Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4868

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
C/13/576722 / HA ZA 14-1130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Eiser heeft een partij snijplanken opgekocht, die later niet in het verkeer bleken te mogen worden gebracht. Eiser spreekt gedaagde, die de oorspronkelijke opdracht tot vervaardiging van de planken had gegeven maar later heeft bevolen om deze te vernietigen, aan tot schadevergoeding. Volgens eiser heeft gedaagde er onvoldoende op toegezien dat de snijplanken inderdaad niet in het handelsverkeer zouden belanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/576722 / HA ZA 14-1130

Vonnis van 29 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLOBAL SOURCING AND PROCUREMENT B.V.,

gevestigd te Boskoop,

eiseres,

advocaat mr. H.M. Punt te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

TCC GLOBAL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. K. Dadi te Amsterdam.

Partijen zullen hierna GSP en TCC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van GSP van 14 november 2014;

  • -

    de akte overlegging producties van GSP, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties

  • -

    het tussenvonnis van 18 februari 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 april 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

GSP drijft een onderneming in – kort gezegd - internationale handelsbemiddeling, inkoop en distributie.

2.2.

TCC houdt zich onder meer bezig met het ontwikkelen van programma’s gericht op het verbeteren van consumentenverkopen. TCC is tevens licentiehoudster van het merk Schulte-Ufer (ook SUS), welk merk toebehoort aan de Duitse vennootschap Josef Schulte-Ufer KG Metallwarenfabrik (hierna: Schulte-Ufer).

2.3.

TCC heeft eind 2013 voor een loyaliteitsactie van een van haar klanten, te weten Kaufland Warenhandel GmbH & Co. KG (hierna: Kaufland), in China circa 150.000 houten snijplanken laten vervaardigen, voorzien van het merk Schulte-Ufer.

2.4.

Kaufland heeft begin januari 2014 één van de snijplanken laten testen door TÜV Rheinland GmbH te Nürnberg, Duitsland (hierna: TÜV). Het rapport van TÜV van 28 januari 2014 luidt, voor zover relevant:

‘(…)

test result: Regarding the tested parameters the tested article does not comply with the requirements of art. 3 of the Regulation (EC) No 1935/2004 of the European Parliament of the Council.

(…)

3 Results

(…)

Sensory analysis

Sample No. 164232-001 (de snijplank, rechtbank)

(…)

Smell transfer 3

Transfer of taste 4

(…)

If the evaluation is between 0 tot 2.5 no sensory deviation is indicated and the sample fullfits the requirements of § 31 LFGB respectively article 3 of the regulation (EC) 1935/2004.

Evaluation scheme:

(…)

3 = clear deviatiotion

4 = strong deviation

(…)

Wood preservative

Sample No. 164232-001

(…)

Beta-Endosulfane 1,0

(…)

Endosulfane has been registered as an existing chemical substance, but no application for authorization has been made. If the article has been on the market before September 1, 2013 and an appropiate claim is made until september 1, 2016, the use of Endosulfane is possible until a decision had been made. If the product, which has been treated with Endosulfane, has not been on the market before, the use is not allowed.

(…)’

2.5.

Nadat TCC op de hoogte was gebracht van de bevindingen van TÜV, heeft zij medio februari 2014 ook opdracht gegeven aan TÜV Rheinland Hong Kong (hierna: TÜV Hong Kong) om de snijplanken te onderzoeken. Het rapport van TÜV Hong Kong van 4 maart 2014 luidt, voor zover relevant:

‘(…)

Test Specification Test result

Customer’s requirement:

1. Sensorial examenation FAIL

2. Pesticide PASS

(…)

1 Sensorial examination

(…)

3 = clear deviation

4 = strong deviation

Limit: 3 (failed)

(….)

Parameter Result

transfer of smell into foodstuffs 3.5 (*1)

transfer of taste into foodstuffs 3.5 (*1)

Remark:

*1 The submitted product shows a clear deviation with regard to the transfer of smell and taste to the food simulant

(…)’

2.6.

Ter verkrijging van nog meer zekerheid heeft een Duits zusterbedrijf van TCC in maart 2014 opdracht gegeven aan EUDico GmbH (hierna: Eudico) om de snijplanken te onderzoeken. Het rapport van Eudico van 28 april 2014 luidt, voor zover relevant:

‘(…)

The analyses detected the transfer of substances of toxicological concern in relevant amounts on the food stimulant. Consequently the product does not meet the requirements of the article 3 (1) a) REGULATION (EC) No. 1935/2004 in conjunction with § 31 LFGB. A health risk has to be assessed with toxicological evaluation.

(…)’

2.7.

TCC heeft de snijplanken vervolgens teruggehaald; de loyaliteitsactie is niet doorgegaan. Namens TCC heeft diens vaste logistieke partner Vos Logistics (hierna: Vos) de snijplanken tussen 17 en 24 juni 2014 in twaalf zendingen naar [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) verzonden. [bedrijf 1] is een handelsonderneming in gebruikte pallets, die onder meer de beschikking heeft over twee shredder installaties om houtafval mee te vermalen. Vos was op advies van een van haar zakelijke contacten ( [naam 1] , hierna: [naam 1] ), in contact gekomen met [bedrijf 1] .

2.8.

Op 9 juli 2014 bereikte TCC het bericht dat de snijplanken op het internet ter verkoop zouden zijn aangeboden. TCC heeft naar aanleiding van deze geruchten contact opgenomen met Vos, die op haar beurt via [naam 1] navraag heeft gedaan bij [bedrijf 1] . [naam 2] , [functie] van [bedrijf 1] , heeft vervolgens bij brief van 10 juli 2014 onder meer het volgende aan [naam 1] geschreven:

‘Beste [naam 1] ,

In reactie op je bericht vanmorgen dat de partij “chopping boards” die bij ons in opslag staat, ter verkoop is aangeboden wol ik als volgt reageren.

Wij kennen elkaar lang genoeg om zeker te zijn dat een afspraak tussen ons beiden niet geschonden zal worden, daarom betreur ik het feit dat dit verhaal de ronde doet.

Ik zal je informeren hoe wij te werk zijn gegaan in zake dit project:

Gebaseerd op jouw informatie zou hier ongeveer 220 KTon houten snijplanken aangeleverd worden ter vernietiging. Ik ben na de eerste levering de markt opgegaan en heb deze partij bij diverse grootverbruikers van houtspaanders, recyclebedrijven, afvalverwerkers en afvalstroom management bedrijven aangeboden. Ik heb overal volle dozen als voorbeeld achtergelaten en er zijn hier ook mensen geweest om de partij te bekijken. Wellicht heeft één van deze partijen gedacht iets meer te kunnen verdienen door deze goederen te verkopen in plaats van ze vermalen.

De huidige stand van zaken is als volgt: de eerste 50 KTon is vorige en begin deze week in de shredder gegaan het restant staat nog in opslag. Tijdens deze exercitie is de shredder beschadigd en deze wordt nu gerepareerd, waarschijnlijk kunnen vrijdag en zaterdag het vermalen hervatten.

(…)’

2.9.

GSP heeft in drie transacties (van respectievelijk 15, 25 en 29 juli 2014) in totaal 33.324 snijplanken gekocht en geleverd gekregen van Trading Park B.V. (hierna: Trading Park), voor een totale koopprijs van € 77.741,85 inclusief btw.

2.10.

GSP heeft de snijplanken vervolgens tegen een totale prijs van € 103.409,99 doorverkocht aan vier kopers, onder wie [bedrijf 2] Laatstgenoemde heeft na een melding van een klant aan GSP medegedeeld dat de snijplanken vermoedelijk giftige stoffen bevatten en GSP aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade. Ook de overige drie kopers hebben GSP aansprakelijk gesteld; één koper is reeds tot ontbinding van de koopovereenkomst en terugvordering van de betaalde koopsom overgegaan.

2.11.

GSP heeft TCC aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade. Ook heeft de advocaat van GSP op 27 oktober 2014 aan het Openbaar Ministerie verzocht om een strafrechtelijk onderzoek te beginnen tegen TCC wegens een vermoedelijke overtreding van artikel 1 sub 4 Wet op de economische delicten jo. artikel 4 Warenwet jo. artikel 2 Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksmaterialen, omdat - kort gezegd - TCC producten die strijdig zijn met artikel 3 lid 1 van EG-Verordening 1935/2004 zou hebben vervaardigd, op voorraad zou hebben gehad en zou hebben verhandeld.

3 Het geschil

3.1.

GSP vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i. voor recht verklaart dat TCC onrechtmatig jegens GSP heeft gehandeld door de snijplanken niet te vernietigen, althans door de snijplanken in het economische verkeer te brengen, althans niet te hebben verhinderd dat de snijplanken in het verkeer zijn gebracht en aansprakelijk is voor de dientengevolge door GSP geleden schade;

ii. TCC veroordeelt tot betaling van de onder i. bedoelde schade, nader op te maken bij staat;

iii. TCC veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, zo nodig te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

GSP legt aan haar vordering ten grondslag dat TCC niet al het noodzakelijke heeft gedaan dat in de gegeven omstandigheden van haar mocht worden verwacht om te voorkomen dat de snijplanken in het handelsverkeer terecht kwamen. Daartoe stelt GSP dat TCC niet ervoor heeft zorggedragen en erop heeft toegezien dat de snijplanken werden vernietigd door een daartoe gekwalificeerd destructiebedrijf, maar in plaats daarvan, zonder schriftelijke opdracht, de vernietiging aan Vos heeft overgelaten, die de opdracht vervolgens via [naam 1] aan [bedrijf 1] heeft verstrekt, wat geen daartoe uitgerust gecertificeerd bedrijf was maar een tweedehands pallethandelaar. Daarnaast heeft TCC zich er onvoldoende van vergewist dat de snijplanken ook daadwerkelijk waren vernietigd, zelfs niet nadat haar in juli 2014 signalen hadden bereikt dat er snijplanken in het handelsverkeer waren beland. Zo heeft TCC niet om een gecertificeerd bewijs van vernietiging gevraagd. GSP stelt dat zij als gevolg van dit onzorgvuldig handelen schade heeft geleden, aangezien de kopers van de snijplanken de koopovereenkomsten zullen ontbinden, waardoor GSP niet alleen haar winst van € 25.668,14 misloopt, maar mogelijk ook met schadevergoedingsvorderingen van de kopers zal worden geconfronteerd.

3.3.

TCC voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling kan, naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten, als vaststaand tot uitgangspunt dienen dat TCC begin juni 2014, nadat zij kennis had genomen van de rapporten van TÜV, TÜV Hong Kong en Eudico, aan haar vaste expediteur Vos opdracht heeft gegeven om alle snijplanken te vernietigen. De rechtbank gaat niet mee in de suggestie van GSP dat TCC zou hebben opgedragen om (een deel van) de snijplanken onder de tafel te verhandelen, nu daarvoor geen enkele aanwijzing te vinden is (en evenmin door GSP is aangedragen). Verder kan als vaststaand worden aangenomen dat Vos vervolgens in haar zoektocht naar een vernietigingsbedrijf via haar zakelijke kennis [naam 1] op het spoor van [bedrijf 1] is gekomen, waarna [naam 1] met [bedrijf 1] is overeengekomen dat [bedrijf 1] de planken met behulp van de shredders zou versnipperen, onder de afspraak dat [bedrijf 1] hiervoor geen kosten in rekening zou brengen, maar wel de houtsnippers mocht behouden en verhandelen.

4.2.

[bedrijf 1] heeft zich echter niet aan deze opdracht gehouden. In een e-mail van 25 oktober 2014 verklaart [naam 2] dat hij, nadat er bij het vernietigen brandschade was ontstaan aan een van de shredders, de gehele resterende partij snijplanken heeft verkocht en geleverd aan Compass Industrieservice und Handels GmbH (hierna: Compass).

Uiteindelijk is een deel van de aan Compass verkochte snijplanken - direct of indirect, onduidelijk is of hier nog andere handelaren tussen zitten - via de vennootschappen RH Trading, Northstock en Trading Park terecht gekomen bij GSP.

4.3.

Tussen partijen is thans in geschil of en zo ja, in hoeverre het aan TCC te wijten is dat GSP aldus snijplanken in handen heeft gekregen die niet in het verkeer mochten worden gebracht. De kernvraag die partijen daarbij verdeeld houdt, is of TCC voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat (een deel van) de snijplanken (alsnog) in het handelsverkeer zou(den) belanden. Meer concreet komt het erop aan of TCC, zoals GSP betoogt, onvoldoende zorgvuldig is geweest door niet zelf erop toe te zien dat de snijplanken door een daartoe gecertificeerd destructiebedrijf werden vernietigd, maar het vernietigen aan Vos over te laten, zonder er vervolgens voldoende adequaat op toe te zien dat de planken ook daadwerkelijk alle waren vernietigd.

4.4.

Het antwoord op die vraag hangt af van alle omstandigheden van het geval. Een van de gezichtspunten die daarbij een rol speelt, is de aard en ernst van de mogelijke (gezondheids)schade die zich zou kunnen voordoen indien een paar of meerdere snijplanken alsnog onverhoopt in het handelsverkeer zouden belanden. Indien die schade immers groter is, neemt ook de zorgplicht van TCC toe om te voorkomen dat de snijplanken de consument niet kunnen bereiken. Anderzijds moet ook meewegen hoe groot de kans was dat die schade daadwerkelijk zou optreden oftewel, meer toegespitst op deze zaak, hoe groot de kans was dat een deel van de snijplanken buiten het zicht van TCC zou worden verhandeld of weggesluisd.

4.5.

GSP heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat TCC in dit geval een vergaande zorgplicht had, omdat uit de rapporten van TÜV, TÜV Hong Kong en Eudico naar voren was gekomen dat de snijplanken in strijd waren met artikel 3 lid 1 sub a van de Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 (hierna: de Verordening) en een gevaar voor de volksgezondheid vormen.

4.6.

Artikel 3 lid 1 van de Verordening luidt, voor zover van belang:

‘1. Materialen en voorwerpen, inclusief actieve en intelligente materialen en voorwerpen, dienen overeenkomstig goede fabricagemethoden te worden vervaardigd, zodat zij bij normaal of te verwachten gebruik geen bestanddelen afgeven aan levensmiddelen in hoeveelheden die:

a. a) voor de gezondheid van de mens gevaar kunnen opleveren;

(…)

of

c) tot een aantasting van de organoleptische eigenschappen van de levensmiddelen kunnen leiden.’

4.7.

TCC heeft in dit verband aangevoerd dat uit het rapport van TÜV Hong Kong blijkt dat de snijplanken alleen de toets aan sub c (kort gezegd: aantasting van de geur en smaak van het voedsel) niet konden doorstaan. Dit is juist. Anderzijds kwamen uit de rapporten van TÜV en Eudico weldegelijk aanwijzingen naar voren dat de snijplanken eveneens in strijd waren met artikel 3 lid 1 sub a van de Vordening. Eudico had dit laatste ook met zoveel woorden in haar rapport opgenomen. Daar staat tegenover dat GSP onvoldoende heeft onderbouwd dat en zo ja waar, uit die beide rapporten naar voren kwam dat de snijplanken bij gebruik ernstige gezondheidsschade zouden kunnen berokkenen. Weliswaar staat in het rapport van TÜV dat de snijplanken een ontoelaatbare hoeveelheid Beta-Endosulfaan bevatten, maar in de toelichting staat vervolgens dat het gebruik van deze stof voorlopig is toegestaan indien het desbetreffende artikel al voor 1 september 2013 op de markt is gebracht en er voor 1 september 2016 een verzoek tot goedkeuring voor het gebruik daarvan is gedaan (zie 2.4). Met andere woorden, uit dit testresultaat blijkt niet onmiddellijk dat de snijplanken stoffen bevatten die een groot en ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormen. Evenmin heeft GSP, op wie in dit verband de stelplicht en bewijslast rusten, met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat uit het rapport van Eudico bleek dat er een ernstig gevaar van de snijplanken uitging. GSP heeft er alleen op gewezen dat in het rapport staat ‘A health risk has to be assessed with a toxilogical evaluation’, maar die mededeling zegt op zichzelf nog niets over de aard, ernst en omvang van de aanwezige schadelijke stoffen. Bovendien zou het evengoed kunnen, zoals TCC heeft aangevoerd, dat de gezondheidsschade bij dit nadere toxicologisch onderzoek zou worden genuanceerd.

4.8.

GSP heeft in dit verband nog als aanvullende productie 3 een rapport d.d. 16 september 2014 van een in opdracht van [bedrijf 2] door TNO Triskelion B.V. (hierna: TNO) uitgevoerd onderzoek ingebracht, waaruit volgens GSP blijkt dat de in snijplanken een onacceptabele hoeveelheid van de kankerverwekkende stof dichloorethaan was aangetroffen, maar dit rapport speelt bij de afweging of TCC aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan geen rol, aangezien gesteld noch gebleken is dat TCC ten tijde van de opdracht tot vernietiging van de planken met dit onderzoek of de uitkomsten daarvan bekend was of had kunnen zijn. GSP heeft ook niet gesteld en/of toegelicht dat in de rapporten van TÜV, TÜV Hong Kong en Eudico aanwijzingen te vinden waren dat de snijplanken ontoelaatbare concentraties van deze stof bevatten.

4.9.

De tussenconclusie is dan ook dat TCC er destijds in juni 2014 op basis van de bij haar bekende informatie bekend mee geacht moet zijn geweest dat de snijplanken in strijd waren met artikel 3 lid 1 sub a van de Verordening en deze aldus (mede) vanwege een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid niet op de markt mocht brengen, maar dat er anderzijds uit die drie rapporten geen aanwijzingen voortvloeien dat de snijplanken zeer ernstige concentraties gevaarlijke (bijvoorbeeld kankerverwekkende) stoffen bevatten.

Tegen deze achtergrond valt voorshands niet in te zien waarom TCC de opdracht tot vernietiging niet heeft mogen uitbesteden aan haar vaste logistieke partner Vos, bij wie de planken op dat moment in opslag stonden, maar zelf op de vernietiging had moeten toezien of de opdracht direct aan een gecertificeerd vernietigingsbedrijf had moeten geven.

In dit verband weegt ook mee dat TCC voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Vos een professionele en betrouwbare contractspartner was, zodat zij er in beginsel ook op mocht vertrouwen dat Vos de aan haar gegeven opdracht naar behoren zou uitvoeren.

4.10.

Dan kan vervolgens de vraag worden gesteld, of TCC zelf (meer) toezicht op de vernietiging had moeten houden toen haar bekend werd dat de snijplanken ter vernietiging zouden worden aangeboden bij [bedrijf 1] . Deze vraag moet eveneens ontkennend worden beantwoord. GSP heeft namelijk geen feiten en omstandigheden aangevoerd - en evenmin is gebleken - dat TCC erop bedacht had moeten zijn dat [bedrijf 1] de opdracht niet deugdelijk zou uitvoeren en (een deel van) de snijplanken zou gaan verhandelen. Daaraan niet af dat [bedrijf 1] geen gecertificeerd vernietigingsbedrijf was, maar een pallethandelaar. De enkele omstandigheid dat [bedrijf 1] niet over een ISO-certificaat beschikte en geen vergoeding bedong, maar de houtsnippers wilde behouden, maakt immers nog niet dat er een grotere kans was dat [bedrijf 1] een deel van de snijplanken zou kwijtraken of in strijd met de aan haar gegeven opdracht niet zou vernietigen, maar zou verkopen.

GSP heeft in dit verband nog gesteld dat TCC heeft nagelaten een schriftelijke opdracht tot vernietiging te verstrekken, maar zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt voorshands niet in te zien hoe het op schrift stellen van de opdracht het risico op het in het verkeer belanden van de snijplanken zou hebben verkleind. Feit is in elk geval dat [bedrijf 1] de opdracht had om de snijplanken te vernietigen en niet om de snijplanken te verkopen, zoals uit de brief van 10 juli 2014 van [naam 2] ook blijkt (zie 2.8).

4.11.

Evenmin is de rechtbank van oordeel dat TCC onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld toen zij vernam dat er mogelijk snijplanken op het internet te koop werden aangeboden. Vast staat namelijk dat TCC toen onmiddellijk via Vos contact heeft laten opnemen met [bedrijf 1] . TCC kreeg vervolgens als antwoord [naam 2] dat hij 50 KTon had vermalen, dat het restant in de opslag stond en dat het vermalen na het repareren van de shredder zou worden hervat. Die mededeling bleek onjuist. Gebleken is dat [bedrijf 1] de snijplanken aan een derde partij heeft verkocht. Het heeft er ook alle schijn van dat dit toen al lang en breed was gebeurd, aangezien er een factuur van 4 juli 2014 van RH Trading aan Northstocks is opgedoken, waarin RH Trading 150.500 snijplanken voor een prijs van € 1,13 per stuk aan Northstocks verkoopt (productie 8 bij Conclusie van Antwoord). Wat daar ook van zij, TCC hoefde er in elk geval geen rekening mee te houden dat zij op dit moment door [bedrijf 1] onjuist werd voorgelicht. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van GSP dat TCC zich er persoonlijk van had moeten vergewissen dat [bedrijf 1] de opdracht daadwerkelijk had uitgevoerd. Onder de gegeven omstandigheden hoefde niet van TCC te worden verwacht dat zij er persoonlijk ter plaatse op toezag dat de snijplanken door [bedrijf 1] door de shredder werden gehaald; zij mocht er in beginsel vanuit gaan met een professionele en betrouwbare wederpartij te maken te hebben en dat de door [bedrijf 1] verstrekte informatie juist was. Om diezelfde reden treft ook het verwijt van GSP dat TCC om een certificaat van vernietiging had moeten vragen geen doel. Daarbij kan tevens worden opgemerkt dat voorshands niet valt in te zien welke meerwaarde een dergelijk bewijsstuk zou hebben gehad, in het licht van het feit dat de door [bedrijf 1] verstrekte informatie kennelijk niet altijd even betrouwbaar was. Bovendien is geenszins ondenkbaar dat TCC er ook in dat geval pas achter zou zijn gekomen dat de snijplanken eigenlijk waren verkocht, nadat de snijplanken al door GSP waren gekocht en doorverkocht, in welk geval GSP evengoed de schade zou hebben geleden die zij thans stelt te hebben geleden.

4.12.

De conclusie is dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat TCC in de gegeven omstandigheid niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar mocht worden verwacht, zodat van onrechtmatig handelen van TCC jegens GSP geen sprake is.

GSP heeft in dit verband nog gesteld dat de onrechtmatigheid van het handelen van TCC een gegeven is, omdat de gedragingen van TCC kwalificeren als strafbaar feit (art. 4 Warenwet jo. art. 2 Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksmaterialen jo. art.1 sub 4 Wet op de Economische delicten). Dit standpunt wordt gepasseerd. Nog afgezien van de vraag of deze wettelijke bepalingen, die zijn geschreven ter bescherming van de gezondheid van de mens en de belangen van de consument, er (ook) toe strekken om opkopers van ontoelaatbare producten te beschermen tegen vermogensschade (artikel 6:163 BW), is niet gebleken dat TCC de snijplanken heeft verhandeld of met dat doel op voorraad heeft gehouden. Vast staat immers dat TCC, na terugname van de snijplanken, opdracht gegeven om deze te vernietigen en zoals hiervoor al is overwogen, kan het niet aan TCC worden verweten dat die opdracht vervolgens niet correct is uitgevoerd. Tegen deze achtergrond valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien hoe TCC kan worden verweten een strafbaar feit te hebben begaan.

4.13.

Nu de vorderingen reeds op grond van het bovenstaande moeten worden afgewezen, behoeven de overige stellingen van partijen (waaronder het causaal verband tussen daad en schade) geen bespreking. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt GSP veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van TCC begroot op € 608,- aan griffierecht en € 908,- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 452,-), aldus in totaal: € 1.516,-. Voorts zal GSP worden veroordeeld in de nakosten, begroot zoals hierna weergegeven.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt GSP in de proceskosten, aan de zijde van TCC begroot op € 1.516,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na ingebrekestelling zijn voldaan;

5.3.

veroordeelt GSP in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat GSP niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.1

1 type: coll:*