Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5391

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
13/730022-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het aanwezig hebben en de poging uitvoer van (ongeveer) 56 kilo cocaïne en 4 kilo heroïne. Geen misbruik van bevoegdheden (détournement de pouvoir), omdat het stopteken van de politie is gegeven op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet. Geen vormverzuim in de zin van art. 359a Sv. Veroordeling tot 48 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/730022-15 (Promis)

Datum uitspraak: 6 augustus 2015

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.M.J. Comans naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van eis op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 23 februari 2015 te Amsterdam en/of Meerkerk, in elk geval

in Nederland, en/of in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (ongeveer) 55,40 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of 3,97 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een auto gehuurd en/of

- ( vervolgens) twee koffers met daarin die hoeveelheid cocaïne en/of die hoeveelheid heroïne in die auto geplaatst en/of

- ( vervolgens) die hoeveelheid cocaïne en/of die hoeveelheid heroïne in die auto vervoerd met bestemming 'Saint Ghilain' te België;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 februari 2015 te Amsterdam en/of Meerkerk, in elk geval

in Nederland, en/of in België ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (ongeveer) 55,40 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, en/of 3,97 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- een auto gehuurd en/of

- ( vervolgens) twee koffers met daarin die hoeveelheid cocaïne en/of die hoeveelheid heroïne in die auto geplaatst en/of

- ( vervolgens) die hoeveelheid cocaïne en/of die hoeveelheid heroïne in die auto vervoerd met bestemming 'Saint Ghilain' te België, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 februari 2015 te Amsterdam en/of Meerkerk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 55,40 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of 3,97 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 23 februari 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om de uitvoer van 55,40 kilogram cocaïne en 3,97 kilogram heroïne te bewijzen. De verdovende middelen hebben de Nederlandse grens immers niet gepasseerd.

Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is voor het voorhanden hebben van de geluidsdemper en de munitie. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de kamer verbleef waar de geluidsdemper en de munitie zijn gevonden. Voorts lagen zowel de geluidsdemper als de munitie verborgen in een kast in die kamer en kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van voornoemde goederen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar het door haar ter terechtzitting overgelegde bewijsmiddelenoverzicht, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle feiten tot vrijspraak bepleit. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat:

  • -

    de waarnemingen van de politie, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen, onvoldoende grond bieden om op het moment van de verkeerscontrole te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv);

  • -

    de politie verzuimd heeft om de verdachte de cautie te geven voorafgaand aan de verkeerscontrole en dit pas gedaan heeft op het moment van het zien van de verdovende middelen;

  • -

    de verdachte de Engelse taal onvoldoende beheerst om te begrijpen wat hem gevraagd werd en dat zijn geverbaliseerde instemming niet werd gebaseerd op een duidelijk begrip van wat hem werd gevraagd;

  • -

    de verdachte geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor het openen van de kofferbak en kijken in de koffers;

  • -

    de verkeerscontrole op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet (WVW) uitsluitend is ingezet ten behoeve van de opsporing en dat daarmee sprake is van détournement de pouvoir.

Voornoemde verzuimen vonden plaats gedurende het voorbereidend onderzoek en betreffen vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. De verdediging heeft primair bewijsuitsluiting van de aangetroffen verdovende middelen bepleit en subsidiair strafvermindering.

Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de koffers en dat verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, zoals hierna vermeld onder de bewezenverklaring. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en als bijlage I van dit vonnis zijn opgenomen.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Bewijsuitsluiting

De rechtbank oordeelt dat het bestaan van een vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door politieambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen.

In het arrest van 21 november 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY9670) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan de rechtmatigheid van de uitoefening van die controlebevoegdheid niet kan afdoen dat een bevoegdheid op grond van de Wegenverkeerswet 1994 is aangewend naar aanleiding van informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid van één of meer inzittenden van een voertuig bij enig strafbaar feit.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding, de betrokken politieambtenaren de bevoegdheden op grond van de Wegenverkeerswet 1994 mede hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde voorschriften als bedoeld in artikel 160 Wegenverkeerswet 1994. Derhalve is de controlebevoegdheid niet uitsluitend gebruikt voor een ander doel, te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen, dan waarvoor deze is verleend.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de verkeerscontrole rechtmatig is uitgevoerd, is een cautieverzuim niet aan de orde en is de vraag of voorafgaand aan de verkeerscontrole sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv niet relevant.

Uit hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd blijkt dat verdachte zelf de achterklep van de auto heeft geopend en één van de koffers voor een deel heeft opengeritst, nadat de verbalisanten hadden gevraagd of hij de achterklep voor hen wilde openen en de spullen in de koffers kon tonen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte niet heeft begrepen wat de politie bedoelde. Verdachte heeft hier nimmer over gesproken, niet in zijn verhoor bij de politie en evenmin ter terechtzitting. Het pas bij monde van de raadsman bij pleidooi ter sprake brengen van deze omstandigheid acht de rechtbank in dit licht bezien onvoldoende voor het aannemelijk worden ervan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte door het zelf openen van de kofferbak en een koffer toestemming heeft gegeven om daarin te kijken.

De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv.

Poging uitvoer cocaïne en heroïne

Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de observaties volgt dat verdachte en zijn medeverdachten op verschillende momenten op 23 februari 2015 in of in de nabijheid van het pand aan de [straat] aanwezig zijn geweest. Naast verdachte en zijn medeverdachten kwamen en gingen ook andere, onbekend gebleven personen in de nabije omgeving van de [straat] .

Naar aanleiding van de vele bewegingen en ontmoetingen van de verschillende personen rond het perceel aan de [straat] , het naar binnen en buiten gebracht worden van koffers, het kennelijk zware gewicht van de koffers bij het plaatsen daarvan in de huurauto (Kia) en de wijze waarop deze in de Kia werden geplaatst en afgedekt, ontstond bij de politie het vermoeden dat er mogelijk een levering van geld of verdovende middelen had plaatsgevonden. De politie trof na de verkeerscontrole van de Kia en de bestuurder, medeverdachte [verdachte] , in de achterbak van de Kia twee koffers aan, gevuld met vermoedelijk verdovende middelen. Uit forensisch onderzoek naar de verdovende middelen bleek later dat het om 55,40 kilogram cocaïne en 3,97 kilogram heroïne gaat.

Op het moment dat [verdachte] werd aangehouden, was een TomTom navigatiesysteem in werking en was de route naar Saint Ghislain in België als plaats van bestemming ingevoerd. [verdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij op weg was naar België.

De rechtbank maakt hieruit op dat [verdachte] met de gehuurde Kia met in de achterbak twee koffers gevuld met een grote hoeveelheid cocaïne en een kleinere hoeveelheid heroïne op weg was naar België. Er heeft dus een poging uitvoer van cocaïne en heroïne plaatsgevonden.

Medeplegen

Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte is aan te merken als medepleger van deze poging tot uitvoer van verdovende middelen.

Juridisch kader voor medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat wordt vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO9905). Niet nodig is namelijk dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, noch dat zij op de hoogte zijn van alle details van de criminele activiteiten. De deelnemers moeten zich er echter wel van bewust zijn dat zij samenwerken en moeten weten waarop die samenwerking is gericht, oftewel welk doel zij gezamenlijk verwezenlijken. (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2013:5976)

De vraag of een samenwerking tussen mededaders zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. In zijn arrest van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is, terwijl het kernverwijt bij medeplichtigheid het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf betreft (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BO2629).

Eén en ander brengt mee dat indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht, op de rechter de taak rust om zijn keuze voor een kwalificatie van medeplegen ofwel medeplichtigheid nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel hierover kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3474, r.o. 3.2.2.).

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen aan een misdrijf te kunnen komen, moet ten slotte komen vast te staan dat het opzet van een verdachte was gericht op de onderlinge samenwerking met medeplegers alsmede op de verwezenlijking van het beoogde misdrijf.

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij niet wist dat er verdovende middelen in de koffers zaten. Verdachte is er ingeluisd door anderen en wil verder geen uitleg geven over zijn rol in het transport en zijn relatie tot zijn medeverdachten.

Voor de vraag of verdachte – anders dan hij stelt – wist van de verdovende middelen en zo ja, of hij is aan te merken al medepleger, is het volgende van belang.

Blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] verbleef verdachte op de dag van het transport in de woning. Verdachte heeft verklaard dat hij Amsterdam niet zo goed kent en door anderen naar de woning is gebracht. Uit de chatberichten die zijn aangetroffen op de twee gebroken Blackberry’s blijkt dat de gebruikers van de Blackberry’s en de personen met wie zij contact hadden al een aantal dagen bezig waren met het voorbereiden van het transport. In diverse berichten werd gesproken over ‘het huis’ en over het brengen van verdovende middelen ten behoeve van het transport. Uit de chatberichten blijkt dat op 23 februari 2015 diverse partijen verdovende middelen worden gebracht naar het huis op de [straat] .

De verbalisanten hebben waargenomen dat verdachte op 23 februari 2015 omstreeks 17.00 uur het pand aan de [straat] heeft verlaten en een ogenschijnlijk zware koffer in de achterbak van de Kia heeft geplaatst en als bestuurder van de auto is ingestapt. Kort daarna kwam [medeverdachte 1] uit het pand aan de [straat] en tilde hij een tweede ogenschijnlijk zware koffer in de achterbak van de Kia. [medeverdachte 1] heeft vervolgens overleg gevoerd met verdachte, geschoven met de koffers, leek deze te verbergen onder de bagage en heeft vervolgens nogmaals met verdachte overlegd.

Verdachte wil niet verklaren over zijn relatie met zijn medeverdachten en andere betrokken personen. Uit de chatberichten aangetroffen op de gebroken Blackberry’s van gebruiker ‘ [naam 1] ’ blijkt dat verdachte in de periode van 20 februari 2015 tot en met 22 februari 2015 contact heeft gehad met gebruiker ‘ [naam 1] ’. Op 22 februari 2015 chat verdachte onder gebruikersnaam ‘ [naam 2] ’ met gebruiker ‘ [naam 1] ’, de gebruiker . [naam 2] vraagt ‘ [naam 1] ’ of hij klaar is voor morgen. De rechtbank concludeert dat verdachte al een aantal dagen contact had met ‘ [naam 1] ’ die, zo volgt uit de chatberichten, actief betrokken is bij de voorbereidingen van het transport op 23 februari 2015.

Kort voor het vertrek van verdachte in de Kia vertrokken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de Mazda MX5 van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat zij naar de Belgische grens zijn gereden. Verdachte was op weg naar Saint Ghislain in België en is bij Meerkerk aangehouden door de politie.

Verdachte heeft verklaard dat hij de Kia op 23 februari 2015 in Den Haag had gehuurd om daarmee Amsterdam te bekijken. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en overweegt hiertoe als volgt:

- Een auto is geen logisch vervoermiddel om als toerist de stad Amsterdam te bezichtigen;

- in het licht van deze verklaring is niet begrijpelijk waarom de auto in Den Haag wordt gehuurd, terwijl verdachte in Amsterdam verbleef;

- [persoon 1] , de eigenaar van de autoverhuurmaatschappij, heeft verklaard dat verdachte de auto voor twee dagen had gehuurd, deze op 23 februari 2015 heeft opgehaald en werd gebracht door vrienden die reden in de Mazda MX5 met het Engelse kenteken. [medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor verklaard dat de Mazda van hem is.

De rechtbank is van oordeel dat het minst genomen op de weg van verdachte had gelegen om onderzoek te doen naar de inhoud van de koffers die hij naar België bracht, gelet op de volgende specifieke feiten en omstandigheden:

  • -

    Verdachte was op de dag van het transport gedurende een lange periode in het pand aan de [straat] aanwezig;

  • -

    Op die dag hebben diverse personen het pand aan de [straat] betreden en weer verlaten;

  • -

    Gedurende de hele ochtend en middag werden

diverse koffers bij het pand aan de [straat] naar binnen gebracht;

  • -

    Verdachte werd door zijn medeverdachte naar de verhuurmaatschappij in Den Haag gebracht om daar voor twee dagen een auto te huren. Met deze auto zou verdachte, zo maakt de rechtbank uit zijn verklaring op, in opdracht van anderen twee koffers naar België brengen;

  • -

    De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bevonden zich ten tijde van de reis van verdachte naar België ook per auto op weg naar België.

Aannemend dat verdachte heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de inhoud van de koffers, terwijl de situatie hier wel toe noopte en een onderzoek gemakkelijk te realiseren viel door simpelweg in de koffers te kijken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de koffers verdovende middelen bevonden.

Conclusie medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in samenwerking met een medeverdachte een auto heeft gehuurd ten behoeve van het transport, één van de koffers in de auto heeft getild, [medeverdachte 1] heeft verzocht om de andere koffer in de achterbak te plaatsen en de koffers goed onder de bagage-afdekhoes te verbergen en vervolgens de auto in de richting van België heeft gereden. Voorts bevond verdachte zich op de dag van het transport urenlang op de [straat] en blijkt uit de chatberichten dat hij contact had met personen die betrokken waren bij het transport.

Gelet op de hiervoor beschreven gedragingen en tekstberichten, naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen een significante bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding, de uitvoering en afhandeling van de poging tot uitvoer van verdovende middelen, waarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met die anderen. Tevens acht de rechtbank het opzet van verdachte op zowel de samenwerking als op de verwezenlijking van het beoogde misdrijf bewezen.

Concluderend en met inachtneming van voornoemde maatstaf acht de rechtbank het medeplegen door verdachte samen met anderen van de poging tot uitvoer van cocaïne en heroïne bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Uit het voorwaardelijk opzet van verdachte ten aanzien van de poging uitvoer van de verdovende middelen volgt eveneens het voorwaardelijk opzet met betrekking de aanwezigheid van de cocaïne en heroïne. Gelet op het feit dat de verdovende middelen zijn aangetroffen in de koffers in de bagageruimte van de auto waar verdachte de bestuurder van was en dat deze koffers afkomstig zijn uit de woning, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de cocaïne en heroïne samen met zijn medeverdachten voorhanden heeft gehad.

Immers, uit het voorgaande volgt dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden en blijkt tevens dat verdachte het opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de cocaïne en heroïne en de daarop gerichte samenwerking met zijn medeverdachten.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:

op 23 februari 2015 te Amsterdam en Meerkerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 55,40 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, en 3,97 kilogram van een materiaal bevattende heroïne,

- een auto heeft gehuurd en

- vervolgens twee koffers met daarin die hoeveelheid cocaïne en die hoeveelheid heroïne in die auto heeft geplaatst en

- vervolgens die hoeveelheid cocaïne en die hoeveelheid heroïne in die auto heeft vervoerd met bestemming 'Saint Ghilain' te België, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 23 februari 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 55,40 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, en 3,97 kilogram van een materiaal bevattende heroïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 1 subsidiair en 2 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het beslag heeft zij gevorderd dat de op de beslaglijst onder 1 t/m 4 genoemde goederen worden onttrokken aan het verkeer en de onder 5 t/m 7 genoemde goederen worden verbeurd verklaard.

9.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank in het geval van een bewezenverklaring verzocht een lagere straf op te leggen dan geëist.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot uitvoer van 55,4 kilo cocaïne en 3,97 kilo heroïne. De hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding onder handelaren en gebruikers.

Cocaïne en heroïne zijn voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stoffen. De internationale handel in harddrugs, waaronder cocaïne en heroïne, leidt tot ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het gebruik van harddrugs te bestrijden. De verspreiding van en handel in cocaïne en heroïne wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Dat zulke andere criminaliteit inderdaad gepaard gaat met de handel in harddrugs blijkt in onderhavige zaak uit het aantreffen van het vuurwapen bij verdachte thuis en het aantreffen van bijpassende munitie en geluidsdemper in het pand aan de [straat] .

Van algemene bekendheid is dat de uitvoer van en de handel in dergelijke hoeveelheden cocaïne uiterst lucratief is. De hoeveelheid aangetroffen drugs is groot en heeft een hoge marktwaarde. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door winstbejag, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke schade die door zijn handelen wordt veroorzaakt.

Verdachte heeft door de auto te huren en de verdovende middelen hiermee richting België te rijden een belangrijke rol gespeeld bij het transport en het voorhanden en aanwezig hebben van verdovende middelen. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank mede daarop gelet.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 juni 2015 is verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Ten aanzien van het beslag

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 1 t/m 4 genummerde goederen, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Verbeurdverklaring

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 5 t/m 7 genummerde goederen, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen het onder 1 subsidiair en 2 bewezen geachte is begaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 primair, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde:

Eendaadse samenloop van

medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 t/m 4 genummerde goederen.

Verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 5 t/m 7 genummerde goederen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter, mrs. M. Woerdman en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid mr. R. Funke Küpper en mr. F. Nieuwenhuis, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2015.