Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5158

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
AMS 13-4616
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Verzoek openbaarmaking namen rechtspersonen, namen en/of functieaanduidingen van de niet-gehoorde getuigen en tijdvakken waarin verdachten of getuigen werkzaam zijn geweest op of voor school waarnaar door FIOD onderzoek is verricht. Vervolg op eerdere rechtbankuitspraak tussen partijen.

De namen en/of functieaanduidingen van niet-gehoorde getuigen heeft verweerder kunnen weigeren op grond van de Wob. Het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet politiegegevens
Wet politiegegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2015/41
JBP 2015/98

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/4616

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. W.J.G. van Duijn).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van het verslag of rapport van een door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) ingesteld onderzoek naar verdenking van onrechtmatig handelen van of door het bestuur van de stichting Islamitische Scholen Helmond (SIS Helmond), afgewezen.

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2013 (zaaknummer AMS 12/1570) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2012 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 3 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 13 december 2013 op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting en het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft vervolgens het door eiser op grond van artikel 8:55 van de Awb ingestelde verzet gegrond verklaard. De uitspraak van 13 december 2013 is vervallen en het onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1.1.

Eiser heeft op 1 september 2011 een Wob-verzoek gedaan om openbaarmaking van onder meer een verslag of rapport van het vooronderzoek dat in 2007/2008 is verricht door de FIOD en/of ECD (Economische controledienst) naar verdenkingen van onrechtmatig handelen van of door het bestuur van de SIS Helmond. Eiser heeft het verzoek ingediend bij de minister van Financiën.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft de plaatsvervangend directeur van de FIOD (namens de Staatssecretaris van Financiën) meegedeeld dat hij beschikt over een projectplan (hierna: het projectplan) waarin ten aanzien van acht verdachten, waaronder vijf natuurlijke personen, onderzoeksbevindingen zijn opgenomen. Verweerder weigert openbaarmaking van het projectplan op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e (persoonlijke levenssfeer) en g (onevenredige benadeling), van de Wob. Verweerder heeft verder overwogen niet te voldoen aan het subsidiaire verzoek van eiser om verstrekking van de gevraagde informatie in geanonimiseerde vorm dan wel in de vorm van een samenvatting, omdat de in het projectplan genoemde personen dan nog altijd tot identificeerbare personen te herleiden zullen zijn. Aldus staat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de weg aan de openbaarmaking.

1.3.

In het besluit van 16 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard met aanpassing van de motivering. Verweerder heeft in dit besluit ook artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob aan de weigering tot openbaarmaking van het projectplan ten grondslag gelegd. Daarnaast heeft verweerder de eerder gehanteerde weigeringsgronden (10, tweede lid onder e en g van de Wob) gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder wel een samenvatting verstrekt van de gevraagde informatie.

1.4.

Bij uitspraak van 16 mei 2013 (zaaknummer AMS 12/1570) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2012 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.5.

Bij het bestreden besluit van 3 juli 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard met aanpassing van de motivering. Verweerder heeft eiser een geanonimiseerde versie van het projectplan verstrekt.

Verweerder heeft in dit besluit ook de Wet politiegegevens (Wpg) en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob (opsporing en vervolging van strafbare feiten) aan de weigering tot openbaarmaking van het projectplan ten grondslag gelegd. Daarnaast heeft verweerder de eerder gehanteerde weigeringsgronden (10, eerste lid, aanhef en onder d en 10, tweede lid, aanhef en onder e) gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.1.

Op grond van artikel 1 van de Wpg (voor zover van belang) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

m. persoonsgegeven: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wbp.

2.2.

Op grond van artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ontvankelijkheid van het beroep

3.1.

Bij buiten-zitting-uitspraak van 13 december 2013 heeft de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard, vanwege niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser eerst op 15 augustus 2013 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit van 3 juli 2013, terwijl de beroepstermijn op 14 augustus 2013 is geëindigd en er geen aanleiding is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

3.2.

Bij uitspraak van 4 december 2014 heeft de rechtbank het door eiser ingestelde verzet tegen de uitspraak van 13 december 2013 gegrond verklaard, omdat ten onrechte is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het bestreden besluit naar het juiste adres is verzonden. Het bestreden besluit draagt geen verzendstempel en de verzenddatum bovenaan het besluit is op digitale wijze in het document geplaatst. Er is (vooralsnog) ook geen verzendadministratie of ander bewijs van verzending overgelegd. Hiermee valt naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid vast te stellen dat het bestreden besluit daadwerkelijk op 3 juli 2013 aan eiser is toegezonden.

3.3.

In beroep heeft verweerder geen aanvullende stukken overgelegd ten bewijze van de verzending van het bestreden besluit op 3 juli 2013. Verweerder heeft desgevraagd verklaard niet over een verzendadministratie te beschikken. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat het aannemelijk is dat het bestreden besluit op 3 juli 2013 is verzonden, omdat eiser heeft gesteld het besluit twee dagen later te hebben ontvangen. Verweerder beroept zich daarbij op een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 april 2014 in de zaak 13/7693 (niet gepubliceerd).

3.4.

De rechtbank overweegt dat de enkele stelling van verweerder dat het bestreden besluit op 3 juli 2013 is verzonden, onvoldoende is om verzending op die datum aannemelijk te achten. In de uitspraak van de rechtbank Gelderland komt de bekendmaking van het besluit niet aan de orde, zodat reeds daarom aan deze uitspraak niet de door verweerder gehechte waarde toekomt.

3.5.

Eiser heeft gesteld dat hij het bestreden besluit eerst op 5 juli 2013 heeft ontvangen. Dan is niet uit te sluiten dat het besluit niet op 3, maar op 4 juli 2013 is verzonden. De beroepstermijn is in dat geval aangevangen op 5 juli 2013 en geëindigd op 15 augustus 2013. Het beroepschrift van 15 augustus 2013 wordt daarom geacht op tijd te zijn ingediend. Het beroep is ontvankelijk.

Inhoudelijke beoordeling

4.1.

Eiser heeft in beroep verzocht om openbaarmaking van de namen van de drie als verdachte aangemerkte rechtspersonen, de namen en/of functieaanduidingen van de personen die als getuige zijn aangemerkt maar niet door de politie zijn gehoord en de tijdvakken waarin verdachten of getuigen werkzaam zijn geweest op of voor de school.

Ten aanzien van de gegevens van de niet-gehoorde getuigen heeft eiser een beroep gedaan op rechtsoverweging 5.6 van de uitspraak van deze rechtbank van 16 mei 2013.

4.2.

Verweerder heeft allereerst het standpunt ingenomen dat de gegevens waarvan eiser openbaarmaking heeft verzocht politiegegevens zijn en dat de Wpg daarom aan openbaarmaking van die gegevens in de weg staat.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:265). Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens.

De eerste vraag die rechtbank daarom zal moeten beantwoorden is of de verzochte gegevens politiegegevens zijn in de zin van de Wpg.

4.4.

Volgens de jurisprudentie van de Afdeling (zie hiervoor ook de onder 4.3 aangehaalde uitspraak) is bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50).

4.5.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat met de bekendmaking van de rechtspersoon ook de achterliggende natuurlijke personen bekend worden. Individuen zullen kunnen worden herleid omdat er al veel informatie over deze kwestie bekend is, waaronder functies. Omdat de rol van bepaalde rechtspersonen duidelijk wordt, kan deze informatie worden herleid tot een individu.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen informatie over niet-gehoorde getuigen staat vermeld in het projectplan. Daarom kan aan de uitspraak van de rechtbank waarop eiser zich heeft beroepen feitelijk niet het gevolg worden verbonden dat eiser voorstaat. Verweerder heeft de namen van de betrokkenen geweigerd, omdat namen persoonsgegevens zijn en alle persoonsgegevens die verzameld zijn in het kader van het onderzoek in opdracht van het Openbaar Ministerie politiegegevens in de zin van de Wpg zijn.

Ook de tijdvakken zijn volgens verweerder politiegegevens in de zin van de Wpg, omdat al dan niet globale verstrekking van de tijdvakken gezien de context (bekendheid van de functies) en gelet op de beperkte kring van betrokkenen tot identificatie van personen zal leiden.

4.6.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens.

Ten aanzien van de namen van de drie als verdachte aangemerkte rechtspersonen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de memorie van toelichting bij artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 47) blijkt dat gegevens die betrekking hebben op rechtspersonen in beginsel geen persoonsgegevens zijn, tenzij de gegevens eveneens betrekking hebben op nog levende, natuurlijke personen en zij mede bepalend kunnen zijn voor de wijze waarop deze in het maatschappelijk verkeer worden beoordeeld of behandeld. Met de openbaarmaking van de namen van de rechtspersonen worden ook de namen van de bestuurders, zijnde natuurlijke personen, bekend. Niet aangevoerd noch anderszins aannemelijk geworden is dat deze natuurlijke personen door de openbaarmaking van de naam van de rechtspersoon niet kunnen of zullen worden getroffen. Mede gelet op de gegevens die al openbaar zijn, acht de rechtbank voorts aannemelijk dat openbaarmaking van de namen van de rechtspersonen zal leiden tot identificatie van natuurlijke personen.

Ten aanzien van de openbaarmaking van de tijdvakken waarin verdachten of getuigen werkzaam zijn geweest op of voor de school is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven toelichting van verweerder, aannemelijk is dat die gegevens in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor natuurlijke personen dat deze ook met globale aanduiding daarvan kunnen worden geïdentificeerd.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze gegevens in het kader van de uitoefening van de politietaak zijn verwerkt. Daarom moeten de gegevens worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Voorts is niet in geschil dat eiser op grond van de Wpg niet in aanmerking komt voor verstrekking van deze politiegegevens. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de gevraagde gegevens openbaar te maken.

4.8.

Eiser heeft aangevoerd dat de namen en/of functieaanduidingen van de niet-gehoorde getuigengeen persoonsgegevens in de zin van de Wpg zijn, zodat openbaarmaking van die gegevens niet op grond van die wet kan worden geweigerd. Hij heeft daarbij een beroep gedaan op rechtsoverweging 5.6 van de eerder tussen partijen gewezen uitspraak van deze rechtbank van 16 mei 2013. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat gegevens met betrekking tot een door verweerder ter zitting omschreven groep personen (aangemerkt als getuige, maar niet gehoord), geen persoonsgegevens zijn als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wbp, waarmee artikel 10, eerste lid, aanhef en sub d van de Wob toepassing mist.

Dit beroep baat eiser niet.

Daartoe stelt de rechtbank voorop, dat genoemde overweging 5.6, zoals ook blijkt uit de tekst ervan, een reactie vormt op een mededeling van verweerder dat alle personen die niet verdacht zijn, als getuige zijn opgevoerd, en dat een deel van die getuigen niet is gehoord. Verweerder stelt thans echter dat in het projectplan feitelijk geen informatie is opgenomen over niet-gehoorde getuigen. Lezing van het projectplan brengt de rechtbank tot het oordeel dat die laatste stelling aannemelijk is te achten.

Los daarvan wijst de rechtbank erop dat in meergenoemde overweging 5.6 niet is ingegaan op (de thans door verweerder subsidiair aangevoerde, in artikel 10, tweede lid en onder e, van de Wob neergelegde) weigeringsgrond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van niet verdachte, niet gehoorde getuigen bij bescherming van hun identiteit weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, voorzitter, en mr. H.J. Tijselink en mr. C.J. Polak, leden, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.