Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5422

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
13.751.525-15 (EAB 3)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. De rechtbank heropent het onderzoek, omdat zij prejudiciële vragen zal stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 2, eerste en vierde lid, en artikel 4, punt 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.525-15 (EAB 3)

RK nummer: 15/4159

Datum uitspraak: 21 augustus 2015 (bij vervroeging)

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 juni 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juni 2015 door de procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1994,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 augustus 2015 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft op 10 augustus 2015 schriftelijk afstand gedaan van het recht om op de zitting aanwezig te zijn. Zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard dat de opgeëiste persoon hem uitdrukkelijk heeft gemachtigd om de verdediging te voeren. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de overlevering.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er

niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van de correctionele rechtbank te Gent van 20 maart 2013.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van veertig maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaren en vier maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in het vonnis. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van dit onderdeel en dit vonnis zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De bijlage bij de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:

Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:

(…)

2. [X] Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

Aan EAB ligt een vonnis ten grondslag, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:

- ( (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

- ( (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen.

De bijlage bij de brief van 30 juli 2015 houdt op dit punt het volgende in:

[X] 3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

— de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en

de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing en

de betrokkene zat geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk 15 dagen.

De rechtbank concludeert dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW zich voordoet, zodat de rechtbank de overlevering niet mag weigeren om de reden dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 20 maart 2013 heeft geleid.

5 Strafbaarheid

5.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten – met uitzondering van het hierna onder 4.2 vermelde feit – moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 11, 18 en 21, te weten:

informaticacriminaliteit

en

georganiseerde of gewapende diefstal.

en

oplichting.

Volgens de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het opgeven van een valse identiteit, zoals strafbaar gesteld bij artikel 231 van het Strafwetboek, niet in redelijkheid aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, omdat – naar de rechtbank ambtshalve bekend is en zoals de officier van justitie op de zitting heeft meegedeeld – op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten hoogste drie maanden is gesteld.

Naar Nederlands recht is dit feit strafbaar gesteld bij artikel 435, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht met een geldboete van de tweede categorie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor dit feit de overlevering moet worden geweigerd.

Tijdens het overleg in raadkamer heeft de rechtbank vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Ondanks de onder 4 bedoelde mededeling over het recht op verzet of hoger beroep, strekt het EAB tot de (verdere) tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf (zie bijv. (impliciet) Rb. Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:9682). De opgeëiste persoon is niet een Nederlander of een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. Het in artikel 6, tweede lid, OLW verbod van overlevering ter tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf is hier niet van toepassing, zodat niet de noodzaak bestaat het EAB te verstaan als strekkende tot strafvervolging.

De rechtbank mag de overlevering voor dit feit alleen toestaan, indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e en onder b, OLW gestelde eisen.

Artikel 2, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ bepaalt dat een EAB kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden. Artikel 2, vierde lid, van het kaderbesluit bepaalt dat de overlevering afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat het EAB berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit. Volgens artikel 4, punt 1, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB weigeren in het in artikel 2, vierde lid, bedoelde geval dat het feit niet strafbaar is naar het recht van de uitvoerende lidstaat.

Het kaderbesluit laat in geval van executieoverlevering niet — althans niet met zoveel woorden — de mogelijkheid open dat de uitvoerende lidstaat de eis stelt van:

- een strafbedreiging met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden in de uitvaardigende lidstaat en

- een strafbedreiging met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden in de uitvoerende lidstaat.

Tot nu toe heeft de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW zo uitgelegd, dat in een geval als het onderhavige op het feit in beide betrokken lidstaten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden moet zijn gesteld.

De strafbedreiging in geen van beide lidstaten voldoet aan deze eis.

In de zaak met parketnummer 13.751.509-15 heeft dezelfde officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat artikel 7, eerste lid, OLW de ruimte biedt om over te leveren voor een feit dat naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert, waarop een strafbedreiging van minder dan twaalf maanden gevangenisstraf is gesteld. In die zaak heeft de rechtbank overwogen dat zij niet kan uitsluiten dat het standpunt van de officier van justitie noopt tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en heeft zij het onderzoek heropend om de noodzaak van het stellen van prejudiciële vragen te beoordelen (Rb. Amsterdam 7 augustus 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:5194). Inmiddels heeft de rechtbank in die zaak besloten een prejudiciële vraag voor te leggen en heeft zij dat aan de partijen in die procedure meegedeeld. In de kern komt deze vraag erop neer of de uitvoerende lidstaat ten aanzien van niet-lijstfeiten ook een eis inzake de strafbedreiging naar het recht van de uitvoerende lidstaat mag stellen.

De onderhavige zaak verschilt in één belangrijk opzicht van de zaak met parketnummer 13.751.509-15. In de onderhavige zaak voldoet de strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat evenmin aan de in artikel 7, eerste lid, OLW gestelde eis van een strafbedreiging met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden, zoals de rechtbank deze bepaling tot nog toe heeft uitgelegd.

Nu ook ten aanzien van deze eis de vraag rijst of deze in overeenstemming is met Kaderbesluit 2002/584/JBZ zal de rechtbank in de onderhavige zaak een of meer prejudiciële vragen stellen.

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen. Na de heropening zal de rechtbank het concept van de prejudiciële vraag/vragen per e-mail aan de raadsman en de officier van justitie voorleggen. Zij zullen dan een termijn van één week krijgen om daarop te reageren.

Om de voortgang van de procedure te bespoedigen zal de rechtbank de raadsman en de officier van justitie om toestemming vragen om, na kennisneming van de reactie op het concept van de prejudiciële vragen, zonder nadere zitting en in een andere zittingscombinatie het onderzoek te sluiten en een tussenuitspraak te doen.

De rechtbank streeft ernaar tussenuitspraak te doen en de definitieve prejudiciële vraag/vragen in te dienen vóór medio september 2015, gelijktijdig met de tussenuitspraak en de prejudiciële vraag/vragen in de zaak met parketnummer 13.751509-15.

6 Beslissing

HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de concept prejudiciële vraag/vragen.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2015.

De jongste rechter is buiten staat de tussenuitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C