Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:524

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
13-698670-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verduistering, oplichting en valsheid in geschrift. Alternatief scenario verdachte niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/698670-13 en 15/202126-12 (TUL)

Datum uitspraak: 3 februari 2015 (Promis)

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.K. Mireku en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte mr. G. Steeghs naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) en/of een tablet (Samsung N8000 Galaxy Note) en/of één of meer tankpas(sen), in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf 1 B.V.] en/of [bedrijf 2 B.V.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking

als planner, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3 VOF] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [bedrijf 4 VOF] en/of [naam 13] en/of[naam 14] en/of [naam 15] en/of [naam 16] en/of [naam 17] en/of [naam 18] en/of [naam 19] en/of [bedrijf 1 B.V.] heeft/hebben doen bewegen en/of bewogen tot de afgifte van één of meer (contante) geldbedrag(en), in elk geval van enig geldbedrag,

en/of het teniet doen van een inschuld hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid prijsafspra(a)k(en) laten maken met voornoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven) en/of (vervolgens) overschrijvingsfomulieren (met zijn eigen bankrekening daarop vermeld) heeft doen overhandig(en) en/of een of meer perso(o)n(en) zich voor laten doen als en/of zichzelf voor heeft gedaan als bonafide koper/afnemer aan één of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven), waardoor voornoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven) (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte van enig geldbedrag.

Verbetering kennelijke misslag
De rechtbank leest het in de tenlastelegging vermelde “overschrijvingsformulier(en)” als “factu(u)r(en)”, omdat hier van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het/de bedrijf/bedrijven [bedrijf 2 B.V.]

en/of [bedrijf 5 B.V.] heeft/hebben doen bewegen en/of bewogen tot de afgifte van een tablet (Samsung N8000 Galaxy Note) en/of één of meer koerierdienst(en) hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voor gedaan als bonafide koper/afnemer aan één of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), waardoor voornoemde bedrij(f)(ven) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1 B.V.] heeft bewogen tot de afgifte van

één of meer geldbedrag(en) hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een of meer namaakfactu(u)r(en) en/of vervalste factu(u)r(en) (op naam van

[bedrijf 6 B.V.]) als werknemer ingeleverd bij (de administratie van) voornoemde [bedrijf 1 B.V.], waardoor [bedrijf 1 B.V.] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, één of meer overschijvingsformulier(en) en/of factu(u)r(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk zijn eigen bankrekeningnummer op voornoemde overschrijvingsformulier(en) vermeld en/of één of meer bedrag(en) op factu(u)r(en) gewijzigd en/of aangepast, zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Verbetering kennelijke misslag
De rechtbank leest het in de tenlastelegging vermelde “overschrijvingsformulier(en) en/of factu(u)r(en)” en “overschrijvingsformulier(en)” als “factu(u)r(en)”, omdat hier van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partieel nietig dient te worden verklaard voor wat betreft “één of meer geldbedragen”, omdat onvoldoende duidelijk is om welke geldbedragen en handelingen het gaat in de ten laste gelegde periode.

3.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt als volgt. Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet de tenlastelegging een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd alsmede de omstandigheden waaronder het is begaan, zodat duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. In het geval de tenlastelegging hieraan niet voldoet, kan deze niet als grondslag van de terechtzitting dienen met als gevolg dat de dagvaarding - al dan niet partieel - nietig moet worden verklaard. De begrijpelijkheid van een tenlastelegging moet echter mede worden bezien tegen de achtergrond van het dossier en in dat verband overweegt de rechtbank dat het voor de verdediging, gelet op de door verdachte afgelegde verklaring bij de politie op 8 april 2014, voldoende duidelijk moet zijn waartegen verdachte zich moet verdedigen.

De dagvaarding is dan ook geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, nu verdachte deze feiten grotendeels heeft bekend.

Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte de tablet (Samsung N8000 Galaxy Note, hierna: tablet) en één of meer tankpassen heeft verduisterd. Verdachte dient te worden vrijgesproken van “één of meer geldbedragen”, nu hij zich volgens de officier van justitie ten aanzien van deze geldbedragen heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde oplichting.

De (contante en girale) geldbedragen waren afkomstig van de in de tenlastelegging genoemde personen en bedrijven en bestemd voor [bedrijf 1 B.V.] (hierna [bedrijf 1 B.V.]). De chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.] hadden als taak er voor te voor zorgen dat geld door deze personen en bedrijven op een bankrekening werd overgemaakt dan wel dienden het contant ontvangen geld aan verdachte te overhandigen.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde oplichting van de tablet, nu hij deze heeft verduisterd. De oplichting van de door [bedrijf 5 B.V.] geleverde koeriersdienst(en) kan worden bewezen.

De onder 4 ten laste gelegde oplichting van [bedrijf 1 B.V.] kan eveneens worden bewezen. Verdachte heeft een of meer namaakfacturen en/of vervalste facturen op naam van [bedrijf 6 B.V.] als werknemer ingeleverd bij de administratie van [bedrijf 1 B.V.] en [bedrijf 1 B.V.] bewogen tot afgifte van een geldbedrag aan verdachte.

De officier van justitie heeft verder gesteld dat de onder 5 ten laste gelegde vervalste facturen zien op de facturen van de onder 2 ten laste gelegde oplichting. Dat betekent dat sprake is van meerdaadse samenloop en daarmee zal zij bij het bepalen van de eis rekening houden.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten niet kunnen worden bewezen en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt door verdachte betwist dat hij de tablet en één of meer tankpas(sen) heeft verduisterd. De aankoop van de tablet is besproken met zijn werkgever en was bedoeld voor zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1 B.V.]. Indien de rechtbank van oordeel is dat bij de aankoop sprake is van oplichting dan wel valsheid in geschrift, kan geen veroordeling voor verduistering volgen (HR 13 nov. 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4573).

Voor wat betreft de tankpas had verdachte toestemming van de eigenaar om één keer per week te tanken met de tankpas. Er is geen sprake van verduistering, omdat de tankpas telkens is teruggegeven.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde is volgens de verdediging geen sprake van oplichting van de boeren en [bedrijf 1 B.V.]. Verdachte heeft verklaard dat hij van de directeur van [bedrijf 1 B.V.], de heer [persoon 1], opdracht heeft gekregen om de banden zwart op te kopen bij de boeren en daarbij is afgesproken dat verdachte gebruik zou maken van zijn eigen bankrekeningnummer.

De chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.] hadden het directe contact met de boeren en verdachte heeft op zijn beurt als planner de opdrachten gegeven aan deze chauffeurs. Hij betwist niet dat hij de chauffeurs heeft opgewacht om het door hen contant ontvangen geld van de boeren in ontvangst te nemen. De boeren zijn echter niet opgelicht. Zij hebben de chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.] betaald, die in het kader van een LTO kortingsactie de banden kwamen ophalen. Dat verdachte volgens [bedrijf 1 B.V.] niet was gerechtigd om in strijd met de waarheid prijsafspraken te maken is een civiele kwestie van onbevoegde vertegenwoordiging. Er is een aannemelijk alternatief scenario waarin het zwart opkopen van de banden bij de boeren wel degelijk een bedrijfsactiviteit was, die was gesanctioneerd door [persoon 1] en waarbij wellicht ook mevrouw [persoon 2] en de twee chauffeurs waren betrokken.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde is geen sprake van oplichting. Verdachte heeft namens [bedrijf 1 B.V.] een tablet besteld en deze is betaald door [bedrijf 1 B.V.]. De enkele omstandigheid dat verdachte geen toestemming had om deze tablet te bestellen is onvoldoende om van oplichting te spreken. Ook dit is een civiele kwestie, want dit betreft onbevoegde vertegenwoordiging.

Voor wat betreft de onder 4 ten laste gelegde oplichting heeft verdachte bekend dat hij de factuur van de reparatie van de Citroën heeft vervalst. Hij moest dat doen in opdracht van directeur [persoon 1], omdat er een hotelrekening buiten de boeken om moest worden betaald. Onder deze omstandigheden kan niet gesproken worden van oplichting.

Het onder 5 ten laste gelegde vervalsen van de facturen heeft verdachte bekend. Hoewel hij dit heeft dit gedaan in opdracht van voornoemde [persoon 1], neemt dat het strafbare karakter van deze strafbare gedragingen niet weg.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit1.

Ten aanzien van het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde

Op 21 maart 2013 heeft aangeefster [persoon 2], werkzaam als afdelingshoofd bij [bedrijf 1 B.V.] ([bedrijf 1 B.V.]), gevestigd te Amsterdam, namens [bedrijf 1 B.V.] aangifte gedaan 2 .

Bij de heer [persoon 3] is op 28 februari 2013 per e-mail een orderbevestiging binnen gekomen van een bestelling van een Samsung N8000 Galaxi (lees: Galaxy) Note, ter waarde van € 682,95. Deze bestelling is gedaan door [verdachte] (lees: [verdachte]). Aan hem is uitgelegd dat de bestellingen via de leidinggevende gaan, waarop [verdachte] heeft gezegd dat het een kosteloze proeflevering betreft. Ik heb een gesprek met hem gehad, waarna hij heeft gezegd dat de bestelling is geannuleerd. Vervolgens blijkt dat er op 28 februari 2013 een factuur is gekomen voor eenzelfde Galaxy Note, van € 592,02 en op 1 maart 2013 een factuur voor speciale aflevering van € 234,68. Deze facturen zijn niet door het bedrijf voldaan. De Galaxy Note is in het bezit van [verdachte] en niet van het bedrijf. In de prullenbak naast het bureau van [verdachte] zijn twee facturen aangetroffen, betreffende de levering door het bedrijf [bedrijf 2 B.V.] van de Galaxy Note. [verdachte] heeft zich op 12 maart 2013 ziek gemeld.

[bedrijf 1 B.V.] verzamelt onder meer kuilbanden in bij boeren. Dit gebeurt met een vrachtwagen. De vrachtwagen weegt zelf zijn lading. Dit gebeurt volledig automatisch. Als de chauffeur terug is op het bedrijf levert hij zijn paperassen in bij de planning en via de administratie is er een automatische incasso bij de klant.

[verdachte] heeft afspraken gemaakt met de boeren over de betaling en is hierbij afgeweken van onze standaard werkwijze. [verdachte] heeft telefonisch contact gehad met de boeren en aan hen verteld dat indien zij contant betaalden of de overschrijving maakten, er een korting volgde. De overschrijving kunnen zij maken op Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 1]. Dit nummer is niet van [bedrijf 1 B.V.], maar van [verdachte].

De chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.] krijgen van [verdachte] een planning mee, waarop de te bezoeken adressen vermeld staan. Tevens zijn er begeleidingsbiljetten waarop de chauffeur de weging invult. Ook heeft de chauffeur een formulier automatische incasso bij zich. Als er vooraf gemaakte afspraken zijn over de betaling, dan belt de chauffeur het laadgewicht door aan [verdachte] en krijgt de chauffeur een bedrag te horen, dat vervolgens handmatig wordt ingevuld. De keuze voor de boer is dus of vooraf het valselijk opgemaakte factuurbedrag te voldoen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] of contante betaling, of een spoedoverschrijving na het moment van weging, dus voor de chauffeur weer vertrekt. Geen van beide wijzen zijn normaal bij [bedrijf 1 B.V.]. Normaal is dat de chauffeur de stukken inlevert en 5 dagen later volgt er een automatische incasso.

Door [verdachte] zijn dus formulieren valselijk opgemaakt. Hij heeft gebruik gemaakt van het logo en briefpapier van [bedrijf 1 B.V.] en hiervoor van niemand toestemming gekregen. Hij heeft dit gedaan om zichzelf financieel te bevoorrechten.

Chauffeurs hebben mij verteld dat zij van [verdachte] tevens hun bedrijfs-tankpas moesten afgeven. Ik vermoed dat hij onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de tankpassen.

Op 2 mei 2013 heeft aangeefster [persoon 2], een aanvullende aangifte namens [bedrijf 1 B.V.] gedaan 3 .

[verdachte] was bij ons aangenomen als planner. Zijn takenpakket bestond uit het inplannen van de vrachtwagens van de chauffeurs, een stukje onderhoud van alleen de vrachtwagens en het bijhouden van de urenregistratie van de chauffeurs. Hij verzorgde verder de administratie van de banden. Dit houdt in dat hij in het systeem verwerkte door welke boeren banden bij ons waren ingeleverd.

Ik heb afspraken omtrent de betalingen gemaakt met het bedrijf [bedrijf 2 B.V.] waar de tablet is besteld. Het bedrag van € 682,95 zal op korte termijn door [bedrijf 1 B.V.] worden voldaan. De tablet is op 28 februari 2013 bij ons aan het bedrijf geleverd.

Op 11 maart 2013 heeft een van onze chauffeurs zijn begeleidingsbrief en dagstaat bij ons ingeleverd. De volgende dag wilde de vervanger van [verdachte] de documenten invoeren en miste hij de automatische incassobrief. Ik heb met de betreffende chauffeur gesproken en hij zei tegen mij dat er contant betaald zou zijn en dat hij alleen iets af moest geven. Dit behoort tot het takenpakket van [verdachte], waarop ik vermoedde dat er gefraudeerd was. Ik heb contact gezocht met de boer waar de kuilbanden waren opgehaald. Deze boer stuurde mij een factuur van zijn contante betaling en ik zag dat hierop een verkeerd rekeningnummer stond, oftewel het privé bankrekeningnummer van [verdachte]. Wij werken nooit met contante betalingen. Alles gaat via het automatische betalingsverkeer via de bank.

Door dit voorval ben ik verder gaan zoeken in alle dagstaten van onze chauffeurs en erachter gekomen dat deze werkwijze meerdere malen is voorgekomen. Ik merkte dat bij bepaalde chauffeurs er wel inzamelingen op de dagstaat stonden, maar dat deze niet in het systeem waren verwerkt. Ik heb 59 situaties gezien waarin het niet klopt met ons systeem. Ik heb van een aantal de feitelijke bedragen kunnen achterhalen, maar van een aantal ook de geschatte bedragen. Het totale bedrag wat mogelijk door [verdachte] is gefraudeerd is € 44.514,91. Dit bedrag kan alleen maar hoger worden, omdat ik nog niet alles heb kunnen nakijken. Ik heb een aantal facturen van de boeren terug gehad, waarop ik zie dat er contant betaald is of via de bank naar het rekeningnummer van [verdachte].

Verder heeft [verdachte] vanuit ons bedrijf de opdracht gekregen om een bedrijfsauto te laten keuren. Dat ging om een Citroën met het kenteken [kenteken 1]. Na de keuring heeft [verdachte] met een nagemaakte factuurbon bij onze administratie contant geld opgehaald om zogenaamd de Citroën dealer te betalen. Het geld is dan ook uitgegeven door de administratie aan [verdachte]. Later ben ik echter gebeld door deze dealer dat er nog een openstaande rekening zou zijn voor de keuring van deze auto. Ik heb de garage uitgelegd dat een werknemer van ons met contant geld zou hebben betaald, maar dat is volgens de Citroën dealer niet gebeurd.

De verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie op 8 april 2014 4 .

Ik heb bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] bij de Rabobank. Ik heb 9 maanden bij het bedrijf [bedrijf 1 B.V.] gewerkt. Mijn functie was transportplanner en inkoop en onderhoud van de voertuigen. Mijn werkzaamheden waren onder meer het inplannen van transporten en inkopen van banden.

Tablet

De Samsung N8000 Galaxi (Galaxy) Note ter waarde van € 682,95, waarvan op 28 februari 2013 bij de heer [persoon 3] een bevestiging is binnen gekomen, heb ik besteld. Ik heb de tablet in ontvangst genomen en ben dus in het bezit geweest van deze tablet, maar ik heb deze later verkocht. Ik heb de tablet besteld bij het bedrijf [bedrijf 2 B.V.]. Ik heb veel internetverkeer met dit bedrijf gehad in verband met de juiste keuze van de tablet.

Tankpassen

Ik heb wel eens gebruik gemaakt van de tankpassen van het bedrijf [bedrijf 1 B.V.]. Ik beheerde de tankpassen niet. De vrachtwagens hadden een eigen tankpas, welke op kenteken van de vrachtwagen stond. Ik maakte privé wel eens gebruik van de tankpassen om te tanken als mijn tank leeg was. Het klopt dat de chauffeur van een vrachtwagen de tankpas aan mij moest afgeven.

Factuur Citroën dealer:

Ik heb een Citroën C5 met het kenteken [kenteken 1] in onderhoud gehad. Ik heb tweemaal met de auto gereden. Het klopt dat ik op 1 november 2013 een factuur van de Citroën dealer op naam van [bedrijf 1 B.V.] en [verdachte] heb ingeleverd bij [bedrijf 1 B.V.], omdat die factuur betaald moest worden in verband met onderhoud.

U vraagt mij waarom op de ingeleverde factuur een bedrag van € 821,06 staat en op de factuur van de Citroën dealer een bedrag van € 666,50. Ik heb die facturen vervalst.

Boeren:

Ik heb contact gehad met klanten van [bedrijf 1 B.V.] omtrent betalingen. Ik had contact met boeren welke rubberen banden kwijt wilden. Er werden daarvoor afspraken gemaakt.

Dat waren tariefmatige afspraken. Men betaalde via automatische incasso en boeren die dit anders wilden, die konden dit dan doen. De boeren waren verantwoordelijk voor het afvoeren van allerlei soorten rubber en transportbanden. [bedrijf 1 B.V.] haalde dat rubber op en de boer betaalde [bedrijf 1 B.V.] zeg maar € 1.500,00 voor dat ophalen en verwerken van dat rubber. Ik bood dan aan om het zwart op te laten halen, Ik liet dat dan doen voor zeg maar € 1.000,00. Ik bedoel dat deze bedragen in dit geval fictief zijn.

Ik maakte de facturen op van de boerenklanten van [bedrijf 1 B.V.]. Ik denk dat ik een stuk of twintig facturen heb opgemaakt. Het aantal weet ik niet meer. Ik heb gefraudeerd met de facturen door fictieve facturen op te maken en zo zijn er onverklaarbare bedragen op mijn rekeningoverzicht terecht gekomen. Ik haalde het geld aan het einde van de dag van mijn rekening. Ik denk dat ik in totaal € 40.000,00 euro van de klanten (boeren) van [bedrijf 1 B.V.] heb ontvangen, maar het zou ook meer kunnen zijn. Ik heb de facturen van de klanten van [bedrijf 1 B.V.] vervalst door middel van mijn eigen bankrekeningnummer op de factuur te noteren. De chauffeurs inden het contante geld en gaven het dan aan mij.

Nadere overweging
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het onder navolgende onder 5 bewezen verklaarde sprake is van een bekennende verdachte, als bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv.

De verklaring van getuige [persoon 1], zoals afgelegd op 25 april 2014 5 .

Ik ben directeur en eigenaar van [bedrijf 1 B.V.] en ik heb de heer [verdachte] ([verdachte]) geen toestemming gegeven om handelingen te doen, zoals vervalsen van facturen en bestellen van een tablet. Ik heb een persoonlijk gesprek gehad met [verdachte] en de heer [persoon 3]. In dit gesprek is afgesproken dat [verdachte] de order van de tablet zou annuleren.

De heer [verdachte] en ik hebben geen afspraken gemaakt over het gebruik van een tankpas van het bedrijf. Zijn laatste loon is niet uitbetaald. Er zijn geen afspraken gemaakt over verrekening van de kosten van de bestelde tablet.

[verdachte] heeft voor een periode van ongeveer 9 maanden bij [bedrijf 1 B.V.] gewerkt als transportplanner. Dit was van juli 2012 tot maart 2013. In maart 2013 is hij ontslagen.

[verdachte] had geen bevoegdheid om prijsafspraken te maken. Ook had hij geen bevoegdheid ten aanzien van de debiteuren en crediteurenadministratie. Ik heb van de heer [verdachte] geen betalingen ontvangen, cash of op mijn bank. De rekening van de Citroën garage is betaald door [bedrijf 1 B.V.]. De tablet is betaald door [bedrijf 1 B.V.], maar niet in ons bezit.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde

De verklaring van getuige [persoon 4], zoals afgelegd op 27 juni 2014 6 .

Ik ben ongeveer een jaar chauffeur op een vrachtwagen geweest bij de firma [bedrijf 1 B.V.]. Ik haalde banden op voor [bedrijf 1 B.V.]. Dit werd berekend per gewicht. Op de vrachtwagen zit een weeginstallatie.

Ik moest van [verdachte] contant geld ophalen bij de boeren. Ik kreeg van [verdachte] te horen dat de boeren korting kregen als zij contant afrekenden voor het ophalen van de banden. Aan het einde van de rit leverde ik het contante geld bij [verdachte] in. Hij vertelde mij dat hij het geld naar de bank zou brengen. In het begin was het tijdens een rit soms een combinatie van contante betalingen en betalingen op rekening. Later werden er steeds meer contante betalingen per rit. Het is ook gebeurd dat er direct per telebankieren het factuurbedrag werd betaald. Dan moest ik wachten op een belletje van [verdachte] dat de betaling was ontvangen. Daarna kon ik mijn rit vervolgen. Als ik later was, [verdachte] werkte tot 17:00 uur, dan kwam hij mij tegemoet rijden en nam het contante geld van mij over. Hij vertelde mij dan dat hij het af zou storten bij de nachtkluis.

De verklaring van getuige [persoon 5], zoals afgelegd op 6 augustus 2014 7 .

Ik ben ruim 4 jaar chauffeur op een vrachtwagencombinatie bij de firma [bedrijf 1 B.V.]. Ik ken de heer [verdachte] via het werk als planner bij de firma [bedrijf 1 B.V.]. Hij was mijn leidinggevende en gaf door naar welke klanten ik moest om banden op te halen.

Ik haalde de banden bij de boeren op. De prijs werd bepaald door middel van gewicht. Het bedrag werd dan door mij op een bankmachtiging ingevuld en dat werd dan automatisch afgeschreven. [verdachte] kwam op een gegeven moment met het verhaal dat vanuit de LTO ervaringen waren met boeren die niet of te laat betaalden. Daarom moest ik de boeren contant laten betalen of een directe overboeking laten doen. In het geval van een directe overboeking moest ik contact met hem opnemen om te controleren of het geld was gestort.

Het contante geld wat betaald werd door de boeren moest ik bij binnenkomst op het bedrijf direct afgeven aan [verdachte]. Ik kreeg geen bewijs dat ik het geld had afgegeven. Als ik op zaterdag reed of later binnen was, [verdachte] werkte tot 17:00 uur, dan moest ik telefonisch doorgeven hoe laat ik op de zaak zou zijn. Dan was [verdachte] op de aangegeven tijd bij de firma [bedrijf 1 B.V.]. Dit heeft volgens mij een half jaar, driekwart jaar geduurd.

Ik heb een keer problemen gehad met een boer na directe overboeking. Ik heb dit gemaild naar [persoon 2] en [verdachte]. Hierin heb ik ook gevraagd of het in het vervolg vooraf gemeld kan worden aan de boeren als zij contant of via directe overboeking moesten betalen. [verdachte] werd hierdoor boos op mij en zei dat ik dat beter direct aan hem had kunnen zeggen. Van [persoon 2] kreeg ik een e-mail terug waarin de werkwijze bevestigd werd.

Nadere bewijsoverweging

Over de e-mail van chauffeur [persoon 5] en de daarop volgende reactie van [persoon 2] heeft de raadsman naar voren gebracht dat het hem bevreemdt dat mevrouw [persoon 2] daaromtrent niet als getuige is gehoord en dat de verklaring van mevrouw [persoon 2], dat sprake was van een misverstand, niet overtuigt. De rechtbank passeert dit bewijsverweer van de raadsman en stelt vast dat de e-mails van chauffeur [persoon 5] en [persoon 2] aan het dossier zijn toegevoegd8 en dat mevrouw [persoon 2] in een daarop volgende e-mail van 28 augustus 2014 heeft uitgelegd dat zij de vraag van de chauffeur abusievelijk heeft geïnterpreteerd als een klacht over de automatische incasso.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De verklaring van [naam 19], zoals afgelegd op 5 september 2013 9 .

Begin januari 2013 zijn chauffeurs van het bedrijf [bedrijf 1 B.V.] bij ons boerenbedrijf te [plaats] langs gekomen. Nadat zij de banden hadden verzameld hebben wij contant € 921,25 betaald. Op de factuur is door de chauffeur geschreven: “Voldaan [persoon 4], als bewijs van ontvangst voor het geld.

De verklaring van getuige [naam 9], wonende te [plaats], zoals afgelegd op 20 november 2013 10 .

Ik heb tijdens een inleveractie autobanden afgegeven aan [bedrijf 1 B.V.]. Ik heb contant betaald aan de chauffeur voor het afvoeren van de banden. De chauffeur vertelde, na het laden van de autobanden, dat er contant betaald moest worden. Ik heb rond de € 2.000,00 betaald aan de chauffeur van [bedrijf 1 B.V.] en hiervan een ontvangstbevestiging11 ontvangen.

De verklaring van getuige [persoon 6], wonende te [plaats], zoals afgelegd op 1 november 2013 12 .

Ik heb kuilbanden afgestaan aan een chauffeur van [bedrijf 1 B.V.]. Ik heb hiervoor contant betaald, ongeveer € 1.000,00. Ik ben op een gegeven moment gebeld door een medewerker van [bedrijf 1 B.V.]. Hij vroeg aan mij of ze van de week langs konden komen om de kuilbanden op te halen. Hij vroeg mij hoe ik wilde betalen. Ik wilde via de bank een overschrijving maken. De medewerker van [bedrijf 1 B.V.] vertelde mij dat het beter was om contant te betalen, omdat ze zoveel problemen hadden met boeren en slecht betalen. Tevens vertelde hij mij dat als ik contant zou betalen ik € 150,00 korting zou krijgen. Ik heb hiervan een betalingsbewijs13 gehad.

Een proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2014, inhoudende een onderzoek naar aanleiding van de verkregen kopiefacturen van het bedrijf [bedrijf 1 B.V.] 14 .

  • -

    Een factuur van 1 oktober 2012, contant voldaan, ten name van de heer [naam 4] te [plaats], factuurbedrag € 936,76;

  • -

    Een factuur van 20 oktober 2012, contant voldaan, ten name van [naam 5] te [plaats], factuurbedrag € 212,34;

  • -

    Een factuur van 27 oktober 2012, contant voldaan, ten name van [naam 6] te [plaats], factuurbedrag € 834,64;

  • -

    Een factuur van 8 november 2012, contant afgerekend, ten name van [naam 7] te [plaats], factuurbedrag € 2.249,22;

  • -

    Een factuur van 15 november 2012, contante betaling, ten name van [naam 8] te [plaats], factuurbedrag 865,46;

  • -

    Een factuur van 3 januari 2013, contant voldaan, ten name van [naam 11] te [plaats], factuurbedrag € 280,89;

  • -

    Een factuur van 3 januari 2013, contant voldaan, ten name van [naam 12] te [plaats], factuurbedrag € 484,17;

  • -

    Een factuur van 3 januari 2013, contant voldaan, ten name van [bedrijf 4 VOF] te [plaats], factuurbedrag € 770,85

  • -

    Een factuur van 3 januari 2013, contant voldaan, ten name van [naam 13] te [plaats], factuurbedrag € 921,95;

  • -

    Een factuur van 14 januari 2013, contant betaald, ten name van[naam 14] te [plaats], factuurbedrag € 501,16;

  • -

    Een factuur van 14 januari 2013, contant voldaan, ten name van [naam 15] te [plaats], factuurbedrag € 675,72;

  • -

    Een factuur van 16 januari 2013, contant voldaan, ten name van [naam 17] te [plaats], factuurbedrag € 301,54;

  • -

    Een factuur van 15 februari 2013, contant voldaan, ten name van [naam 18] te [plaats], factuurbedrag € 255,42.

Ten aanzien van het onder 2 en 5 ten laste gelegde

De verklaring van getuige [naam 16], wonende te [plaats], zoals afgelegd op 31 oktober 2013 15 .

Ik heb destijds banden afgevoerd bij het bedrijf [bedrijf 1 B.V.]. Het gaat per gewicht. Ik schat zo ongeveer 1000 banden. Wij deden dit via [bedrijf 1 B.V.], omdat zij een LTO actie hadden. Er is meteen betaald aan [bedrijf 1 B.V.]. Ik moest gelijk geld overmaken naar het rekeningnummer [rekeningnummer 1]. De man van [bedrijf 1 B.V.] bleef bij mij wachten tot de transactie via de bank goed gegaan was. De medewerker kreeg op een gegeven moment een telefoontje. Ik denk dat hij akkoord kreeg voor de ontvangst van de betaling. Hij heeft toen een bon afgetekend en ik heb een ontvangstbevestiging gehad. Ik heb via de bank € 1.094,12 overgemaakt aan [bedrijf 1 B.V.].

Een proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2014, inhoudende een onderzoek naar aanleiding van de verkregen kopiefacturen van het bedrijf [bedrijf 1 B.V.] 16 .

  • -

    Een factuur van 13 november 2012, bijgeschreven op Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 1], ten name van [bedrijf 3 VOF] te [plaats], factuurbedrag € 1.548,80;

  • -

    Een factuur van 17 november 2012, bijgeschreven op Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 1], ten name van [naam 1] te [plaats], factuurbedrag € 2.057,00;

  • -

    Een factuur van 31 januari 2013, telebankieren naar Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 1], ten name van [naam 2] te [plaats], factuurbedrag € 471,43;

  • -

    Een factuur van 11 maart 2013, telebankieren naar Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 1], ten name van [naam 3] te [plaats], factuurbedrag

€ 874,83.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde


Een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2013, inhoudende de verklaring van de verbalisant 17 .

Ik heb telefonisch contact gehad met een medewerker van [bedrijf 6 B.V.] te [plaats], genaamd [persoon 7]. Hij verklaarde mij dat er een factuur in de administratie zat voor de firma [bedrijf 1 B.V.], met nummer 1320156, factuurbedrag € 666,50. Hij verklaarde dat het niet mogelijk is dat er twee facturen onder hetzelfde factuurnummer zijn opgemaakt.

Een factuur van [bedrijf 6 B.V.] te [plaats], van 1 november 2013, met inkoopordernr. 1320156/74329, kenteken [kenteken 1], ten name van [bedrijf 1 B.V.] [verdachte], factuurbedrag € 821,06 18 .

De verklaring van getuige [persoon 8], zoals afgelegd op 3 juli 2014 19 .

Ik ben administrateur bij de firma [bedrijf 1 B.V.] en beheer tevens de kas. Ik ken de heer [verdachte] als planner van de firma [bedrijf 1 B.V.]. Hij kwam op enig moment naar mij toe met een verhaal over de reparatie van een van onze bedrijfsauto’s. [verdachte] vroeg mij of ik hem cash geld kon geven, zodat hij de Citroën dealer kon betalen. Ik zou dan de factuur krijgen om het verschil in de kas te kunnen verklaren.

In eerste instantie zou het gaan om een bedrag van € 800,00. Ik heb hem dat contant gegeven om de Citroën dealer mee te betalen. Hij heeft voor de ontvangst van dit bedrag getekend. Ik heb de heer [verdachte] diverse malen gevraagd om de factuur.

Na enige tijd kwam de heer [verdachte] met een factuur waarop een factuurbedrag van ruim 900 euro. Hij zei mij dat ik dan nog wel het verschil uit de kas aan hem moest geven, omdat hij het verschil zelf had betaald.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde

Het alternatieve scenario van verdachte

Ten aanzien van het door de verdediging voorgestelde alternatieve scenario dat verdachte - kort gezegd - van de directeur en/of andere medewerkers van [bedrijf 1 B.V.] de opdracht heeft gekregen om facturen te vervalsen en banden zwart op te kopen bij de boeren en de opbrengst hiervan af te staan aan de directeur, overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft bij de politie op 8 april 2014 en bij de rechter-commissaris op 10 april 2014 verklaard dat de ten laste gelegde feiten waarvan hij wordt beschuldigd op zich kloppen, maar dat hij in opdracht handelde van de directeur van [bedrijf 1 B.V.]. Hij gaf de contante geldbedragen – deels - aan de directeur. De op zijn rekening overgeschreven geldbedragen nam hij direct na overschrijving contant op om deze vervolgens – deels - aan de directeur te geven.

In reactie hierop heeft het Openbaar Ministerie de directeur, medewerkers en chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.] als getuige gehoord.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. De verklaring van verdachte dat hij in opdracht van het bedrijf [bedrijf 1 B.V.] handelde acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede nu dit alternatieve scenario op geen enkel punt nader is onderbouwd en niet wordt ondersteund door enige verklaring of ander bewijsmiddel uit het dossier. De rechtbank vindt ook geen steun voor dit gestelde alternatieve scenario in de omstandigheid dat verdachte, direct nadat de betalingen op zijn rekening werden bijgeschreven, deze bedragen contant opnam om, naar zijn zeggen, die dan aan de directeur te geven. Uit de rekeningoverzichten van verdachte in het dossier20 blijkt immers dat verdachte ook andere bedragen van enige omvang die op zijn rekening werden bijgeschreven, zoals zijn salaris, vrijwel direct daarna contant opnam. Kennelijk wenste verdachte om hem moverende redenen geen saldo van enige serieuze omvang op zijn bankrekening te hebben.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De tablet en de tankpas(sen)

Door de verdediging is naar voren gebracht dat geen sprake is van verduistering.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte meer dan zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft overschreden. Verdachte heeft zonder toestemming van zijn werkgever een tablet besteld, in ontvangst genomen, de beschikking over deze tablet gehad en deze tablet verkocht, alsmede zonder toestemming van zijn werkgever één of meer tankpassen gebruikt, welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft gehad. Hiermee is voldaan aan alle bestanddelen van een gekwalificeerde verduistering.

Voor zover zou moeten worden uitgegaan van de stelling van de verdediging dat verdachte de aankoop van de tablet heeft besproken met zijn werkgever en dat deze was bedoeld voor zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1 B.V.], is door zowel het afdelingshoofd van het bedrijf als de directeur verklaard dat verdachte de bestelling van de tablet moest annuleren. Ook de verklaring van verdachte bij de politie dat hij tijdens zijn ontslag uitgebreid over deze bestelling heeft gesproken met de directeur en dat de onkosten van deze tablet zijn ingehouden op zijn salaris, is gemotiveerd weersproken door de directeur en het afdelingshoofd. Beiden hebben verklaard dat er verschillende brieven zijn gestuurd naar verdachte om afspraken te maken, maar dat verdachte nooit op een afspraak is verschenen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De (contante) geldbedragen

Door de officier van justitie en de raadsman is aangevoerd dat verdachte het geld van de boeren door eigen misdrijf (oplichting dan wel valsheid in geschrift) heeft verkregen en dat om die reden geen veroordeling voor verduistering kan volgen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte als transportplanner bij [bedrijf 1 B.V.] verantwoordelijk was voor het afvoeren van de banden van de boeren door vrachtwagenchauffeurs van [bedrijf 1 B.V.]. Verdachte heeft met de boeren afspraken gemaakt over de wijze van betaling en is daarbij afgeweken van de standaard werkwijze van [bedrijf 1 B.V.]. Verdachte heeft telefonisch contact opgenomen met de boeren en verteld dat, indien zij contant of direct via de bank betaalden, er een korting volgde. De girale betalingen konden de boeren maken op de bankrekening van verdachte en de contante betalingen geschiedden aan de chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.]. De boeren kregen zoals gebruikelijk een factuur cq. betalingsbewijs van de chauffeurs en daar was door verdachte op vermeld of het bedrag contant of via telebankieren moest worden voldaan. Deze facturen heeft verdachte vervalst. In het geval de boeren contant betaalden ontvingen zij een factuur waaruit bleek dat zij hadden gekozen voor een contante betaling van de chauffeur en in het geval de boeren via telebankieren wilden betalen ontvingen zij een factuur met daarop de bankrekening van verdachte.

Voor wat betreft de contante geldbedragen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich deze uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als planner heeft toegeëigend. Op het moment immers dat de boeren contant afrekenden met de chauffeurs van [bedrijf 1 B.V.], behoorde dat geld toe aan het bedrijf [bedrijf 1 B.V.]. Verdachte heeft vervolgens deze contante geldbedragen van de chauffeurs ontvangen en de feitelijke wegneemhandeling vond plaats op het moment dat verdachte deze geldbedragen niet heeft afgedragen aan het bedrijf [bedrijf 1 B.V.]. Op dat moment is verdachte als heer en meester over deze geldbedragen gaan beschikken en heeft hij zich deze geldbedragen zonder toestemming van [bedrijf 1 B.V.] toegeëigend. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking.

De (girale) geldbedragen

De rechtbank is ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde oplichting van oordeel dat verdachte door het aanwenden van een oplichtingsmiddel, te weten een listige kunstgreep, de in de bewijsmiddelen genoemde boeren heeft bewogen tot een gedraging, te weten het afgeven van een geldbedrag. In het geval dat deze personen en bedrijven hadden geweten dat het op de vervalste facturen vermelde bankrekening niet toebehoorde aan [bedrijf 1 B.V.], maar aan verdachte, dan ligt het in de rede dat de boeren deze geldbedragen niet hadden overgemaakt op de bankrekening van verdachte.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 3 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde

Voor zover de officier van justitie en de raadsman andere standpunten hebben aangevoerd, hoeven deze - gelet op het vorenstaande - niet verder te worden besproken of worden ze door de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, weerlegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

hij in de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 in Nederland telkens opzettelijk geldbedragen, een tablet, Samsung N8000 Galaxy Note en één of meer tankpassen, die toebehoorden aan [bedrijf 1 B.V.] en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als planner onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

hij in de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 in Nederland telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep, [bedrijf 3 VOF] en [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 16] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk facturen met zijn eigen bankrekening daarop vermeld doen overhandigen aan bovengenoemde personen en bedrijven, waardoor voornoemde personen en bedrijven telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte van enig geldbedrag.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

hij in de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep [bedrijf 1 B.V.] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk een vervalste factuur op naam van [bedrijf 6 B.V.] als werknemer ingeleverd bij de administratie van voornoemde [bedrijf 1 B.V.], waardoor [bedrijf 1 B.V.] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

hij in de periode van 18 september 2012 tot en met 11 maart 2013 in Nederland, facturen, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - heeft vervalst, immers heeft verdachte valselijk zijn eigen bankrekeningnummer op voornoemde facturen vermeld, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

Verder heeft de officier van justitie de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis gevorderd, nu verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden. Verdachte is niet ter zitting verschenen en heeft zich niet meer bij de reclassering gemeld.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling kan worden afgewezen, nu, naar de rechtbank begrijpt, de proeftijd in die zaak 4 april 2013 is aangevangen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1 B.V.] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 46.264,99 en dat betreft de onder 2, 4 (tot een bedrag van € 850,75) en 7 genoemde posten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. Voor de onder 1, 3, 5, 6, 8 en 9 opgesomde schadeposten dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, nu er gelet op het ten laste gelegde geen sprake is van een rechtstreeks verband.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft als strafmaatverweer naar voren gebracht dat verdachte hulp heeft gezocht bij een psycholoog. Het gezin van verdachte is afhankelijk van zijn inkomen. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor deze relatief oude feiten is niet op zijn plaats. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met eventueel een werkstraf is een meer passende straf voor verdachte.

De officier van justitie heeft, gelet op de berichten van de reclassering, veel te lang gewacht met de vordering tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Verdachte had echter wel, gelet op de gestelde voorwaarden, ter zitting moeten verschijnen.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling moet worden afgewezen, nu de feiten zijn gepleegd voor het ingaan van de proeftijd.

De vordering van de benadeelde partij dient voor wat betreft de onder 1, 2, 3, 5, 6, 8 en 9 genoemde schadeposten te worden afgewezen. Ten aanzien van de onder 4 en 7 genoemde schadeposten dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering te worden verklaard. De onder 4 genoemde kosten zijn niet voldoende duidelijk en de berekening van de onder 7 genoemde schadepost is volkomen onduidelijk en levert zonder meer een onevenredige belasting van het strafgeding op.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, oplichting en valsheid in geschrift door te handelen als hiervoor bewezen is verklaard. Verdachte heeft bij het plegen van deze vermogensdelicten enkel zijn eigen belang, te weten financieel gewin, vooropgesteld. Hij heeft niet stilgestaan bij de gevolgen daarvan voor het bedrijf en de collega’s waarmee hij werkte en daar komt bij dat verdachte pas met zijn gedragingen is gestopt, nadat zijn bedrog werd ontdekt, hij ermee werd geconfronteerd en vervolgens (nadien) werd ontslagen.

Dit zijn ergerlijke feiten waarbij niet alleen aan personen en bedrijven financiële schade is toegebracht, maar waarbij ook de reputatie en eerbaarheid van anderen is geschonden. De rechtbank heeft verder bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde delicten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals weergegeven in het dossier en ter zitting naar voren gebracht door de gemachtigde raadsman, alsmede met de omstandigheid dat verdachte niet heeft gereageerd op uitnodigingen van de reclassering. Daarnaast heeft de rechtbank ten nadele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 31 december 2014 geen onbekende van justitie is. Hij is eerder voor soortgelijke vermogensdelicten tot onder meer een langdurige gevangenisstraf veroordeeld en deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke vermogensdelicten te plegen. Verdachte heeft er tot slot voor gekozen niet ter zitting te verschijnen en zo niet alleen laten zien zich niets gelegen te laten liggen aan de hierop ziende aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarde, maar ook geen enkele verantwoordelijkheid te willen nemen voor zijn handelen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [bedrijf 1 B.V.] heeft zich als gevolg van de onder 1, 2 en 4 bewezen geachte in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, te weten:

1. Op rekening laten repareren van een auto € 1.258,15

2. Samsung tablet gekocht op rekening € 682,95

3. Aanschaf winterbanden privé auto € 627,12

4. Contanten reparatie bedrijfsauto € 1.253,76

5. Overtredingen € 499,50

6. Aankoopbonnen met velg € 1.020,00

7. Betalingen boeren € 44.731,29

8. Iphone 2 x € 750,00

9. Advocaat kosten € 2.246,25

Totaal € 53.079,02.

Namens de benadeelde partij [bedrijf 1 B.V.] zijn ter terechtzitting directeur van [bedrijf 1 B.V.], [persoon 1], en mevrouw [persoon 2], gemachtigde van de benadeelde verschenen. Zij hebben de schade mondeling toegelicht.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1 B.V.], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten rechtstreeks heeft geleden tot een bedrag van € 682,95 (schadepost 2) en € 19.476,35 (schadepost 7), en voor het onder 4 bewezen geachte feit tot een bedrag van € 821,06 (schadepost 4). De vordering kan dat ook tot het bedrag van € 20.980,36 worden toegewezen.

Voor wat betreft schadepost 7, de betalingen aan de boeren, heeft de rechtbank deze schade toegewezen voor zover het de contante en girale betalingen aan verdachte betreft. In de bewezen geachte periode heeft verdachte de volgende bedragen van de personen en bedrijven ontvangen:

  • -

    [bedrijf 3 VOF] € 1.548,80

  • -

    [naam 1] € 2.057,00

  • -

    [naam 2] € 471,43

  • -

    [naam 3] € 874,83

  • -

    [naam 4] € 936,76

  • -

    [naam 5] € 212,34

  • -

    [naam 6] € 834,64

  • -

    [naam 7] € 2.249,22

  • -

    [naam 8] € 865,46

  • -

    [naam 9] € 2.137,34

  • -

    [naam 10] € 1.080,76

  • -

    [naam 11] € 280,89

  • -

    [naam 12] € 484,17

  • -

    [bedrijf 4 VOF] € 770,85

  • -

    [naam 13] € 921,95

  • -

    [naam 14] € 501,16

  • -

    [naam 15] € 675,72

  • -

    [naam 16] € 1.094,12

  • -

    [naam 17] € 301,54

  • -

    [naam 18] € 255,42

  • -

    [naam 19] € 921,95

Totaal € 19.476,35

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


Hoewel de officier van justitie de toewijzing van de wettelijke rente heeft gevorderd, kan de rechtbank dat niet toewijzen nu de benadeelde partij daar niet om heeft gevraagd.

Nu ten aanzien van de onder 1, 3, 5, 6 en 8 genoemde schadeposten niet is gebleken dat de schade rechtstreeks door de bewezen geachte feiten is toegebracht, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij voor deze schadeposten niet-ontvankelijk in de vordering is.

De vordering is voor het overige onvoldoende onderbouwd en levert om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [bedrijf 1 B.V.] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de vordering TUL

Bij de stukken bevindt zich de op 23 april 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in de rechtbank Amsterdam, in de zaak met parketnummer 15/202126-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 januari 2013 van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de kennisgeving als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde is betekend.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Dat deze proeftijd eerst is ingegaan na de in dit vonnis bewezen verklaarde periode doet volgens vaste rechtspraak niet af aan de mogelijkheid tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.


Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 10 april 2014 geschorst onder – onder meer – de voorwaarde dat hij gevolg zou gegeven aan iedere oproeping van justitie in deze zaak. Nu verdachte niet bij de behandeling ter terechtzitting is verschenen, heeft hij deze voorwaarde niet nageleefd. De rechtbank zal daarom de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 225, 322 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.


Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 en 4 bewezen verklaarde:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst de vordering van [bedrijf 1 B.V.], gevestigd op het adres [adres, te plaats], toe tot een bedrag van € 20.980,36, bestaande uit:

2. Samsung tablet gekocht op rekening € 682,95

4. Contanten reparatie bedrijfsauto € 821,06

7. Betalingen boeren € 19.476,35

Totaal € 20.980,36

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 1 B.V.] voornoemd.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 1 B.V.], aan de Staat € 20.980,36 te betalen.


Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van

139 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de vordering TUL

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 januari 2013 in zaak met parketnummer 15/202126-12 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 1 maand gevangenisstraf.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2015.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 P. 01-03 Proces-verbaal van aangifte [persoon 2], namens [bedrijf 1 B.V.].

3 P. 09-12 Proces-verbaal van aanvullende aangifte [persoon 2], namens [bedrijf 1 B.V.].

4 P. 136-145 Proces-verbaal verhoor verdachte.

5 P. 165-166 Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 1].

6 P. 167-168 Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 4].

7 P. 172-173 Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 5].

8 P. 205-207 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2014.

9 P. 104 Proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2013.

10 P. 115-116 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 9].

11 P. 117 Een geschrift, te weten een contant factuur van [bedrijf 1 B.V.] tnv [naam 9] van 22 november 2012, totaal factuurbedrag € 2.137,34.

12 P. 120-121 Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 6].

13 P. 125 Een geschrift, te weten een contant factuur van [bedrijf 1 B.V.] tnv [naam 10] van 3 december 2012, totaal factuurbedrag € 1.080,76.

14 P. 66-103 Proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2014, met bijlagen.

15 P. 126-127 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 16].

16 P. 54-65 Proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2014, met bijlagen.

17 P. 108-114 Proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2013, met bijlagen.

18 P. 113 Een geschrift, te weten factuur van [bedrijf 6 B.V.] te [plaats].

19 P. 170 Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 8]

20 P. 30-53 Proces-verbaal van bevindingen van 10 september 2013, met als bijlagen de Rabobank rekeningafschriften van verdachte.