Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5529

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van een melding dat een examinator tegen betaling kandidaten ten onrechte voor hun rijexamens liet slagen, heeft de politie onderzoek gedaan. De verdachte examinator heeft tegenover de politie bevestigd dat hij tegen betaling kandidaten ten onrechte heeft laten slagen. De examinator deed dit voor kandidaten van zes rijscholen, onder wie verzoekers rijschool. De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder. Verzoeker is bij voornoemde examinator en via een verdachte rijschool die ver van verzoekers woonadres is gevestigd, voor zijn rijexamen geslaagd. Op grond van politieonderzoek heeft verweerder voldoende aannemelijk geacht dat verzoeker niet voldoet aan de wettelijke rijvaardigheidseisen en de verklaring rijvaardigheid van verzoeker ingetrokken. Daarnaast zijn er omstandigheden die dit vermoeden ondersteunen, waaronder de omstandigheid dat verzoeker eerst op de dag dat hij - na eerder voor 4 examens te zijn gezakt - zijn vijfde (succesvolle) rijexamen heeft gedaan, zijn les- en examengeld tot een bedrag van € 3.580,00 heeft betaald. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door in het bestreden besluit de verkeersveiligheid te laten prevaleren boven de individuele belangen van verzoeker mede nu verzoeker in de gelegenheid is gesteld de onevenredige gevolgen van het besluit weg te nemen door kosteloos een rijvaardigheidstoets te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 15/4569 (voorlopige voorziening) en AMS 15/4560 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. E. van Kampen),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

(gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan verzoeker afgegeven verklaring van rijvaardigheid ingetrokken.

Bij besluit van 26 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 augustus 2015 heeft verweerder stukken ingezonden met betrekking tot:

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van de aangever van 15 augustus 2014;

  • -

    de bestuurlijke rapportage inzake de valsheid in geschrifte en oplichting met rijexamens van 21 januari 2015 en

  • -

    proces-verbaal aantal onterecht geslaagden van 23 januari 2014 (lees: 2015).

Verweerder heeft verzocht om geheimhouding van deze stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 11 augustus 2015 heeft de rechtbank in een andere samenstelling op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb geoordeeld dat er gewichtige redenen zijn om beperkte kennisneming gerechtvaardigd te achten. Bij (fax)brief van 12 augustus 2015 heeft verzoeker meegedeeld toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid van de Awb, zodat de voorzieningenrechter mede op grondslag van deze stukken uitspraak doet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en H. Schipper, werkzaam als examinator bij het CBR.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Verzoeker heeft in 2012 rijlessen gevolgd bij rijschool [bedrijf 1] te Amsterdam. Daarna heeft hij de overstap gemaakt naar rijschool [bedrijf 2] te Den Helder. Verzoeker heeft op respectievelijk 9 februari 2013, 5 maart 2013, 13 maart 2013 en 2 april 2013 via deze rijschool examen gedaan voor zijn praktijkexamen rijvaardigheid, waarvan de laatste een faalangstexamen was, en daarvoor onvoldoende gescoord. Op 1 mei 2013 heeft verzoeker andermaal een zogeheten examen “Nader Onderzoek“ afgelegd dat is bedoeld voor personen die vier keer zijn gezakt binnen een periode van vijf jaar en is daarvoor geslaagd.

Vervolgens is aan hem de verklaring rijvaardigheid afgegeven.

3. Naar aanleiding van een melding dat een examinator tegen betaling kandidaten ten onrechte voor hun rijexamens liet slagen, heeft de politie onderzoek gedaan. De verdachte examinator (hierna: de examinator) heeft tegenover de politie bevestigd dat hij tegen betaling kandidaten ten onrechte heeft laten slagen. De examinator deed dit voor kandidaten van zes rijscholen, onder wie verzoekers rijschool [bedrijf 2]. De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder. Van de rijschoolhouder ontving de examinator

€ 500,00 per kandidaat. Omdat verzoeker op 1 mei 2013 bij voornoemde examinator is geslaagd, heeft verweerder op grond van dat politieonderzoek voldoende aannemelijk geacht dat verzoeker niet voldoet aan de wettelijke rijvaardigheidseisen en de verklaring rijvaardigheid van verzoeker ingetrokken.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het intrekkingsbesluit gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het politieonderzoek, neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 21 januari 2015 (hierna: de rapportage), ten grondslag gelegd. De politie heeft hierin uiteengezet dat kandidaten die via Autorijschool [bedrijf 2] een examen “Nader Onderzoek” hebben afgelegd een aanzienlijk hoger slagingspercentage hadden dan het landelijk gemiddelde, namelijk 71,05 % tegenover 34,3 % in 2013. Volgens de politie ontstaat er (meer) dan een redelijk vermoeden dat een kandidaat ten onrechte is geslaagd voor het rijexamen als, naast de eerste twee indicatoren (rijexamen doen bij de verdachte examinator (indicator 1) en via één van de zes verdachte rijscholen (indicator 2) een van de overige zes indicatoren van toepassing is. In het geval van verzoeker is indicator 3 - rijlessen volgen en examens afleggen in een plaats die op ongebruikelijk grote afstand ligt van zijn woonplaats - tevens op hem van toepassing. Daarnaast is opvallend dat verzoeker op 1 mei 2013, de dag dat hij is geslaagd voor zijn rijexamen, € 3.580,00 aan de rijschoolhouder heeft betaald.

6. Verzoeker heeft - voor zover relevant - aangevoerd dat de rapportage onvoldoende grond biedt om aan te nemen dat hij tegen betaling ten onrechte zijn rijvaardigheidsverklaring heeft gekregen. De gehanteerde indicatoren zijn daarvoor onvoldoende onderscheidend en indicatief, en er is geen enkel aantoonbaar en verifieerbaar gegeven waaruit blijkt dat hij niet terecht is geslaagd. Verzoeker rijdt al jaren zonder verkeersovertredingen te hebben begaan. De rijschoolhouder heeft bovendien tijdens zijn verhoor verklaard dat verzoeker op eigen kracht is geslaagd. Verzoeker is met de intrekking onevenredig in zijn belangen geschaad; hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn bedrijf dat hij op 1 augustus 2015 is gestart. Voorts stelt verzoeker dat verweerder hem ten onrechte niet in staat heeft gesteld op grond van artikel 4:8 van de Awb zijn zienswijze te geven.

7.1

De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van verweerder dat hij bevoegd is om in die gevallen waarin aannemelijk is dat een verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is afgegeven, de verklaring van rijvaardigheid in te trekken. Verweerders bevoegdheid om, nadat de kandidaat succesvol heeft afgereden, een verklaring van rijvaardigheid te verlenen, impliceert dat in die gevallen waarin aanzienlijke twijfel bestaat over de vraag of het rijvaardigheidsexamen wel daadwerkelijk met goed gevolg is afgenomen, ook kan worden ingetrokken. In het geval waarin een examinator en betrokkenen van verschillende rijscholen hebben bekend te hebben gefraudeerd met de verklaringen van rijvaardigheid, ligt het op de weg van verweerder om met het oog op de verkeersveiligheid de oude situatie te herstellen. Verweerder heeft aan de hand van de door de politie opgestelde indicatoren de groep personen van wie een sterk vermoeden bestaat dat zij ten onrechte zijn geslaagd voor het rijvaardigheidsexamen afgebakend. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de gehanteerde indicatoren onjuist of onredelijk zouden zijn.

7.2

Niet in geschil is dat verzoeker via rijschool [bedrijf 2] heeft afgereden bij de examinator die bij de politie heeft bekend geld te hebben aangenomen om leerlingen te laten slagen. Daarmee voldoet verzoeker aan de eerste twee van de acht indicatoren die leiden tot een ‘meer dan redelijk vermoeden dat een kandidaat onterecht is geslaagd’, namelijk indicator 1 (rijexamen doen bij de verdachte examinator) en indicator 2 (rijexamen doen via één van de zes verdachte rijscholen). Een meer dan redelijk vermoeden bestaat als daarnaast van minimaal één van de indicatoren genummerd 3 tot en met 8 sprake is. In het geval van verzoeker stelt de politie vast dat verzoeker gebruik heeft gemaakt van een rijschool die ver van zijn woonadres in Amsterdam is gevestigd, namelijk Den Helder (indicator 3). De verklaring die verzoeker hiervoor heeft gegeven, namelijk dat alleen bij deze rijschool het examengeld in termijnen kon worden betaald, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht zijn er meer rijschoolhouders (ook in Amsterdam) bij wie betalen in termijnen mogelijk is. De door verzoeker overgelegde bankafschriften ondersteunen voorts onvoldoende verzoekers standpunt dat hij voor zijn

72 rijlessen de trein naar Den Helder heeft genomen nu in de periode januari 2013 - 1 mei 2013 slechts een beperkt aantal afschrijvingen voor treinkaartjes Amsterdam - Den Helder op de bankafschriften staan vermeld. Verzoeker heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk 72 rijlessen bij [bedrijf 2] heeft gevolgd.

7.3

De voorzieningenrechter acht, naast de hiervoor genoemde indicatoren, de volgende omstandigheden van belang. Zoals blijkt uit de stukken heeft verzoeker eerst op de dag dat hij zijn laatste - succesvolle - rijexamen heeft gedaan een schuldbekentenis afgegeven en een betaling gedaan voor 72 rijlessen en examengeld voor vijf examens tot een bedrag van

€ 3.580,00. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de inhoud van deze factuur aantoonbaar onjuist is omdat een onjuist bedrag is vermeld als examengeld. Niet aannemelijk is voorts dat een rijschoolhouder akkoord gaat met betaling achteraf van een dergelijk groot bedrag aan rijlessen en examengeld en daarmee het risico loopt dat verzoeker na het volgen van

72 rijlessen en het afleggen van vijf examens niet meer betaalt. Aan de verklaring van de rijschoolhouder dat verzoeker zijn examen op eigen kracht heeft gehaald, zoals in het proces-verbaal van het verhoor van de rijschoolhouder van 11 oktober 2014 is weergegeven, kan niet die betekenis worden gegeven die verzoeker hieraan wenst te geven. Immers, in hetzelfde verhoor heeft de rijschoolhouder ook verklaard dat indien meer dan € 1.000,00 is betaald, de kans groot is dat het examen tegen betaling is gedaan. Voorts heeft de heer Schipper ter zitting toegelicht dat verzoeker tijdens zijn voorlaatste examen van 2 april 2013 op vijf van de zeven onderdelen van het praktijkexamen fors onvoldoende heeft gescoord. Dat verzoeker een maand later wel over de benodigde vaardigheden zou kunnen beschikken, valt buiten het normaal te verwachten patroon en is zeker niet te verwachten bij een minder getalenteerde kandidaat als verzoeker, aldus de heer Schipper.

7.4

De stelling van verzoeker dat het toeval is dat hij de examinator trof bij zijn rijexamen omdat hij deze niet kan kiezen is door verweerder onder verwijzing naar de bijlage bij de rapportage onderbouwd weerlegd. Uit pagina drie van deze bijlage blijkt dat de rijschoolhouder met een voldoende mate van zekerheid op voorhand kon voorspellen wanneer de examinator op een bepaalde locatie een bepaald examen zou afnemen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verklaring van rijvaardigheid door verzoeker op onregelmatige wijze is verkregen zodat verweerder bevoegd was deze met het oog op het grote belang van de verkeersveiligheid in te trekken. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de normale bewijsstandaard uit het bestuursrecht van toepassing is zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 oktober 2014 en van 13 juni 2012, (ECLI:RVS:2014:4623 en ECLI:RVS:2012:BW8180).

7.5

Ook verzoekers stelling dat het intrekken van de rijvaardigheidsverklaring voor hem te ingrijpend is en verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel handelt, volgt de voorzieningenrechter niet. Gelet op het grote belang van de verkeersveiligheid en de aannemelijk geworden feiten ten aanzien van de verkrijging van de rijvaardigheidsverklaring door verzoeker, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door in het bestreden besluit de verkeersveiligheid te laten prevaleren boven de individuele belangen van verzoeker. Bovendien heeft verweerder tijdens de beroepszaak betrokkenen alsnog in de gelegenheid gesteld om onevenredige gevolgen van het besluit weg te nemen door hen de gelegenheid te geven te laten zien dat zij over de vereiste rijvaardigheid beschikken. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat een groot aantal van de personen van wie de rijvaardigheidsverklaring is ingetrokken, heeft deelgenomen aan deze test. Zoals de heer Schipper ter zitting heeft toegelicht, is bij de rijvaardigheidstoets geen sprake van het afleggen van een rijexamen, maar van een beoordeling van verzoekers rijvaardigheid. Daarbij kan verzoeker kiezen in welke auto hij wil rijden en wordt rekening gehouden met de eigen rijstijl van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen gebruik gemaakt van het aanbod van verweerder van 19 maart 2015 om op verweerders kosten zijn rijvaardigheid te laten beoordelen. Hoewel het verzoeker vrij stond om al dan niet aan die test mee te doen, maakt dat wel dat verzoekers gestelde belang dat hij inmiddels een bedrijf is gestart en een rijbewijs nodig heeft om spullen per auto te vervoeren, minder gewicht in de schaal legt. Nu verweerder verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld de onevenredige gevolgen van het bestreden besluit weg te nemen, bestaat te minder aanleiding om het bestreden besluit in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel.

7.6

Voor zover verzoeker betoogt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om de verklaring van rijvaardigheid in te trekken, onderschrijft de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat van een zienswijze op grond van artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb kan worden afgezien indien vereiste spoed, in dit geval de bewaking van de verkeersveiligheid, zich daartegen verzet. Het betoog van verzoeker leidt ook op dit punt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

8. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. Nu op het beroep is beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

9. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: HB

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.