Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5268

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
awb 15/3390
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Watervergunning voor het plaatsen van een stalen damwandbeschoeiing in de oever van de Vecht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de vergunningaanvraag van vergunninghouder terecht (slechts) getoetst aan de in artikel 2.1 van de Waterwet genoemde doelstellingen en het ter uitvoering hiervan vastgestelde beleid. Op grond van hetgeen verweerder ter motivering van het bestreden besluit heeft aangevoerd is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de zorg voor de waterhuishouding en waterkering voldoende is gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3390

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2015 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats] , verzoeker

en

het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder

(gemachtigde mr. B.G.J. van Wissen)

Tevens heeft aan het geding deelgenomen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande oeverbeschoeiing door een stalen damwand in de kernzone van een secundaire directe waterkering.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 juni 2015. Verzoeker was aanwezig. Verweerder was vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen in overleg te treden met vergunninghouder over een eventuele vrijwillige schorsing van het besluit. Bij faxbericht van 25 juni 2015 heeft verweerder meegedeeld de verleende watervergunning niet vrijwillig te schorsen. Nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Vergunninghouder heeft op 9 december 2014 een aanvraag ingediend voor een watervergunning voor het vervangen van de bestaande oeverbeschoeiing door een stalen damwand. Vergunninghouder gaat drie afmeerplaatsen voor partyschepen aanleggen in de Vecht. Op de aanvraag staat vermeld dat de reden is gelegen in het feit dat de bestaande beschoeiing van perkoenpalen niet voldoet, omdat deze bezwijkt als gevolg van de waterdiepte voor de beschoeiing. De kade dient geschikt te worden gemaakt voor het afmeren van partyschepen aan de oever van de Vecht ter hoogte van Oostwaard (kadastraal bekend als sectie C, nummer 1685 en sectie E, nummer 3603). Vanwege de schroefwerking van de schepen met als gevolg daarvan erosie van het talud is een stevige oeverbescherming nodig. Hiervoor wenst vergunninghouder een sterke grondkering aan te brengen door het inheien van een stalen damwand met een inheidiepte alternerend, gestaffeld aangebracht tussen NAP -8,4 meter en NAP -9,4 meter. De bovenkant van de damwand komt uit op maximaal NAP +0,1 meter en zal worden afgewerkt met een gording. De damwand wordt geplaatst in de kernzone en het keurprofiel van een secundaire waterkering. Volgens vergunninghouder is nabij deze locatie op een tweetal vergelijkbare locaties de oever (spontaan) bezweken en afgeschoven in de Vecht.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor het plaatsen van een stalen damwandbeschoeiing met een lengte van 8,5 tot 9,5 meter over een traject van 90 meter. De aangevraagde handelingen zullen worden uitgevoerd in de oever van de Vecht ter hoogte van kilometerring 7.28. De oever is onderdeel van een directe secundaire waterkering. De damwand komt aan de boezemzijde van de kering, die een kernzone heeft van 12 meter.

3.1.

Verzoeker kan zich niet verenigen met de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Volgens verzoeker is de verleende vergunning in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Maarssen-Dorp woongebied, waarin staat opgenomen dat herstel van de bestaande beschoeiing zowel cultuurhistorisch als natuurvriendelijk dient plaats te vinden, waarbij naast de waterkerende functie rekening wordt gehouden met de natuur en het landschap. Een stalen damwand is niet als zodanig aan te merken. Ook overschrijdt de stalen damwand de begrenzing van het bestemmingsplan met 42 meter, zodat voor dat gedeelte van de stalen damwand reeds om die reden geen vergunning kan worden verleend. Daarbij komt dat sprake is van strijd met de bouwregels van het vaststellingsbesluit Maarssen-Dorp, waarin staat dat maximaal 90 meter aan steigers mag worden gebouwd. Volgens verzoeker voldoet de verleende vergunning niet aan het criterium dat sprake moet zijn van een maatschappelijk belang. Voorts is ten onrechte geen ontheffing gevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet. Een stalen damwand geeft geen ruimte aan de natuurlijke habitat van vissen, waaronder de beschermde diersoort de paling. Bovendien heeft het gebruik van een stalen damwand volgens verzoeker een groot nadeel ten aanzien van het terugkaatsen van de waterbeweging. Door de vorm van het profiel van de damwand worden de golven van langsvarende schepen, als de partyschepen weg zijn, teruggekaatst naar het midden van de Vecht, hetgeen de habitat van eerder genoemde (beschermde) vissoorten aantast. Tot slot is het aanbrengen van de stalen damwand volgens verzoeker in strijd met de Beleidsnotitie ligplaatsen in de Vecht van vergunninghouder en met de Nota Belvedere, aldus verzoeker.

3.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergunningaanvraag alleen mag worden getoetst aan de mogelijke effecten van de realisering van de stalen damwand op de waterhuishouding en de waterkering in de Vecht. De door verzoeker ingediende gronden van het verzoek en het bezwaar die daarop geen betrekking hebben kunnen volgens verweerder niet leiden tot een vernietiging van de verleende watervergunning. Verweerder heeft de aangevraagde handelingen getoetst aan de Beleidsregels Keurvergunningen en is tot de conclusie gekomen dat is voldaan aan alle in die beleidsregels genoemde voorwaarden. De oeverbeschoeiing in de vorm van een damwand wordt geplaatst in de kernzone en in het keurprofiel van een secundaire waterkering. Deze damwand is volgens verweerder als grondkering van een hogere veiligheidsklasse dan de huidige beschoeiing. Versterking van stabiliteit van grondkering is noodzakelijk in verband met de erosie als gevolg van de schroefwerking van de partyschepen die aanmeren op de locatie. Verweerder heeft de constructie beoordeeld op sterkte, veiligheid en duurzaamheid. Voorts is volgens verweerder voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van maatschappelijk belang, omdat de aanleg van steigers voor het afmeren van de partyschepen reeds is vergund, waarbij de afweging van het maatschappelijk belang al is gemaakt op basis van een bestuurlijke afspraak tussen vergunninghouder en de provincie. Concluderend heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de belangenafweging blijkt dat bij inwilliging van de aanvraag de zorg voor de waterhuishouding en de waterkering voldoende wordt gewaarborgd, mits wordt voldaan aan de voorschriften die aan het bestreden besluit zijn verbonden.

4.1.

Op grond van artikel 6.13 van de Waterwet is een watervergunning vereist voor het uitvoeren van handelingen in een watersysteem waarvoor krachtens verordening van het waterschap vergunning is vereist.

4.2.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Keur AGV 2011 is het verboden zonder vergunning van het bestuur in de kernzone, beschermingszones en buitenbeschermingszones van waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies

a. a) te graven of grond te verwijderen;

b) de grondwaterstand te verlagen;

c) heiwerk en dergelijke te verrichten.

4.3.

Op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder j, van de Keur AGV 2011 is het verboden zonder vergunning van het bestuur in, boven of onder oppervlaktewaterlichamen en de beschermingszones daarvan en in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies oeverbeschoeiing aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen.

4.4.

Op grond van artikel 2.1 van de Waterwet dient de vergunningaanvraag te worden getoetst aan de volgende doelstellingen bij de uitvoer van het waterbeheer:

a. a) voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

b) bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en

c) vervulling van maatschappelijke functies voor watersystemen.

De doelstellingen zijn geconcretiseerd via normen en beleid ten aanzien van – onder meer – waterkwaliteit en waterkwantiteit, die zijn vastgelegd in de Waterwet, in krachtens de Waterwet geldende regelgeving, water- en beheersplannen en beleidsregels.

4.5.

Beleidsregel 1 van de Beleidsregels Keurvergunningen, met als titel ‘Algemene voorwaarden voor het plaatsen van (bouw)werken in en nabij waterkeringen’ luidt als volgt:

Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en beschermingszone van waterkeringen en in beschermende gronden:

1) De werken inclusief de fundering worden buiten het keurprofiel en indien aanwezig buiten het profiel van vrije ruimte geplaatst; en

2) De werken mogen het beheer en onderhoud van de kering niet belemmeren; en

3) Indien de werken in de kernzone of in beschermende gronden worden geplaatst, dan gelden de volgende voorwaarden:

a. De aanvrager toont aan dat het noodzakelijk is de werken te plaatsen binnen de kernzone of beschermende gronden; en

b. De aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen gevaar bestaat voor omvallen of omwaaien van het werk; en

c. Het werk vormt geen aangrijppunt voor erosie door golfaanval of overloop; en

d. Een strook van minimaal 3 meter breed vanaf de buitenkruinlijn wordt vrijgehouden van objecten; en

4) Indien de werken binnen het keurprofiel of indien aanwezig binnen het profiel van vrije ruimte komen te liggen gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

e. De aanvrager dient desgevraagd met berekeningen aan te tonen dat de werken geen negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering en dat de werken stabiel zijn

f. Er moet een beheer- en onderhoudsplan zijn opgesteld; en

g. Er moet sprake zijn van maatschappelijk belang.

4.6.

Op grond van paragraaf B van de Beleidsregels Keurvergunningen heeft een activiteit maatschappelijk belang indien deze voldoet aan de volgende kenmerken:

1) Het niet of elders uitvoeren van de activiteit leidt tot aanzienlijk hogere maatschappelijke kosten; en

2) De activiteit vloeit voort uit een initiatief van de overheid, of uit een particulier initiatief dat volledige steun van de betrokken overheid heeft; en

3) De activiteit is voor meer dan 1 of enkele particulieren van belang (bovenlokaal) en/of

4) De activiteit is onvermijdelijk.

Deze kenmerken sluiten aan bij de richtlijn die het Dagelijks Bestuur van AGV in januari 2010 had vastgesteld: ‘Specificatie afwegingskader voor nieuwe activiteiten in, op en rond waterkeringen – richtlijn voor meewegen “zwaarwegend maatschappelijk belang”’. Door het meewegen van maatschappelijk belang nu op te nemen in de beleidsregels is het onderdeel van het beleid geworden en niet langer een afwijking van vastgesteld beleid.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de vergunningaanvraag van vergunninghouder terecht (slechts) getoetst aan de in artikel 2.1 van de Waterwet genoemde doelstellingen en het ter uitvoering hiervan vastgestelde beleid. Op grond van hetgeen verweerder als vermeld in rechtsoverweging 3.2 ter motivering van het bestreden besluit heeft aangevoerd is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de zorg voor de waterhuishouding en waterkering voldoende is gewaarborgd.

5.1.

In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De gronden van verzoeker die betrekking hebben op (strijd met) het ter plaatse vigerende bestemmingsplan treffen geen doel, nu dit geen afwijzingsgrond is bij de beoordeling van de aangevraagde vergunning. Hetzelfde geldt voor de door verzoeker gestelde strijd met de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet. Hetzelfde geldt voorts voor de door verzoeker gestelde strijd met de bouwregels van het vaststellingsbesluit Maarssen-Dorp – daargelaten dat deze zien op bouwwerken (steigers) – en de Beleidsnotitie ligplaatsen in de Vecht. Verzoekers beroep op de Nota Belvedere kan evenmin slagen. Daargelaten dat ook deze nota geen afwijzingsgrond is bij de beoordeling van de aangevraagde vergunning, heeft het stimulerings- en innovatieprogramma Belvedere weliswaar de inzet van cultuurhistorie bij ruimtelijke transformaties gestimuleerd, maar was het ten tijde van het bestreden besluit niet meer geldig.

5.2.

Ten aanzien van het maatschappelijk belang overweegt de voorzieningenrechter dat dit reeds is beoordeeld bij de vergunningverlening voor de aanleg van de steigers voor het afmeren van partyschepen. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde toegelicht dat het maatschappelijk belang door vergunninghouder is besproken bij verweerder en dat het plaatsen van de stalen damwand een gedeelde wens is van verweerder en vergunninghouder. De kering op die locatie zal worden stukgemaakt door de schroeven van de partyschepen, zodat een stalen damwand noodzakelijk is ter bescherming van de waterkering. Van alternatieve locaties is geen sprake. Daarbij komt dat het aan vergunninghouder is om te bepalen hoe het grondgebied wordt ingericht. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat het gebruik van een stalen damwand grote nadelen heeft ten aanzien van het terugkaatsen van de waterbeweging overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

6. Gelet op bovenstaande overwegingen heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen besluiten de watervergunning te verlenen. In dit geval zal het belang van de vergunninghouder bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit moeten prevaleren boven het belang van verzoeker tot schorsing van het bestreden besluit.

7. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt, ondanks het gestelde spoedeisend belang, afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: EK

B

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.