Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5259

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
13/684163-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf gelijk aan voorarrest van 44 dagen voor bedreiging van verpleegkundigen in psychiatrisch ziekenhuis en vernieling.

De rechtbank heeft ter terechtzitting overeenkomstig artikel 509a Sv bepaald dat zij vermoedt dat de geestvermogens van verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/684163-15, 14/259391-12 (tul)

Datum uitspraak: 17 juli 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

verblijvende op het adres [verblijfadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.A.M. ter Haar Romeny-Wijffels, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. L.C. Trompetter, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 28 maart 2015, te Amsterdam, in elk geval in Nederland

[slachtoffer 1] (verpleegkundige bij Inforsa) en/of [slachtoffer 2]

(verpleegkundige bij Inforsa) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend met een mes, althans met een (scherp en/of puntig) voorwerp één of

meer stekende en/of prikkende beweging(en) gemaakt naar, althans in de

richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of met dat mes (met

kracht) één of meer stekende en/of prikkende en/of slaande beweging(en)

gemaakt tegen een raam van een kantoor waar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

zich in bevonden;

2.

hij, in de periode van 25 maart 2014 tot en met 28 maart 2014, te Amsterdam,

in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een toilet en/of

deur en/of toiletbril en/of toiletpapier armatuur en/of (badkamer)deur en/of

wasbak en/of (toegangs)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Inforsa/Stichting Arkin, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een toiletbril van een toilet-pot

getrokken en/of gebroken en/of tegen een deur geschopt en/of met een

(kapotte) wc-bril tegen een deur geslagen en/of een kraan van een wasbak heeft

geschopt en/of geslagen en/of tegen een badkamerdeur heeft geslagen en/of

geschopt en/of meermalen, althans éénmaal, een afgebroken badkamerdeur tegen

een toegangsdeur heeft geslagen en/of gestoten.

3 Voorvragen

3.1

Standpunten

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is, omdat deze in persoon aan verdachte had moeten worden uitgereikt nu hij rechtens van zijn vrijheid is beroofd en verdachte niet op de hoogte is van de inhoud van de tenlastelegging.

Voorts heeft zij gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, omdat de zaak geseponeerd had moeten worden conform de Aanwijzing gebruik Sepotgronden.

Daarbij heeft zij betoogd dat de in het Pro Justitia rapport voorgestelde nadere diagnostiek, gezien de (geringe) ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte reeds is geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis, geen door het strafrecht beschermd belang dient.

Ten slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat artikel 16, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van toepassing is, zodat de vervolging moet worden geschorst.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte op de hoogte was van de zitting, nu de raadsvrouw voor zover mogelijk met verdachte heeft besproken dat de zitting zou plaatsvinden op 3 juli 2015. Het feit dat verdachte ontkende dat tegen hem een strafzaak aanhangig is, doet daar volgens de officier van justitie niet aan af, zodat de dagvaarding geldig is.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat de zaak had moeten worden geseponeerd, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de geestelijke gezondheidstoestand van verdachte niet dermate slecht was dat redelijkerwijs niet tot vervolging overgegaan had kunnen worden en dat er geen sprake is van onzorgvuldigheid bij de vervolgingsbeslissing. Van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is dan ook geen sprake.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat het in het belang van verdachte is dat de zaak zo snel mogelijk wordt behandeld en afgedaan.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ter terechtzitting overeenkomstig artikel 509a Sv bepaald dat zij vermoedt dat de geestvermogens van verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat verdachte niet is verschenen en dat artikel 459a Sv, dat van overeenkomstige toepassing is, in dat geval voorschrijft dat de medebrenging van verdachte wordt gelast, nu verdachte verplicht is te verschijnen. De rechtbank is echter, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de persoonlijke verschijning van verdachte noch noodzakelijk noch gewenst is, zodat de bepaling van artikel 495a, tweede lid, Sv, dat de medebrenging van verdachte wordt bevolen, op grond van artikel 509d, tweede lid, Sv, buiten toepassing wordt gelaten. De raadsvrouw van verdachte is als zodanig toegevoegd, treedt in de belangen van verdachte en kan zijn belangen behartigen. Voor zover er, gelet op de omstandigheid dat verdachte niet in voorlopige hechtenis is en de dagvaarding op het adres van Inforsa, waar verdachte verblijft, is betekend, een betekeningsprobleem was ten aanzien van de dagvaarding, is dit probleem verholpen nu de raadsvrouw kennis heeft genomen van de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De rechtbank is van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat lichtvaardig tot aangifte is overgegaan, noch dat een redelijk handelende medewerker van het Openbaar Ministerie niet tot vervolging kon overgaan. Uit het dossier blijkt immers dat de gedragingen van verdachte door de aangevers ernstig zijn opgevat en anders waren dan gewoonlijk, daar verdachte alleen als verbaal bedreigend bekend stond en niet (ook) fysiek. De vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie is niet onbegrijpelijk noch onzorgvuldig. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de situatie van artikel 16, eerste lid, Sv zich niet voordoet. Dit artikel ziet immers op de situatie dat een verdachte niet in staat is om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Naar het oordeel van de rechtbank is die situatie niet aan de orde, nu in de geestestoestand van verdachte niets is veranderd en hij wist dat tegen hem een vervolging wegens bedreiging was aangevangen. De omstandigheid dat hij, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, in de veronderstelling verkeert dat hij inmiddels, namelijk toen de voorlopige hechtenis werd opgeheven, is vrijgesproken, kan er niet aan af doen dat hij de strekking van de vervolging begrijpt. Derhalve hoeft geen schorsing van de vervolging te volgen. Er zijn ook overigens geen andere redenen voor schorsing van de vervolging. Gelet op de beslissing ex artikel 509a Sv is in de behartiging van zijn belangen ten aanzien van die vervolging voorzien.

Ten slotte is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunten

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat slechts een onderdeel van dit feit bewezen verklaard kan worden, te weten voor zover dit de vernieling van de kraan betreft.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op 28 maart 2015 te Amsterdam, [slachtoffer 1] , verpleegkundige bij Inforsa, en [slachtoffer 2] , verpleegkundige bij Inforsa, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes stekende bewegingen gemaakt naar voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en met dat mes met kracht stekende en slaande bewegingen gemaakt tegen een raam van een kantoor waar voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

zich in bevonden;

2.

in de periode van 25 maart 2014 tot en met 28 maart 2014 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een deur en toiletbril en toiletpapier armatuur en badkamerdeur en wasbak en toegangsdeur, toebehorende aan Inforsa/Stichting Arkin, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een toiletbril van een toiletpot gebroken en tegen een deur geschopt en met een kapotte wc-bril tegen een deur geslagen en een kraan van een wasbak geschopt en een afgebroken badkamerdeur tegen een toegangsdeur heeft geslagen.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Blijkens het Pro Justitia rapport van psychiater J.E. Schölvinck is er bij verdachte weliswaar sprake van een psychotische stoornis, maar de rechtbank ziet op grond van de beschikbare gegevens geen aanleiding te komen tot de conclusie dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft eveneens bepleit verdachte in geval van strafoplegging een straf gelijk aan zijn voorarrest op te leggen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee verpleegkundigen van GGZ Inforsa, de zorginstelling waar hij op dat moment verbleef. Zij zijn in hun werk gewend met patiënten om te gaan die kampen met uiteenlopende problematiek, maar zij zijn van dit incident, waarbij verdachte grensoverschrijdend heeft gehandeld, erg geschrokken, hebben zich onveilig en angstig gevoeld. Dit blijkt ook uit het feit dat de verpleegkundigen zich hebben opgesloten in het kantoor en van de dreigende situatie melding hebben gemaakt bij de politie via 112. [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte hierover ook nog verklaard dat zij ook ongerust was over de mede-cliënten in de ruimte en dat zij met name geschrokken is omdat ze niet wist hoe lang verdachte het mes in zijn zak had zitten. Ook heeft zij verklaard dat eerdere confrontaties met verdachte woordelijk waren en niet zo erg als dit incident. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de achterdocht van verdachte die in de veronderstelling verkeerde dat met hem werd gespot, rekent de rechtbank verdachte aan dat hij met zijn gedrag de verpleegkundigen, die hun werk doen en daarbij veel gewend zijn, zeer angstige momenten heeft bezorgd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 7 mei 2015 van psychiater J.E. Schölvinck, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Betrokkene weigert mee te werken aan het onderzoek. Dit komt vanuit psychotische overwegingen. Er is sprake van formele en inhoudelijke denkstoornissen met oordeels- en kritiekstoornissen, waarbij betrokkene niet in staat wordt geacht een weloverwogen beslissing te kunnen nemen en hij op dit moment niet verder onderzocht kan worden. Een psychotische stoornis NAO wordt thans gesteld. De informatie die in het huidige onderzoek beschikbaar is gekomen, is – gezien de weigering van betrokkene aan het onderzoek mee te werken – zeer beperkt gebleven. Aldus is het onderzoek ontoereikend gebleken om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.

Hoewel betrokkene al sinds zijn veertiende levensjaar bekend is in de psychiatrie en de diagnosen schizofrenie, antisociale persoonlijkheidsstoornis, verstandelijke beperking en affectieve verwaarlozing zijn gesteld, heeft onderzoeker dit niet op basis van eigen onderzoek kunnen nagaan en/of met betrokkene kunnen bespreken. Derhalve kan op dit moment niet tot een diagnose ten tijde van het ten laste gelegde gekomen worden en evenmin een uitspraak gedaan worden over een mogelijke doorwerking van een eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling in het ten laste gelegde.

Concluderend is bij betrokkene op dit moment sprake van een psychotisch beeld waardoor hij niet te onderzoeken is. Hierbij geeft hij geen toestemming om te overleggen met derden. Een langer durende observatie voor het onderzoek is wenselijk zodat nadere diagnostiek uitgevoerd kan worden, mede gezien enkele diagnostische vragen vanuit huidige behandelaren. Hierbij wordt ingeschat dat het enige tijd duurt voordat betrokkene mensen vertrouwt doch dat dit wel mogelijk is.

Hoewel betrokkene zeer angstig is om naar het Pieter Baan Centrum verwezen te worden, mede uit angst dat hij TBS zou kunnen krijgen, lijkt dit de meest geïndiceerde plek.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies t.b.v. rechtszitting van Reclassering Nederland d.d. 23 juni 2015, onder meer inhoudende, verkort en zakelijk weergegeven:

Betrokkene verblijft weer op de Langdurig Intensieve Zorg (LIZ) afdeling van Inforsa, met een Rechterlijke Machtiging. Hij krijgt er medicatie. Naar aanleiding van het ten laste gelegde verbleef hij gedurende enkele weken in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Amsterdam, waarna hij op grond van een IBS-beoordeling is teruggekeerd naar Inforsa.

Enerzijds heeft de rapporteur pro justitie beoordeeld dat de afdeling LIZ van Inforsa veilig genoeg is zodat betrokkene daar kan verblijven en geeft de behandelaar van Inforsa te kennen dat er voor betrokkene voldoende behandelmogelijkheden zijn, anderzijds adviseert de pro justitia rapporteur om betrokkene in het Pieter Baan Centrum ter observatie op te laten nemen omdat hij geen medewerking aan het pro justitia onderzoek heeft verleend. De reclassering onthoudt zich van een strafadvies. De kans op herhaling is aanwezig.

De rechtbank is alles afwegende en in overeenstemming met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest passend en geboden is.

9 Vordering voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 7 april 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 14/259391-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 22 augustus 2013 van de politierechter Alkmaar, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €1.000,-, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de proeftijd van die voorwaardelijke straf met één jaar te verlengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 (vierenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verlengt de proeftijd van de bij genoemd vonnis van 22 augustus 2013 opgelegde voorwaardelijke straf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en M.E.L. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2015.