13-752034-14 RK 15-3427 _
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering partieel geweigerd, partieel toegestaan.

Weigeringsgrond van artikel 12 OLW:

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak niet komen vast te staan dat de opgeëiste persoon het vonnis kende en dat hij in de gelegenheid is geweest tijdig een rechtsmiddel in te stellen. Gelet daarop is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder c, sub 2, OLW die aan weigering van de overlevering in de weg staat. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2664) en weigert de overlevering.

Beroep op artikel 6, vijfde lid OLW faalt.

De opgeëiste persoon is op 28 augustus 2009 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans Basisregistratie personen) op het adres waar hij thans nog woonachtig is. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de uit artikel 6, vijfde lid OLW voortvloeiende rechten moet vast staan dat de opgeëiste persoon gedurende tenminste vijf jaar een ononderbroken en rechtmatig verblijf in Nederland heeft genoten. Dit kan worden onderbouwd met inkomensgegevens. Niet gebleken is dat de opgeëiste persoon gedurende de gehele periode reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en daaruit voldoende inkomsten heeft gegenereerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752034-14

RK nummer: 15/3437

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 mei 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 december 2011 door the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres, te plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 juli 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. Iwema, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.

Het onderzoek is geschorst tot 24 juli 2015, 11.00 uur teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de raadsman in het kader van artikel 6, vijfde lid OLW overgelegde stukken te bestuderen.

Op 24 juli 2015 is de behandeling van de vordering voortgezet. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege de schorsing van het onderzoek op 14 juli 2015 niet meer in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen, beide gewezen door the District Court in Bytów.

I. Een vonnis van 2 september 2008 in de zaak met kenmerk V K 164/08. Dit vonnis is op 19 september 2008 onherroepelijk geworden.

II. Een vonnis van 18 februari 2009 in de zaak met kenmerk II K 3/09. Dit vonnis is op 25 februari 2009 onherroepelijk geworden.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van (I) één jaar en (II) een jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

De vonnissen betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt raadsman
De overlevering moet worden geweigerd. Beide vonnissen betreffen verstekvonnissen. Aan de vereisten voor overlevering zoals genoemd in artikel 12 OLW is niet voldaan. Een garantie op een nieuwe inhoudelijke behandeling is niet gegeven.

Standpunt officier van justitie

Met betrekking tot het vonnis I in de zaak V K 164/08 is uit de nagekomen informatie gebleken dat de dagvaarding en het vonnis betekend zijn volgens artikel 139 van het Poolse Wetboek van Strafvordering. Naar de Poolse regelgeving is deze betekening rechtsgeldig, maar dat is niet het oordeel van deze rechtbank. Ik wijs u in dit verband op een uitspraak van 3 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2002 (parketnummer 13.706.078-12). In die uitspraak heeft u bepaald dat artikel 12 sub c OLW niet de eis stelt dat het vonnis in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend.

Met betrekking tot het vonnis II in de zaak II K 3/09 stel ik vast dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op verschillende zittingen aanwezig is geweest. Hij heeft zijn verdedigingsrechten dus kunnen uitoefenen.

Het primaire standpunt is dat bij geen van beide vonnissen de weigeringsgrond van toepassing is. Subsidiair moet de overlevering worden geweigerd voor het vonnis I.

Oordeel rechtbank

Met betrekking tot vonnis II in de zaak K 3/09 blijkt uit een op 8 juli 2015 gedateerde brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij ‘the main trial’ op 30 januari 2008, op 27 februari 2008 en op 2 april 2008. Op deze laatste zitting ‘he gave explanations’, aldus de informatie in de brief. Uit deze informatie blijkt genoegzaam dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen en ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend (‘he gave explanations’). In deze omstandigheden is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing.

Dit ligt anders met betrekking tot vonnis I in de zaak V K 164/08

Uit eerder genoemde brief blijkt dat de dagvaarding voor de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid niet aan de opgeëiste persoon betekend kon worden. De opgeëiste persoon was op dat moment al naar Nederland vertrokken. De dagvaarding – en later ook het vonnis – zijn conform het bepaalde in artikel 139 § 1 van het Poolse Wetboek van Strafvordering betekend. Deze betekening is naar Pools recht rechtsgeldig. De opgeëiste persoon had niet een door hem gekozen of van overheidswege toegewezen advocaat gemachtigd zijn verdediging te voeren.
In deze omstandigheden moet het er voor gehouden worden dat niet gebleken is dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting en dat niet op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis was gesteld dat een vonnis kon worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting zou verschijnen. Het vonnis is niet in persoon aan de opgeëiste persoon betekend, terwijl de in artikel 12, aanhef onder d 1e en 2e OLW genoemde omstandigheden zich niet hebben voorgedaan.

De officier van justitie heeft primair een beroep gedaan op een eerdere uitspraak van de rechtbank, te weten ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2002 (parketnummer 13.706.078-12) waarin de rechtbank heeft bepaald dat artikel 12, aanhef en onder c OLW niet vereist dat het vonnis in persoon aan hem is betekend en daaruit geconcludeerd dat van een versteksituatie geen sprake is.

Dit is een selectieve lezing van de desbetreffende jurisprudentie.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat artikel 12, aanhef en onder c, van de OLW niet de eis stelt dat het vonnis in persoon aan de opgeëiste persoon wordt betekend. Dit heeft echter niet tot gevolg dat deze weigeringsgrond zich in de onderhavige zaak niet voordoet. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen in de Memorie van Toelichting over (het nieuwe) artikel 12 van de OLW is opgemerkt (vindplaats: Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 188, nr. 3, pagina 3):

“Onderdeel c benoemt de gevallen waarin vaststaat dat betrokkene het vonnis kent, maar hetzij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het instellen van een rechtsmiddel, hetzij geen rechtsmiddel heeft ingesteld.”

Naar het oordeel van de rechtbank is, ook gelet op de informatie uit eerder vermelde brief zoals hierboven weergegeven, in de onderhavige zaak niet komen vast te staan dat de opgeëiste persoon het vonnis kende en dat hij in de gelegenheid is geweest tijdig een rechtsmiddel in te stellen. Gelet daarop is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder c, sub 2, OLW die aan weigering van de overlevering in de weg staat. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2664).

De rechtbank zal de overlevering in de zaak V K 164/08 weigeren.

Met betrekking tot vonnis II in de zaak K 3/09 :

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

medeplegen van mishandeling.

Hetgeen de raadsman in zijn pleitaantekeningen van 14 juli 2015 onder de nummers 2 en 3, beide met het kopje ‘artikel 7, lid 1 sub b jo. sub a onder 1e OLW’ heeft willen betogen ontgaat de rechtbank, te meer daar het hier gaat om een strafbedreiging van tenminste twaalf maanden gevangenisstraf.

5 Beroep op artikel 6, vijfde lid OLW

Standpunt raadsman
De opgeëiste persoon moet gelijk gesteld worden met een Nederlanden, hetgeen leidt tot toepassing van de weigeringsgrond van artikel 6 lid 2 juncto lid 5 OLW.

Om deze stelling te adstrueren heeft de raadsman een aanzienlijk aantal stukken overgelegd.

Standpunt officier van justitie

De opgeëiste persoon is ingeschreven in de Basisadministratie personen. Dat is echter niet de enige vereiste waar hij aan moet voldoen wil hij met succes een beroep doen op de beoogde weigeringsgrond. Uit de overige overgelegde stukken is onvoldoende af te leiden dat de opgeëiste persoon gedurende tenminste vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven, met name de informatie over het genoten inkomen en de hoogte daarvan vertoont lacunes. Het verweer moet worden verworpen.

Oordeel rechtbank

Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat aan de opgeëiste persoon op 26 mei 2007 een Sociaal-Fiscaal nummer is toegekend en dat hij op 28 augustus 2009 is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans Basisregistratie personen) op het adres waar hij thans nog woonachtig is. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de uit artikel 6, vijfde lid OLW voortvloeiende rechten moet vast staan dat de opgeëiste persoon gedurende tenminste vijf jaar een ononderbroken en rechtmatig verblijf in Nederland heeft genoten. Dit kan worden onderbouwd met inkomensgegevens. Niet gebleken is dat de opgeëiste persoon gedurende de gehele periode reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en daaruit voldoende inkomsten heeft gegenereerd.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat met name de gegevens over de jaren 2010 en 2011 te veel hiaten vertonen, zodat het beroep op bedoelde weigeringsgrond niet kan slagen. Het verweer wordt verworpen.

6 Slotsom

Vonnis II in de zaak K 3/09

Nu ten aanzien van het feit waarop dit vonnis betrekking heeft en waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

8 Beslissing

Vonnis II in de zaak K 3/09

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens het feit waarop het vonnis II in de zaak K 3/09 betrekking heeft.

Vonnis I in de zaak V K 164/08

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] oor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens het feit waarop het vonnis I in de zaak V K 164/08 betrekking heeft.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 7 augustus 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.