Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
C-13-581417 - HA ZA 15-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident omtrent het toepasselijke recht. Aansprakelijkheid bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1438
OR-Updates.nl 2015-0295
INS-Updates.nl 2015-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/581417 / HA ZA 15-158

Vonnis in incident van 29 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. ing. N.J. Margetson te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagden 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [gedaagden 2],

wonende te [plaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat mr. B. de Metz te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagden 1] en [gedaagden 2] (gedaagden tezamen: [gedaagden 1] ) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 december 2014, met producties,

  • -

    de brief van 16 maart 2015 van beide partijen met het verzoek tot (primair) het houden van een regiezitting en (subsidiair) het verzoek eerst te procederen over het toepasselijk recht,

  • -

    de rolbeslissing van 25 maart 2015 tot afwijzing van het houden van een regiezitting en verwijzing van de zaak voor akte van gedaagden inzake het toepasselijk recht,

  • -

    de akte betreffende het toepasselijk recht van de zijde van [gedaagden 1] , met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

1.3.

In het incident zal, gezien het daartoe strekkende verzoek van beide partijen, het recht dat van toepassing is op het in de hoofdzaak gevorderde worden beoordeeld.

2 De feiten voor zover relevant in het incident

2.1.

Beaumont Fund Ltd. (hierna: BF) is een op de British Virgin Islands (hierna: BVI) gevestigde en naar het recht van BVI opgerichte vennootschap die zich bezighoudt met investeringen via verschillende handelsvennootschappen. BF is in februari 2002 opgericht door [naam 1] [eiser] (zoon van [eiser] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Bestuurder van BF is thans alleen [naam 1] .

2.2.

[eiser] heeft als investering in BF 100.000 zogeheten Class B aandelen gekocht voor een bedrag van USD 10.000.000,00.

2.3.

BF houdt alle aandelen in Brightwell Portfolio Fund Sicav plc (hierna: Brightwell), een naar BVI recht opgerichte vennootschap die haar zetel in mei 2011 heeft verplaatst naar Malta. Brightwell investeerde via verschillende dochterondernemingen waaronder Beaumont Discretionary Trading Ltd. (BDT), Beaumont Systematic Trading Ltd. (BST), Beaumont Cash Management Ltd. (BCM) en Beaumont Equity Trading Ltd. (BET), hierna tezamen aan te duiden als de ‘handelsentiteiten’. Vanaf 2009 was [bedrijf 1] , een naar het recht van BVI opgerichte en op de BVI gevestigde vennootschap (hierna: [bedrijf 1] ) bestuurder van de handelsentiteiten. Tot oktober 2013 was [gedaagden 2] (mede) bestuurder van [bedrijf 1] .

2.4.

Op 1 november 2003 hebben BF en [gedaagden 1] (destijds genaamd IMFC Fund Services BV) een zogeheten Administrative Services Agreement (hierna: de Agreement) gesloten, waarmee [gedaagden 1] de administrateur van BF werd.

2.5.

[gedaagden 2] is bestuurder van [gedaagden 1] .

2.6.

In de periode gelegen tussen december 2007 en maart 2013 hebben Brightwell en de handelsentiteiten met derden diverse overeenkomsten van geldlening gesloten.

3 In de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden 1] en [gedaagden 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van USD 10.800.00 aan [eiser] , te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De overeenkomsten van geldlening (onder 2.6) zijn frauduleuze overeenkomsten en hadden tot doel om de verduistering van het vermogen van Brightwell door [naam 2] te verbergen. Ten gevolge van de overeenkomsten van geldlening is de investering van [eiser] in BF van USD 10.000.000,00 verloren gegaan en kon bovendien aan hem niet het toegezegde rendement ad USD 800.000 worden uitgekeerd. [gedaagden 1] en [gedaagden 2] , laatstgenoemde in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] en [gedaagden 1] , hebben toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . Meer concreet verwijt [eiser] [gedaagden 1] en [gedaagden 2] , samengevat, (onder meer) het volgende:

  • -

    het toestaan van betalingen door Brightwell en/of de handelsentiteiten zonder contractuele of wettelijke grondslag;

  • -

    het berekenen van maandelijkse netto waarde (net asset value (NAV)) van de aandelen in BF zonder rekening te houden met de betalingen door Brightwell en/of de handelsentiteiten terwijl [gedaagden 1] en [gedaagden 2] wisten, althans moesten weten, dat de betalingen door Brightwell en/of de handelsentiteiten frauduleus waren;

  • -

    het nalaten om [eiser] te waarschuwen voor die betalingen, voor de overeenkomsten van geldlening en voor het feit dat de NAV’s waren gebaseerd op de kennelijk frauduleuze overeenkomsten van geldlening en

  • -

    het assisteren bij het aangaan en uitvoeren van de kennelijk frauduleuze overeenkomsten van geldlening.

3.3.

Terzijde merkt de rechtbank op dat [eiser] ook een incidentele vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft ingesteld tot afgifte door [gedaagden 1] van in de dagvaarding (paragraaf 56) genoemde stukken aan [eiser] .

4 De beoordeling in het incident

4.1.

In het incident staat de vraag centraal welk recht van toepassing is op de vordering van [eiser] .

Ten aanzien van [gedaagden 1]

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de grondslag van de tegen [gedaagden 1] ingestelde vordering onrechtmatig handelen door [gedaagden 1] jegens [eiser] is. [eiser] stelt dat het op de vordering toepasselijke recht dient te worden vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II of de Rome II Verordening) en dat op de vordering Nederlands recht van toepassing is. Het primaire verweer van [gedaagden 1] houdt in dat aangeknoopt dient te worden bij het in artikel 10:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde incorporatie-recht en derhalve bij BVI-recht.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de bepalingen van Boek 10 BW in werking zijn getreden op 1 januari 2012. Uitgaande van de stellingen van [eiser] , dat de overeenkomsten van geldlening zijn gesloten tussen maart 2007 en december 2013, hebben de vermeende onrechtmatige gedragingen plaatsgevonden zowel voor als na de inwerkingtreding van Boek 10 BW. Vóór de inwerkingtreding van Boek 10 BW waren de conflictregels inzake corporaties neergelegd in de Wet conflictenrecht corporaties (WCC). Nu de bepalingen van Boek 10 BW gelijk zijn aan de WCC, zal de rechtbank voor de beoordeling van het geschil hierna enkel verwijzen naar de bepalingen van Boek 10 BW.

4.4.

Anders dan [gedaagden 1] betogen, ziet artikel 10:119 BW niet op de situatie waarin een corporatie onrechtmatig handelen wordt verweten. Artikel 10:119 BW heeft betrekking op de oprichting van een corporatie en, kort weergegeven, interne aangelegenheden en het daarop toepasselijke recht. Daaronder valt niet de situatie waarin de externe aansprakelijkheid van de corporatie in het geding is en ook niet, zoals in het onderhavige geval, de situatie waarin een andere vennootschap – [gedaagden 1] – aansprakelijk wordt gesteld (die ook niet de bestuurder is van BF). Evenmin kan het toepasselijke recht worden bepaald aan de hand van artikel 10:119 aanhef en onder e BW nu daarin de interne aansprakelijkheid van natuurlijke personen waardoor de corporatie wordt verbonden is geregeld, echter niet het toepasselijke recht op de aansprakelijkheid richting derden van de corporatie zelf. Wat er ook zij van de stelling van [gedaagden 1] dat de door [eiser] gestelde schade van BF, Brightwell of de handelsentiteiten afgeleide schade betreft, uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij de schade die hij zelf ten gevolge van het (gestelde) onrechtmatig handelen heeft geleden op [gedaagden 1] wenst te verhalen, zodat voor de vraag welk recht van toepassing is op de vordering jegens [gedaagden 1] niet de bepalingen van Boek 10 BW van toepassing zijn.

4.5.

Rome II is van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan ná de inwerkingtreding van de Rome II Verordening op 11 januari 2009. Het onrechtmatig handelen is gebaseerd op de (gestelde) opdrachten die [gedaagden 1] heeft gegeven voor de betalingen ter zake van de overeenkomsten van geldlening. De overeenkomsten van geldlening waarnaar [eiser] verwijst, alsook de daarmee samenhangende betalingen, zijn gesloten/hebben plaatsgevonden na 11 januari 2009, op één overeenkomst na, namelijk die tussen Brightwell en Olsen Invest and Trade S.A. van 3 december 2007. Nu echter het merendeel van de gestelde onrechtmatige gedragingen hebben plaatsgehad ná 11 januari 2009 en bovendien [eiser] zich baseert op de bepalingen uit Rome II, waaruit de rechtbank concludeert dat volgens [eiser] de onrechtmatige gedraging(en) bovenal hebben plaatsgehad na genoemde datum, zal ook de rechtbank het toepasselijke recht bepalen op basis van Rome II.

4.6.

Artikel 4 lid 1 Rome II houdt in dat, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Artikel 4 lid 3 Rome II bepaalt dat, indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing is; een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.

4.7.

[eiser] knoopt aan bij de plaats waar de betalingsopdrachten door [gedaagden 1] zijn verstrekt (Nederland). Daarmee miskent [eiser] dat niet het recht van het land waar de schade is veroorzaakt (‘Handlungsort’) aanknopingspunt is bij het toe te passen recht, maar het recht van het land waar de schade zich voordoet (‘Erfolgsort’).

4.8.

[gedaagden 1] betogen dat artikel 4 lid 1 Rome II leidt tot de toepassing van het recht van Zwitserland en Luxemburg nu aldaar de banken waar BF, Brightwell en de handelsentiteiten hun rekeningen aanhielden hun statutaire zetel hebben en zijn gevestigd en dat zich daar de getroffen vermogensbestanddelen bevinden, te weten de bankrekeningen met betrekking waartoe de betalingsopdrachten zijn verstrekt. Niettemin dient volgens [gedaagden 1] echter op grond van artikel 4 lid 3 Rome II BVI-recht te worden toegepast, omdat de (gestelde) onrechtmatige daad een nauwere band heeft met BVI. [eiser] heeft zich noch uitgelaten over de plaats waar de schade zich heeft geopenbaard (‘Erfolgsort’) noch over de vraag of de onrechtmatige daad mogelijk nauwer is verbonden met een ander land, zodat de rechtbank zich op dit punt onvoldoende acht voorgelicht. [eiser] zal zich bij nader te nemen akte uit dienen te laten op deze punten, waartoe de zaak zal worden aangehouden als na te melden.

Ten aanzien van [gedaagden 2]

4.9.

[eiser] verwijt [gedaagden 2] , zo begrijpt de rechtbank, dat zij als bestuurder van [gedaagden 1] en van [bedrijf 1] ernstig persoonlijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.10.

Vooropgesteld overweegt de rechtbank dat het op een corporatie toepasselijke recht ook de vraag beheerst wie naast de vennootschap, voor de handelingen waarvoor de vennootschap wordt verbonden, aansprakelijk is uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid zoals die van bestuurder (artikel 10:119 aanhef en sub e BW). De aansprakelijkheid kan echter ook voortvloeien uit onrechtmatig handelen van de bestuurder jegens de derde die wederpartij van de vennootschap is. In zulke gevallen is geen sprake van een verbintenis op grond van het vennootschapsrecht en is het incorporatierecht niet van toepassing. De aansprakelijkheid wordt in dat geval beheerst door het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad.

4.11.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of [gedaagden 2] als bestuurder van [gedaagden 1] en [bedrijf 1] in persoon aansprakelijk kan worden gesteld op grond van onrechtmatige daad voor de (gestelde) schade van [eiser] . Ook dit ziet niet op de situatie dat een bestuurder intern door de vennootschap wordt aangesproken maar door een derde. Aldus moet het toepasselijke recht op de vordering jegens [gedaagden 2] worden bepaald aan de hand van Rome II. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in r.o 4.8 met betrekking tot het recht dat van toepassing is op basis van artikel 4 Rome II. [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten omtrent de toepassing van Rome II, dus ook voor wat betreft het toepasselijk recht op de tegen [gedaagden 2] ingestelde vorderingen.

Slot

4.12.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de nadere aktewisseling tussen partijen.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 26 augustus 2015 voor het nemen van een akte door [eiser] zoals omschreven in r.o. 4.8 en 4.11 ten aanzien van het toepasselijke recht,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de hoofdzaak

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.1

1 type: CEPH coll: CG