Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:5004

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AMS 15/235
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1843, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve intrekking en gelijktijdige verlening nieuwe exploitatievergunning op grond van de Vob en de RPA 2013 voor 10 onbemande elektrosloepen kan rechterlijke toets doorstaan

de vergunningsvoorschriften die aan de nieuw verleende vergunning zijn verbonden, kunnen de rechterlijke toets doorstaan. Het gaat om de bediening van het gas en de voor- en achteruit met één hendel, de aanwezigheid van reddingsmiddelen in de sloepen, de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder en de beperkte toegankelijkheid tot bepaalde gedeelten van het vaarwater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/235

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2015 in de zaak tussen

Canal Motorboats B.V., te Amsterdam, eiseres,

(gemachtigde: D.R. van Hemert Stakenburg)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.M.C. Nuijten).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve de verleende vergunningen voor passagiersvervoer te water voor tien aan eiseres toebehorende vaartuigen ingetrokken en per 1 januari 2014 een nieuwe vergunning verleend.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 3 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is gestart op 28 mei 2015. De zaak is ter zitting gelijktijdig, niet gevoegd behandeld met een aantal zaken van andere rederijen, die dezelfde materie betreffen. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde, bijgestaan door mr. H.P. Wiersema, mr. E.G. Blees en mr. M.J.M. Jacobs. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 10 juni 2015. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde, bijgestaan door mr. E.G. Blees en mr. M.J.M. Jacobs. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de twee verleende vergunningen voor

passagiersvervoer te water voor elk vijf onbemande elektrosloepen ingetrokken en een nieuwe vergunning verleend voor tien vaartuigen. Aan de nieuwe vergunning zijn de in de bijlage bij de vergunning genoemde voorschriften verbonden.

1.2.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 28 mei 2014 afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft het bestreden besluit in beroep gemotiveerd bestreden. Het beroep richt zich tegen de voorschriften 2.1, 2.5, 2.7, 2.8 en 2.9, verbonden aan de vergunning.

2. Eiseres heeft bij brief van 21 mei 2015 aangegeven dat zij wenst aan te sluiten bij al hetgeen de andere eisers dan wel hun gemachtigden naar voren hebben gebracht in de procedures die gelijktijdig, maar niet gevoegd, met het onderhavige beroep zijn behandeld ter zitting van 28 mei 2015. De rechtbank stelt vast dat de argumenten die ter zitting van

28 mei 2015 naar voren zijn gebracht, betrekking hebben op onderdelen van het besluit waartegen eiseres geen beroepsgronden heeft ingediend. Voor zover eiseres bij deze argumenten wenst aan te sluiten, concludeert de rechtbank dat dit buiten de omvang van het onderhavige geding valt. Voor zover eiseres tevens heeft beoogd aan te sluiten bij hetgeen in schriftelijke stukken door andere gemachtigden naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat eiseres deze stukken niet in het onderhavige geding heeft ingebracht. Nu de procedures niet gevoegd behandeld worden met het onderhavige beroep, maken deze stukken derhalve geen onderdeel uit van de onderhavige procedure, zodat de rechtbank deze stukken niet zal betrekken bij de beoordeling van het onderhavige beroep.

3.1.

Ten aanzien van de gronden die eiseres heeft ingediend tegen de één-handle-bediening (voorschrift 2.1), overweegt de rechtbank dat alle boten van eiseres voldoen aan dit voorschrift. Alle boten van eiseres zijn immers voorzien van één hendel waarmee het gas, de voor- en achteruit kunnen worden bediend. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat andere rederijen niet aan dit voorschrift voldoen en dat verweerder daar ten onrechte niet handhavend tegen optreedt, zodat sprake is van rechtsongelijkheid. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar standpunt ter zitting op 10 juni 2015 foto’s getoond van vaartuigen die naast een hendel voor bediening van het gas en de voor- en achteruit, ook voorzien zijn van een stuurwiel. Verweerder heeft ter zitting van 10 juni 2015 duidelijk toegelicht dat het voorschrift niet betekent dat ook de besturing met dezelfde hendel dient plaats te vinden, zoals door eiseres is verondersteld. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. Het voorschrift sluit dan ook niet uit dat het vaartuig naast een hendel ook is voorzien van een stuurwiel. Het voorschrift wijkt in dit verband niet af van het voorschrift zoals dat in 2006 aan de aan eiseres verleende vergunningen is verbonden. Eiseres heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat aan haar door verweerder andersluidende mededelingen zijn gedaan met betrekking tot de strekking van het voorschrift. Van rechtsongelijkheid als door eiseres gesteld is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres het voorschrift anders heeft opgevat en een andere voorziening heeft getroffen, waarbij zij stelt hoge kosten te hebben moeten maken, komt dan ook voor haar rekening en risico.

3.2.

Eiseres verzet zich voorts tegen voorschrift 2.5 (aanwezigheid reddingsmiddelen). Omdat de vaartuigen van eiseres onzinkbaar zijn, acht eiseres de aanwezigheid van reddingsmiddelen niet nodig. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder in redelijkheid besluiten dit voorschrift aan de vergunning te verbinden in het belang van de veiligheid van de passagiers. De omstandigheid dat de vaartuigen van eiseres als onzinkbaar te boek staan, wat daar ook van zij, maakt dat niet anders en staat er niet aan in de weg dat passagiers reddingsmiddelen nodig kunnen hebben, bijvoorbeeld als zij overboord geraken.

3.3.

Verder is eiseres het niet eens met voorschrift 2.7 (verantwoordelijkheid vergunninghouder voor het gebruik van vaartuig door de huurder). Eiseres vreest aansprakelijk te worden gesteld voor het eventuele wangedrag van haar huurders. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de duidelijkheid van de eerste volzin van het voorschrift te wensen overlaat. De rechtbank begrijpt uit de door verweerder ter zitting van 10 juni 2015 gegeven toelichting dat niet is bedoeld een civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de verhuurder in het leven te roepen, maar dat is beoogd duidelijk te maken dat de exploitatievergunning kan worden ingetrokken in het geval een verhuurder zijn huurders niet voldoende heeft geïnformeerd over het gebruik van het vaartuig en de veiligheids- en reddingsmiddelen. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder een dergelijk voorschrift aan de vergunning verbindt. De rechtbank acht voorts de formulering van het voorschrift niet dermate onduidelijk, dat verweerder het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning had kunnen verbinden. Uit het voorschrift zelf vloeit voorts naar het oordeel van de rechtbank geen aansprakelijkheid voor door huurders verrichte gedragingen voort, die eiseres vreest. De rechtbank merkt daarbij nog op dat in het geval eiseres in dit verband met handhavingsmaatregelen van de zijde van verweerder wordt geconfronteerd, eiseres tegen het handhavingsbesluit rechtsmiddelen kan aanwenden.

3.4.

Eiser heeft voorts gronden gericht tegen de voorschriften 2.8 en 2.9 (toegankelijkheid van de haven, het Open Havenfront, de Nieuwe Herengracht en de route Westerkanaal/Kostverlorenvaart/Schinkel). Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder in het kader van de veiligheid de toegang tot het gebied genoemd in voorschrift 2.8 verbieden voor de passagiersvaart en voor het gebied genoemd in voorschrift 2.9 beperken tot het oversteken via de kortste route op de route Westerkanaal/Kostverlorenvaart/Schinkel. Nu niet is gebleken dat deze voorschriften niet voor alle betrokkene rederijen gelijkelijk gelden, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van rechtsongelijkheid zoals door eiseres is betoogd.

3.5.

Eiseres heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld dat zij niet op de hoogte was van deze veranderingen, zodat zij daar niet op heeft kunnen inspelen. De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat eiseres stelt dat de veranderingen met betrekking tot de exploitatievergunning voor haar niet voorzienbaar waren. In dit verband merkt de rechtbank op dat alle voorschriften waartegen eiseres haar beroep heeft gericht, ook, in vrijwel dezelfde vorm, aan de eerder in 2006 aan haar verleende vergunningen verbonden waren. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds hierom dan ook geen sprake van veranderingen die voor eiseres niet voorzienbaar waren. Voor zover eiseres nog heeft betoogd dat het primaire besluit niet is gedateerd en aan haar later is verstuurd dan aan de andere rederijen, overweegt de rechtbank dat het primaire besluit wel voorzien is van een datum. De omstandigheid dat de besluitvorming ten aanzien van de vaartuigen van eiseres op een later moment heeft plaatsgevonden, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

4. Al het voorgaande in ogenschouw nemende, komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepsgronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, voorzitter, en mr. K. Oldekamp-Bakker en mr. E.J. Otten, leden, in aanwezigheid van mr. S. Leijen-Westra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.