Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5210

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
13/679019-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak bestuurder vuilniswagen van dood door schuld (artikel 6 WVW) en gevaar zettend gedrag op de weg (artikel 5 WVW). Niet kan worden bewezen dat hij het 7-jarige slachtoffer heeft kunnen zien en/of dat hij een spiegel verkeerd had afgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/679019-14 (Promis)

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]
[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. I. Appel naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 december 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtauto - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Ferdinand Bolstraat, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Ferdinand Bolstraat, komende uit de richting van de Rustenburgerstraat en gaande in de richting van het Cornelis Troostplein,

-terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of

-terwijl de breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vrachtauto niet conform de wettelijke vereisten was afgesteld,

verdachte is, gekomen (ongeveer) ter hoogte van perceel 186 stil gaan staan - deels op de fietsstrook - zodat zijn collega één of meerdere vuilcontainer(s) kon legen en is, nadat hij een sein van deze collega had gekregen dat deze klaar was met zijn werkzaamheden, vooruit gaan rijden in de richting van het Cornelis Troostplein,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist en/of is zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven vergewissen dat de rijbaan (direct) naast en/of (direct) voor de door hem bestuurde vrachtauto vrij was van (enig) verkeer,

verdachte heeft vervolgens een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die eveneens de Ferdinand Bolstraat bereed, komende uit de richting van de Rustenburgerstraat en gaande in de richting van het Cornelis Troostplein en die (direct) (links) naast en/of (vervolgens) (direct) voor de door verdachte bestuurde vrachtwagen reed, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor voornoemde fietser,

verdachte is vervolgens over voornoemde [slachtoffer] gereden waardoor die [slachtoffer] werd gedood;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 6 december 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtauto - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Ferdinand Bolstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Ferdinand Bolstraat, komende uit de richting van de Rustenburgerstraat en gaande in de richting van het Cornelis Troostplein,

-terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of

-terwijl de breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vrachtauto niet conform de wettelijke vereisten was afgesteld,

verdachte is, gekomen (ongeveer) ter hoogte van perceel 186 stil gaan staan - deels op de fietsstrook - zodat zijn collega één of meerdere vuilcontainer(s) kon legen en is, nadat hij een sein van deze collega had gekregen dat deze klaar was met zijn werkzaamheden, vooruit gaan rijden in de richting van het Cornelis Troostplein,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist en/of is zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven vergewissen dat de rijbaan (direct) naast en/of (direct) voor de door hem bestuurde vrachtauto vrij was van (enig) verkeer,

verdachte heeft vervolgens een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die eveneens de Ferdinand Bolstraat bereed, komende uit de richting van de Rustenburgerstraat en gaande in de richting van het Cornelis Troostplein en die (direct) (links) naast en/of (vervolgens) (direct) voor de door verdachte bestuurde vrachtwagen reed, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor voornoemde fietser, verdachte is vervolgens over voornoemde [slachtoffer] gereden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde op basis van het proces-verbaal Verkeers Ongevals Analyse (hierna: VOA) van
17 maart 2014, het aanvullende onderzoek en de door verdachte afgelegde verklaring bij de politie. De officier van justitie neemt de conclusie over van de politie, inhoudende dat de spiegels niet conform de wettelijke vereisten waren afgesteld en gaat daarbij uit van ongewijzigde spiegelstanden. Voorts acht de officier van justitie de manier waarop de oogpunten zijn gemeten voldoende betrouwbaar op basis van de door de politie gegeven toelichting.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte pas in zijn spiegels is gaan kijken op het moment dat hij besloot om te gaan rijden. Voorts betoogt de officier van justitie dat verdachte er als beroepschauffeur voor heeft gekozen om zijn vuilniswagen zodanig te positioneren dat fietsers gedwongen werden om zijn wagen links in te halen. Deze handelwijze brengt voor verdachte de plicht mee zich er tijdig van te vergewissen of er zich fietsers bevinden aan de linkerzijde van de vuilniswagen, onder meer door gebruik te maken van de op de vuilniswagen geplaatste zijcamera. Dit geheel van gedragingen kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de uitgangspunten en methode van berekenen zoals opgenomen in de VOA niet kunnen kloppen, dan wel niet geheel in lijn zijn met de feitelijke situatie destijds ter plaatse, waardoor de resultaten onvoldoende betrouwbaar zijn.

Ten eerste kan niet worden uitgesloten dat de spiegelstanden tijdens het vervoer van de plaats delict naar het politiebureau zijn gewijzigd. Het feit dat verbalisant [verbalisant 5] na het uitvoeren van het onderzoek heeft verklaard dat hij de spiegelstanden niet heeft gewijzigd, betekent niet dat kan worden uitgesloten dat zij ook daadwerkelijk niet zijn gewijzigd. Daar komt bij dat verdachte, in tegenstelling tot wat de politie in de VOA concludeert, stellig en consequent heeft verklaard dat hij de spiegels van de vuilniswagen correct had afgesteld.

Ten tweede zijn de oogpunten van verdachte door verbalisanten vastgelegd door middel van een schatting met het blote oog. Het schatten van de oogpunten kan tot gevolg hebben dat de daadwerkelijke oogpunten afwijken. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] plaatsgenomen op de bestuurdersstoel en is er wederom met het blote oog ingeschat dat verbalisant [verbalisant 1] op dezelfde ooghoogte zat als verdachte. Om deze redenen kan er niet worden vastgesteld of het gezichtsveld van verbalisant [verbalisant 1] gelijk is geweest aan dat van verdachte.

Tot slot lijkt de reconstructie niet overeenkomstig de feitelijke stand van de vuilniswagen te zijn geweest, aangezien de beelden laten zien dat de vuilniswagen ongeveer 0,5 meter naar achteren stond in vergelijking met het door verbalisanten uitgevoerde onderzoek.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat er, voor de feitelijke waardering van het ten laste gelegde, met name twee vragen dienen te worden beantwoord:

1. Stond de breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vuilniswagen conform de wettelijke vereisten afgesteld?

2. Heeft verdachte zich er tijdig en voldoende van vergewist dat de rijbaan naast en/of voor hem vrij was van enig verkeer?

4.3.1

Het onderzoek

Uit de VOA van 17 maart 2014 blijkt dat er door de politie onderzoek is gedaan naar de stand van de breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vuilniswagen. In de VOA is daarover op pagina 14 het volgende opgenomen:


Door ons, verbalisant [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , werd de waarneembaarheid en het uitzicht dat de bestuurder had door de voor- en zijruit en in de spiegels vastgelegd middels fotogrammetrie. Daartoe werd het voertuig overgebracht naar ons bureau aan de James Wattstraat 84 te Amsterdam. Tijdens het onderzoek en het vervoer naar het bureau werd er voor gezorgd dat de spiegels niet werden verzet of de stand daarvan niet werden veranderd. Door mij, verbalisant [verbalisant 3] , werd de hoogte van de ogen van de betrokken bestuurder op de voor- en zijruit van de vuilniswagen afgetekend, middels maatstickers. Daar tijdens het ongeval de confrontatie had plaats gevonden met de linkervoor- en zijkant van de vuilniswagen werd door ons het uitzicht vanuit de bestuurdersstoel bepaald, via de linkerzijruit en de voorruit en het zicht door de linkerspiegels. Wij verzocht een collega, genaamd [verbalisant 1] , achter het stuur van de vuilniswagen plaats te nemen. Wij zagen, dat de hoogte van de ogen van [verbalisant 1] op gelijke hoogte was als de op het voertuig aanwezige maatstickers. Door [verbalisant 1] werd aangegeven wat de grens was wanneer hij een deel van mij, verbalisant [verbalisant 2] , kan waarnemen door de ruiten. De plaats waar mijn voeten stonden werd gemarkeerd op het wegdek. Verder werd door ons het zicht dat [verbalisant 1] , had in de linkerspiegels vastgelegd. Bij het vastleggen van het zicht in de spiegels zijn wij uitgegaan van het zicht op het wegdekniveau. Met andere woorden, indien door de spiegel de voeten van mij, verbalisant [verbalisant 2] , gezien werden door [verbalisant 1] , dan werd die plek op het wegdek afgetekend. Bij de vaststelling van de zichtvelden is door ons uitgegaan van een rechtop zittende situatie. (…) De relatieve positie van deze vlakken ten opzichte van de bedrijfsauto is onafhankelijk van de feitelijke positie van de vrachtwagen. Het is daarom geen probleem dat de bepaling niet op de plaats van ongeval is gebeurd.

Op pagina 16 van de VOA zijn voorts de voor de breedtespiegel geldende voorschriften en regels opgenomen. De door verbalisant [verbalisant 1] aangegeven gezichtsvelden zijn vervolgens vergeleken met de wettelijke vereisten ten aanzien van het correct afstellen van de breedtespiegel. Op basis van deze vergelijking hebben de verbalisanten geconstateerd dat het door verbalisant [verbalisant 1] aangegeven gezichtsveld van breedtespiegel, niet overeenkwam met de wettelijke vereisten. De verbalisanten komen dan ook tot de conclusie dat de breedtespiegel niet goed was afgesteld.

Op 2 februari 2014 hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] een reconstructie uitgevoerd op de plaats delict, waarbij gebruik is gemaakt van de eerder afgeplakte oogpunten en de hiervoor beschreven vastgelegde gezichtsvelden. Het voertuig werd daarbij op de dezelfde plaats neergezet als bij de vastlegging. Verbalisanten hebben over het vervolg, op pagina 17 van de VOA, het volgende opgenomen:


Wij verzochten dezelfde collega als toen, [verbalisant 1] , achter het stuur van de vuilniswagen plaats te nemen. Wij zagen, dat de breedtespiegel in stand was veranderd. Het op het wegdek afgetekende gezichtsveld paste niet in deze spiegel. Wij hebben toen deze spiegel in de stand afgesteld zoals deze stond bij de eerdere vastlegging.

Om de zichtbaarheid van het slachtoffer te reconstrueren zijn de verbalisanten voorts met een voorwerp ter hoogte van 1,20 meter en met een voorwerp ter hoogte van 1,30 meter langs de linkerzijde van de vuilniswagen gegaan, waarbij is gezocht naar de grens van waarneembaarheid in de spiegels. Vervolgens hebben de verbalisanten aan de hand van de camerabeelden de vuilniswagen dusdanig gepositioneerd zodat deze positie overeenkwam met de positie ten tijde van het delict op het tijdstip 09:34:34. Op de plek waar de fietser op dat precieze tijdstip reed, is een oranje pylon geplaatst. Wederom zijn vanuit de bestuurdersplaats de zichtvelden in de spiegels vastgelegd.

Verbalisanten zijn tot de conclusie gekomen dat de bestuurder van de vuilniswagen het fietsertje had kunnen waarnemen op het moment dat het zich bevond in de positie zoals zichtbaar op de afbeelding in het rapport op het tijdstip 09:34:29. Op de afbeelding in de VOA (op pagina 23) is waar te nemen dat het fietsertje zich op dat moment een aantal meter linksachter de vuilniswagen bevond. Tevens zijn verbalisanten tot de conclusie gekomen dat de bestuurder van de vuilniswagen het fietsertje had kunnen waarnemen tot het moment dat het zich bevond in de positie zoals zichtbaar op de afbeelding in het rapport op het tijdstip 09:34:34. Op de afbeelding in de VOA (op pagina 23) is waar te nemen dat het fietsertje zich op dat moment aan de linkerzijkant van de vuilniswagen bevond (waar tevens de hierboven genoemde oranje pylon is geplaatst). Dit laatste moment was het moment dat de bestuurder is begonnen met wegrijden. In de fase hierna was het fietsertje volgens verbalisanten niet meer waar te nemen door de bestuurder in zijn spiegels.

Op pagina 25 van de VOA concluderen verbalisanten het volgende:


Uit ons onderzoek naar het zicht bleek, dat de bestuurder van de vuilniswagen vrij zicht had op het van links achter hem naderende fietsertje. Hij had haar kunnen waarnemen in zowel de linkerbuitenspiegel als de linker breedtespiegel. Op het moment dat de vuilniswagen in beweging komt, dus begint weg te rijden, is het fietsertje niet meer zichtbaar in de genoemde spiegels, ook is zij niet meer zichtbaar door linkerzijruit. Zij zou wel kort zichtbaar moeten zijn geweest in de trottoirspiegel. Wij hebben onderzocht dat de bestuurder van de vuilniswagen, het slachtoffertje gedurende ten minste ongeveer 4 seconden zou moeten hebben kunnen waarnemen voordat hij begon op te trekken.

Wij concluderen uit het bovenstaande, dat de bestuurder pas in de spiegels is gaan kijken op het moment dat hij is gaan rijden. Uit het gezichtsveldonderzoek bleek dat de linker breedtespiegel niet voldeed aan de wettelijke eisen, dus niet goed was afgesteld. Wij zijn van mening, dat deze onvoldoende afstelling het zicht op het naderende fietsertje enigszins verminderd had, het fietsertje was daardoor iets korter in het spiegelbeeld zichtbaar. Wij zijn van mening, dat in het geval de bestuurder wel op tijd in de spiegels had gekeken, hij voldoende tijd had gehad om het fietsertje te zien aan komen.

Naar aanleiding van een aantal door de verdediging gestelde vragen ten aanzien van de spiegelstanden en de oogpunten (gezichtsveld) zijn door verbalisanten een tweetal aanvullende processen-verbaal opgesteld. Uit een aanvullend proces-verbaal van 20 november 2014 blijkt dat verbalisant [verbalisant 3] zijn collega, verbalisant [verbalisant 5] , heeft medegedeeld dat hij bij het vervoer van de vuilniswagen van de plaats van de aanrijding naar de werkplaats aan de James Wattstraat de spiegels van de vuilniswagen diende te laten staan in de stand waarin de spiegels op dat moment stonden. Nadat verbalisant [verbalisant 5] de vuilniswagen had overgebracht heeft hij desgevraagd verklaard dat hij de stand van de spiegels niet had versteld.

Uit het tweede aanvullende proces-verbaal van 28 februari 2015 blijkt dat verbalisant [verbalisant 3] – nadat de bestuurder had plaatsgenomen in het voertuig, waarbij met bestuurder de verdachte wordt bedoeld – de oogpunten van deze bestuurder heeft vastgelegd door stickers op de hoogte van zijn ogen op de zijruit en voorruit te plakken. De verbalisant heeft daartoe een verhoging naast de vuilnisauto geplaatst, waardoor hij op gelijke ooghoogte kwam als de ooghoogte van de bestuurder, zo verklaart de verbalisant.

Voorts heeft het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) naar aanleiding van door de verdediging opgeworpen vragen en op verzoek van de officier van justitie op 23 december 2014 middels een email een consult gegeven. Teneinde de vragen te kunnen beantwoorden, heeft het NFI op 16 december 2014 alle stukken van het onderzoek ontvangen en tevens het stuk van de raadsman. Voorts heeft het NFI bij e-mail van 17 maart 2015 twee aanvullende vragen van de verdediging naar aanleiding van het eerdere consult beantwoord. Aan het NFI was daartoe eveneens het aanvullende proces-verbaal van 28 februari 2015 toegezonden. In haar beantwoording van de vragen heeft het NFI expliciet gesteld dat zij zelf geen (nader) onderzoek heeft uitgevoerd, doch zich heeft gebaseerd op het reeds uitgevoerde onderzoek en de stukken daarvan.

Het NFI heeft onder meer het volgende gesteld:

Ad 1.

Uw volledige onderzoek is gestoeld op ongewijzigde spiegelstanden. Ik zie geen mogelijkheid om deze te controleren. U heeft voorafgaande aan, en na, het transport de desbetreffende agent op/naar deze ongewijzigde spiegelstanden gewezen/gevraagd. Deze heeft gesteld dat de spiegelstanden niet zijn gewijzigd. Ik kan de waarde van die stelling niet beoordelen, noch is die beoordeling aan mij. Indien beoordeeld wordt dat niet vaststaat dat de spiegelstanden bij transport ongewijzigd zijn gebleven is nader onderzoek naar het uitzicht van de vrachtautobestuurder op de fietser niet (meer) mogelijk. De onderzoeksmogelijkheden onder ad 2 t/m 6 (hierna) zijn dan niet meer van toepassing.

Ad 2.

Ik heb uit de stukken niet kunnen opmaken exact op welke wijze u de oogpunten van de verdachte en verbalisant [verbalisant 1] aan elkaar hebt gelijkgesteld. De vergelijkbaarheid van de beide oogpunten kan op grond van uw onderzoek wel nader worden onderzocht, al is daar wel medewerking voor nodig van verdachte en verbalisant [verbalisant 1] . Bij vaststelling van (toch) een verschil tussen de beide oogpunten is een invloed te bepalen op de vorm, locatie en omvang van de uitzichten op het wegdek en slachtoffer. Hiervoor is de vrachtauto nodig met (nog) dezelfde spiegels.

Ad 3.

Uw zichtveldbepaling, waaronder de toetsing met de permanente eisen, zijn op grond van het oogpunt van [verbalisant 1] . Bij een identiek oogpunt van [verbalisant 1] en verdachte lijkt uw conclusie terecht (‘de breedtespiegel stond niet goed afgesteld’), bijeen (iets) ander oogpunt wellicht niet. Het optionele onderzoek onder ad 2 geeft hier inzicht in.

Ad 4. (…)
Ad 5.(…)

Ad 6.

Ik heb de vergelijking van de positionering van de vrachtwagen bij de reconstructie van de vrachtwagen in de ongevalbeelden aan de afdeling Beeldonderzoek en Biometrie. Zij hadden de indruk dat de vrachtwagen bij de reconstructie (inderdaad) een andere positie heeft dan is af te leiden uit het videobeeld. Een ruwe schatting was dat de vrachtwagen 0,5 meter meer naar achteren stond en onder een andere hoek op het wegdek stond. (…) Dat de vrachtwagen bij de reconstructie een iets andere positie heeft dan uit het videobeeld is af te leiden, heeft wellicht invloed op de zichtbaarheid van de pion gehad.

4.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor opgenomen, blijkt uit de VOA van 17 maart 2014 dat het oordeel dat verdachte het slachtoffer ongeveer 4 seconden heeft moeten kunnen zien, berust op de conclusie dat de linker breedtespiegel niet goed (niet conform de daarvoor geldende voorschriften en regels) was afgesteld en op het door verbalisanten uitgevoerde gezichtsveldonderzoek waarvoor de oogpunten van verdachte zijn afgemeten en op grond waarvan het gezichtsveld is bepaald.

Met de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de spiegelstanden en dan in het bijzonder de stand van de linker breedtespiegel niet is gewijzigd in de periode tussen het plaatsvinden van het incident en het door de politie uitgevoerde onderzoek. Hoewel de rechtbank op zich uitgaat van de juistheid van de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] dat hij aan verbalisant [verbalisant 5] heeft meegedeeld dat de stand van de spiegels niet mocht worden veranderd en dat verbalisant [verbalisant 5] dit ook niet heeft gedaan, betekent dit niet dat de mogelijkheid kan worden uitgesloten dat de stand van de spiegels op andere wijze is gewijzigd, bijvoorbeeld door dan wel tijdens het vervoer naar de werkplaats. In het rapport noch op andere wijze is vastgelegd hoe de stand van de spiegels ter plekke van de aanrijding is vastgelegd en hoe vervolgens tijdens het vervoer dan wel daarna er zorg voor is gedragen dat de stand van de spiegels niet kon worden gewijzigd dan wel dat dit ook daadwerkelijk niet is gebeurd. Dat het wijzigen van de stand van de spiegels daadwerkelijk tot de mogelijkheden behoort, blijkt uit het feit dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] op pagina 17 van de VOA vermelden dat op 2 februari 2014 de stand van de breedtespiegel was gewijzigd ten opzichte van de eerdere vastlegging. Volgens de verbalisanten is de stand van de breedtespiegel vervolgens weer gewijzigd in de stand als eerder vastgelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie daar geen verklaring voor kunnen geven. Daarbij komt de verklaring van verdachte dat hij de spiegels, dus ook de breedtespiegel, altijd – dus ook op de dag van het ongeval – in de juiste stand afstelt. Dit alles maakt dat de rechtbank de conclusie dat de breedtespiegel niet goed was afgesteld buiten beschouwing zal laten.

Voorts begrijpt de rechtbank het consult van het NFI van 23 december 2014 aldus dat het, zowel voor de conclusie ten aanzien van de breedtespiegel als voor de conclusie ten aanzien van de zichtbaarheid van het slachtoffer voor een periode van 4 seconden, een voorwaarde is dat de oogpunten van verdachte en verbalisant [verbalisant 1] op de juiste wijze gelijk zijn gesteld. In het consult constateert het NFI dat de zichtveldbepaling, waaronder de toetsing met de permanente eisen, zijn vastgesteld op grond van het oogpunt van (verbalisant) [verbalisant 1] (Ad 3.). Het NFI concludeert dat bij een identiek oogpunt van [verbalisant 1] en de verdachte de conclusie dat de breedtespiegel niet goed was afgesteld, terecht lijkt, doch bij een (iets) ander oogpunt wellicht niet. Het NFI stelt tevens dat zij uit de stukken niet heeft kunnen opmaken op welke wijze de oogpunten van de verdachte en verbalisant [verbalisant 1] aan elkaar gelijkgesteld zijn. Indien er toch sprake zou zijn van een verschil tussen de oogpunten, zou de invloed daarvan te bepalen zijn op de vorm, locatie en omvang van de uitzichten op het wegdek en het slachtoffer, aldus het NFI (zie Ad 2.). Het NFI heeft echter – zoals uitdrukkelijk vermeld – zelf geen nader onderzoek verricht.


De rechtbank is, gelet op de constatering van het NFI, van oordeel dat op grond van het onderzoek en de beschikbare stukken niet, althans onvoldoende, kan worden vastgesteld of de oogpunten van verdachte en verbalisant [verbalisant 1] identiek zijn. Het aanvullend proces-verbaal van 28 februari 2015 maakt dit niet anders. Onduidelijk is hoe de hoogte van de ogen van verdachte op de voor- en zijruit is vastgesteld. De rechtbank kan onvoldoende controleren of de conclusie van verbalisant [verbalisant 3] dat hij – nadat hij een verhoging naast de vuilnisauto had geplaatst – op gelijke ooghoogte kwam als de ooghoogte van verdachte juist is. Niet gebleken is hoe lang verdachte is, hoe lang verbalisant is en of en zo ja, op welke hoogte, de verhoging is vastgesteld. Niet duidelijk is of verbalisant [verbalisant 3] dit gegeven met het blote oog heeft ingeschat of dat hier meetapparatuur aan te pas is gekomen. Dit laatste wordt in ieder geval niet vermeld in het rapport en de processen-verbaal. Daarnaast is niet duidelijk of verbalisant [verbalisant 1] , die bij de gezichtsveldbepaling de plaats van verdachte als bestuurder heeft ingenomen, dezelfde lengte heeft als verdachte en of verbalisant [verbalisant 1] vervolgens met het blote oog heeft ingeschat dat de aangebrachte maatstickers op dezelfde hoogte zaten of dat hiervoor meetapparatuur is gebruikt. Dit laatste is niet gebleken.

Ten slotte constateert de rechtbank dat bij het NFI de indruk is ontstaan dat de vuilniswagen bij de reconstructie een andere positie heeft dan is af te leiden uit het videobeeld. Naar ruwe schatting stond de vuilniswagen 0,5 meter meer naar achteren en stond deze onder een andere hoek op het wegdek. Waar de verbalisanten in de VOA van 17 maart 2014 hebben gesteld dat de relatieve positie van de gezichtsvlakken ten opzichte van de bedrijfsauto onafhankelijk is van de feitelijke positie van de vrachtwagen en het daarom geen probleem is dat de bepaling niet op de plaats van het ongeval is gebeurd, constateert het NFI dat het feit dat de vuilniswagen bij de reconstructie een iets andere positie had dan uit het videobeeld is af te leiden, wellicht invloed op de zichtbaarheid van de pion (de oranje pylon) heeft gehad en dus op het moment dat verdachte het slachtoffer volgens verbalisanten had kunnen zien op het tijdstip van 9:34:34. De rechtbank sluit op dit punt niet uit dat de gewijzigde stand van de vuilniswagen tijdens de reconstructie ook invloed heeft gehad op het zicht van verdachte op het slachtoffer vóór dit precieze tijdstip.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het huidige onderzoek niet de conclusie kan dragen dat de linker breedtespiegel niet conform de wettelijke vereisten was afgesteld en dat verdachte vier seconden zicht had op het slachtoffer alvorens hij begon met rijden.

Dit maakt, bij gebreke van overige bewijsmiddelen, dat evenmin conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de vraag of verdachte zich er tijdig en voldoende van heeft vergewist dat de rijbaan naast en/of voor hem vrij was van enig verkeer alvorens hij begon met rijden.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Nu aan het subsidiair ten laste gelegde veroorzaken van gevaar op de weg dezelfde gedragingen en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd als aan het primaire feit, zal verdachte ook daarvan worden vrijgesproken.

Ten overvloede verwerpt de rechtbank het betoog van de officier van justitie dat verdachte – wegens de wijze waarop hij de vuilniswagen op de rijbaan en het fietspad had gepositioneerd – gebruik had moeten maken van de zijcamera, welke in werking wordt gezet zodra het linker knipperlicht in werking wordt gezet, nu dit als zodanig niet ten laste is gelegd. Daarnaast is het voeren van de gezichtsverbeterende installatie aan de zijkant van de vuilniswagen, zoals opgemerkt door de officier van justitie en vastgesteld in de VOA van 17 maart 2014, geen wettelijke verplichting.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Moors, voorzitter,

mrs. R. Hirzalla en M.E.L. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Schleeper, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2015.