Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5242

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing aanvraag/ onduidelijke financiele situatie en woon- en leefsituatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. R.A. van Heijningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Diederich).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft op 3 oktober 2014 bij verweerder een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wwb om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan als alleenstaande. Op het aanvraagformulier heeft eiser aangegeven woonachtig te zijn op het [adres] te Amsterdam (hierna: het uitkeringsadres). Deze aanvraag heeft verweerder bij het primaire besluit afgewezen omdat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd en overwogen dat eiser onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld, aldus verweerder.

2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

3.1

De rechtbank overweegt allereerst dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de door de rechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit bestrijkt, in dit geval 3 oktober 2014 tot en met 11 november 2014.

3.2

In deze zaak gaat het om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om een bijstandsuitkering. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken op grond waarvan die aanvraag zou moeten worden ingewilligd. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingenverplichting van hierboven genoemd artikel 17, eerste lid, van de WWB voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:89).

4.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven uitkeringsadres en voert daartoe het volgende aan. Eiser verblijft, gezien onder meer zijn ziekte (chronische hepatitis C), overdag vaak bij vrienden in [plaats 1] en in [plaats 2] , maar woont op zijn adres in Amsterdam. Hij heeft hiertoe in de bezwaarfase verschillende verklaringen van zijn buren overlegd waarin zij kenbaar maken dat zij eiser regelmatig zien. Dat de meeste pinbetalingen door eiser worden verricht in [plaats 2] en in [plaats 1] maakt dit niet anders, nu eiser op meerdere plaatsen heeft gepind.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1531), staat voorop dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, met name waar iemand werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Uit de door eiser overgelegde bankafschriften blijkt dat eiser praktisch nooit in Amsterdam pint, zijn pintransacties vinden voornamelijk plaats in [plaats 2] en [plaats 1] . Hierdoor heeft verweerder terecht kunnen twijfelen aan de feitelijke verblijfplaats van eiser. Eiser is er niet in geslaagd om met objectieve en verifieerbare stukken deze onduidelijkheid weg te nemen. De omstandigheid dat eiser sinds enige tijd een vriendin met haar zoontje, naar eigen zeggen, tijdelijk opvangt in zijn huis, maakt de woon- en leefsituatie van eiser niet inzichtelijker. De door eiser overgelegde summiere verklaringen van zijn buren leiden niet tot een ander oordeel, nu de omstandigheid dat zijn buren hem tegenkomen niet maakt dat eiser in de periode in geding ook daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Voorts voert eiser aan dat hij wel voldoende duidelijk heeft gemaakt waarvan hij in de periode voorafgaand aan en tijdens zijn aanvraag heeft geleefd, waardoor het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. Eiser werd de afgelopen periode financieel ondersteund door zijn familie en vriendin zowel in Georgië als in Nederland. Dat hierover achteraf schriftelijke verklaringen zijn opgesteld en overgelegd, kan eiser niet worden verweten, omdat hij zich pas na zijn bijstandsaanvraag heeft gerealiseerd dat hij schriftelijke verklaringen van mensen zou moeten overleggen die hem financieel hebben ondersteund.

5.2

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399, is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

5.3

Gelet op het bovenstaande en de onder 3.2 weergegeven bewijslastverdeling, dient eiser aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen op welke wijze hij in de maanden voorafgaand aan de aanvraag en in de periode van de aanvraag tot het besluit van 11 november 2014 in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.

5.4

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 december 2014 eiser in de gelegenheid heeft gesteld om verifieerbare gegevens over zijn financiële situatie te overleggen. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens te onderbouwen op welke wijze hij in de noodzakelijke kosten van bestaan heeft voorzien. Eiser heeft weliswaar achteraf opgestelde verklaringen van vrienden en familie overgelegd, maar deze verklaringen geven onvoldoende duidelijkheid omtrent de vraag waar eiser de afgelopen maanden van heeft geleefd. Verder is het opmerkelijk dat eiser zonder duidelijke bron van inkomsten in staat is geweest om ruim zes maanden in het buitenland te verblijven, terwijl zijn vaste lasten onverminderd in rekening werden gebracht en betaald door de stortingen op zijn bankrekening terwijl niet duidelijk is waar dat geld zijn oorsprong vindt. De beroepsgrond faalt.

6. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij, op grond van zijn woon- en leefsituatie en financiële situatie, recht op bijstand heeft. De aangedragen gronden leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. Voor vergoeding van het griffierecht of een vergoeding in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.