Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
C/13/564244 / HA ZA 14-452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

cessie, verrekening, voldoende nauwe samenhang (6:127 BW)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/564244 / HA ZA 14-452

Vonnis van 15 juli 2015

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

EXPO BÖRSE GMBH,

gevestigd te Ankum (Duitsland),

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. V.J.M. Verlinden-Masson te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STELLA GIOIA B.V.,

statutair gevestigd te Moordrecht, kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Expo Börse en Stella genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van Expo Börse van 23 april 2014, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in voorwaardelijke reconventie van Stella;

  • -

    het door Stella als productie overgelegde procesdossier uit de procedure tussen Joystar B.V. (thans: Stella) en Expo Börse bij de rechtbank Rotterdam (346638 / HA ZA 10-206) en het Hof Den Haag (200.109.223/01);

  • -

    het tussenvonnis van 27 augustus 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 december 2014 en de daarin genoemde conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties, van Expo Börse.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vennootschap naar Duits recht [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) heeft in 2008 tennisrackets en tennisballen verkocht en geleverd aan Stella (toen geheten: Joystar, maar ter vereenvoudiging hierna telkens Stella genoemd). [bedrijf] heeft hiervoor, in zeven facturen, een bedrag van in totaal € 228.074,21 bij Stella in rekening gebracht, als volgt opgebouwd:

a. in april 2008 (twee facturen): in totaal € 77.683,-,

b. op 17 juni 2008 (drie facturen): in totaal € 135.631,44,

c. op 2 juli 2008 (twee facturen): in totaal € 14.759,77).

2.2.

Stella heeft de tennisrackets- en ballen vervolgens voor € 201.684,10 verkocht en geleverd aan Expo Börse. Expo Börse heeft een bedrag van € 50.200,05 door middel van overboeking aan Stella voldaan, zodat van de koopsom nog € 151.484,05 resteerde.

2.3.

Bij akte van cessie van 18 juni 2008 heeft [bedrijf] haar vordering met betrekking tot de onder 2.1 (b) genoemde facturen aan Expo Börse gecedeerd. Bij akten van cessie van 22 september 2008 heeft [bedrijf] datzelfde gedaan met de onder 2.1 (c) genoemde facturen en € 1.092,84 van het onder 2.1 (a) genoemde factuurbedrag. Aldus heeft Expo Börse in totaal een bedrag van (eveneens) € 151.484,05 van [bedrijf] gecedeerd gekregen, welk bedrag Expo Börse per bank aan [bedrijf] heeft betaald (€ 113.976,- op 23 juni 2008 en € 37.508,05 op 10 oktober 2008).

2.4.

Expo Börse heeft Stella bij brieven van respectievelijk 27 juni 2008 en 22 september 2008 op de hoogte gesteld van de cessies. In diezelfde brieven heeft Expo Börse aan Stella medegedeeld, dat zij de gecedeerde vordering verrekent met het nog door Expo Börse aan Stella verschuldigde bedrag (in de brief van 27 juni 2008 bericht Expo Börse van een cessie van € 113.976,- en van verrekening daarvan met de schuld van Stella, in de brief van 22 september 2008 van een bedrag van € 37.508,05), zodat, aldus Expo Börse in haar laatste brief, zij per saldo niets meer aan Stella is verschuldigd.

2.5.

Stella is eind 2009 een incassoprocedure begonnen bij de rechtbank Rotterdam om het resterende factuurbedrag van € 151.484,05 van Expo Börse betaald te krijgen. Expo Börse heeft zich in die procedure op het standpunt gesteld dat de vordering van Stella door verrekening teniet is gegaan. Stella heeft daartegenover betoogd dat de door Expo Börse gepretendeerde verrekening geen doel treft, omdat Stella bij e-mail van 24 juni 2008 (evenals de dag daarvoor per telefoon) aan Expo Börse heeft medegedeeld dat zij een eigen verrekenbare vordering ter hoogte van € 238.159,56 op [bedrijf] had in verband met verschuldigde provisie en leveringen. De rechtbank Rotterdam heeft dit eigen verrekeningsverweer van Stella gehonoreerd en de vordering van Stella grotendeels toegewezen. Expo Börse heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

2.6.

Het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) heeft Expo Börse bij arrest van 18 maart 2014 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 118.006,38, vermeerderd met rente en kosten. Het hof heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.

Het bericht van Stella van 24 juni 2008 kan niet worden opgevat als een verrekeningsverweer, maar moet worden gekwalificeerd als een opschorting van de betaling van de (aan Expo Börse gecedeerde) schuld aan [bedrijf] , gedaan met het oog op een nog uit te voeren verrekening.

Die opschorting slaagt echter maar tot een bedrag van € 80.498,31, omdat de tegenvorderingen van Stella op [bedrijf] , gelet op de datum van de verschillende facturen en de daarin genoemde betalingstermijn van 30 dagen, op 23 juni 2008 slechts tot een bedrag van € 80.498,31 opeisbaar waren.

Voor het overige was de door [bedrijf] op 18 juni 2008 aan Expo Börse gecedeerde vordering tot een bedrag van € 113.976,- wel afdwingbaar (zie voor dat bedrag hiervoor 2.4.). De verrekeningsverklaring van Expo Börse van 23 juni 2008 heeft dus tot gevolg gehad dat de schuld van Expo Börse aan Stella voor een bedrag van € 33.477,69 (€ 113.976,- minus € 80.498,31) op de voet van artikel 6:127 lid 1 BW door verrekening teniet is gegaan. Voor het overige deel van de door [bedrijf] aan Expo Börse gecedeerde vorderingen (zijnde € 80.498,31 + € 37.508,05 = € 118.006,36), die Expo Börse met haar schuld aan Stella wil verrekenen, geldt dat zal moeten worden onderzocht of (en zo ja, tot welk bedrag) Stella ter zake tegenvorderingen kan doen gelden jegens [bedrijf] en aldus bevoegd was om de betaling van haar (gecedeerde) schuld aan [bedrijf] op te schorten. Indien dat laatste het geval is, is de gecedeerde vordering bij gebreke aan afdwingbaarheid immers niet voor verrekening vatbaar (artikel 6:127 lid 2 BW), aldus het hof. Stella heeft de gepretendeerde tegenvorderingen (op één na) voldoende feitelijk onderbouwd. Expo Börse heeft daartegenover het bestaan daarvan gemotiveerd betwist. Aldus zal volgens het hof voor het antwoord op de vraag of en zo ja, tot welk bedrag Stella tegenvorderingen heeft op [bedrijf] , uitvoerige bewijslevering niet achterwege kunnen blijven. Het hof heeft om die reden het verrekeningsberoep van Expo Börse tot een bedrag van € 118.006,36 op de voet van artikel 6:136 BW gepasseerd.

2.7.

Expo Börse heeft naar aanleiding van het arrest van het hof een bedrag van € 118.006,36, vermeerderd met rente en kosten, betaald op de derdenrekening van de advocaat van Stella. Op of omstreeks diezelfde periode heeft Expo Börse ten laste van Stella conservatoir derdenbeslag gelegd onder de derdenrekening en diverse bankinstellingen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Expo Börse vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Stella veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan Expo Börse een bedrag van € 118.006,38 te betalen, vermeerderd met de vertragingsrente ex artikel 288 lid 2 van het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB), althans de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, vanaf 30 mei 2008 over € 102.153,77 en vanaf 3 augustus 2008 over € 15.852,61. Daarnaast vordert Expo Börse betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.084,40 en de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

Expo Börse legt aan de vordering ten grondslag dat zij van [bedrijf] een uit de verkoop van de tennisrackets voortvloeiende opeisbare vordering op Stella van in totaal € 151.484,05 gecedeerd heeft gekregen, waarvan Expo Börse slechts € 33.477,69 in de procedure bij de rechtbank Rotterdam en het hof heeft kunnen verrekenen, zodat een door Stella aan Expo Börse te betalen bedrag van € 118.006,38 resteert.

3.3.

Stella voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

Stella vordert, voor zover de rechtbank van oordeel is dat de vordering in conventie niet is verjaard en evenmin door verrekening door Stella is opgehouden te bestaan, dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat Stella bevoegd is om de vorderingen die zij jegens [bedrijf] heeft te verrekenen met de door Expo Börse ingestelde vordering en (ii) in goede justitie de verrekenbare vordering van Stella vaststelt, een en ander met veroordeling van Expo Börse in de proceskosten.

3.5.

Stella stelt kort gezegd dat zij in verband met verschuldigde provisie en leveringen van partijen nog een openstaande vordering ter hoogte van in totaal € 238.159,56 heeft op [bedrijf] , die zij met de door [bedrijf] aan Expo Börse gecedeerde vordering kan verrekenen.

3.6.

Expo Börse voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gezien de nauwe samenhang tussen de conventionele en de voorwaardelijke reconventionele vordering zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.

overlegging procesdossier uit Rotterdamse procedure

4.2.

Daaraan voorafgaand, wordt nog het volgende overwogen. Stella heeft als productie 12 het volledige procesdossier uit de bij de rechtbank Rotterdam gevoerde procedure overgelegd. Expo Börse heeft daar op de comparitiezitting bezwaar tegen gemaakt, omdat het zonder nadere toelichting overleggen van een dergelijk omvangrijk processtuk uit een andere procedure in strijd is met de goede procesorde (vgl. HR 10 juli 2009, NJ 2010, 128). De rechtbank passeert dit bezwaar. Stella heeft onder randnummer 22 van haar conclusie van antwoord in deze procedure gesteld dat zij ter onderbouwing van de voorwaardelijke reconventionele vordering verwijst naar de randnummers 17 tot en met 32 van de tot het procesdossier behorende conclusie na tussenvonnis van 18 mei 2011, alsmede de daarbij gevoegde producties 39 t/m 48. Daarmee heeft Stella voldoende concreet en duidelijk gesteld op welke onderdelen van het overgelegde procesdossier zich wenst te beroepen. Expo Börse heeft bij dagvaarding (onder randnummer 24) ook concreet op deze onderdelen gereageerd, door overlegging van en verwijzing naar haar antwoordconclusie van 13 juli 2011 (productie 13) en een tweetal schriftelijke verklaringen van dhr. Schulte (productie 14). De rechtbank zal de genoemde onderdelen uit het procesdossier van de incassoprocedure dan ook in haar beoordeling betrekking. Datzelfde geldt voor andere onderdelen uit dat dossier waarnaar partijen concreet hebben verwezen. Voor het overige wordt de inhoud van het procesdossier uit de incassoprocedure buiten beschouwing gelaten.

vordering € 4.520,16

4.3.

Expo Börse heeft onder punt 9 van haar dagvaarding melding gemaakt van een andere vordering van [bedrijf] op Stella ten bedrage van € 4.520,16. Die vordering zal hierna onbesproken blijven, nu niet is gebleken dat deze deel uitmaakt van de vordering die Expo Börse in de conventionele procedure heeft ingesteld.

verjaring

4.4.

Stella heeft in conventie als meest verstrekkende verweer gesteld dat de door [bedrijf] aan Expo Börse gecedeerde vorderingen zijn verjaard.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vraag of sprake is van verjaring moet worden beantwoord naar Duits recht, nu dit recht op grond van de artikelen 4 lid 2 en 17 van het ‘Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst’ (Trb. 1980, 156, Trb. 1991,109 en Trb. 1997, 70; hierna ook: EVO), dat van toepassing is op internationale overeenkomsten die vóór 19 december 2009 zijn gesloten, op de gecedeerde vorderingen van toepassing is.

4.6.

Op grond van artikel 195 BGB is op de gecedeerde vorderingen een verjaringstermijn van drie jaren van toepassing, welke termijn aanvangt na het einde van het jaar waarin de vordering opeisbaar is geworden (artikel 199 lid 1 BGB). Niet in geschil is, dat de verjaring van de vorderingen derhalve vanaf 31 december 2008 is gaan lopen.

4.7.

Stella stelt dat deze verjaringstermijn inmiddels is verlopen. Volgens Stella wordt

de verjaring van een handelsvordering naar Duits recht slechts gestuit door het instellen een rechtsvordering, wat Expo Börse niet tijdig heeft gedaan. Expo Börse heeft immers geen vordering in reconventie ingesteld in de door Stella aanhangig gemaakte incassoprocedure, aldus Stella.

4.8.

De rechtbank verwerpt dit standpunt en overweegt daartoe als volgt. Artikel 204 lid 1 sub 5 BGB bepaalt dat de verjaring van een vordering ook wordt gestuit, wanneer in een gerechtelijke procedure een beroep op verrekening van die vordering wordt gedaan (Die Verjährung wird gehemmt durch (…) die Geltendmachung der Aufrechnung des Anspruchs im Prozess). Uit een door Expo Börse overgelegd rechtsgeleerd commentaar (Bamberger/Roth, Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, artikel 204, onder 27) blijkt dat het voeren van het verweer dat er buitengerechtelijke verrekening heeft plaatsgevonden eveneens als een ‘Geltendmachung der Aufrechnung des Anspruchs im Prozess’ in de zin van 204 lid 1 sub 5 BGB moet worden aangemerkt. Onweersproken is, dat Expo Börse in haar conclusie van antwoord van 27 januari 2010 in de incassoprocedure het verweer heeft gevoerd dat zij de daarin door Stella ingestelde vordering door middel van een buitengerechtelijke verklaring had verrekend met de onderhavige, door [bedrijf] gecedeerde vorderingen. Aldus heeft Expo Börse de verjaring van die laatste vorderingen ingevolge artikel 204 lid 1 sub 5 BGB op 27 januari 2010 tijdig gestuit.

Artikel 204 lid 2 BGB bepaalt vervolgens, dat de verjaring zes maanden na de onherroepelijke beslissing in de gerechtelijke procedure weer gaat lopen (Die Hemmung nach Absatz 1 endet sechs Monate nach der rechtskräftigen Entscheidung oder anderweitigen Beendigung des eingeleiteten Verfahrens). In dit geval heeft Expo Börse binnen een termijn van zes maanden na het onherroepelijk geworden arrest van het hof van 18 maart 2014 een nieuwe rechtsvordering ingesteld (namelijk op 23 april 2014), zodat de verjaring gestuit is gebleven en de verjaringstermijn van drie jaren tot op heden nog niet is verstreken. Het verjaringsverweer van Stella slaagt dan ook niet.

4.9.

Stella heeft ter comparitie aangeboden om over de verjaring advies te laten uitbrengen door een Duitse advocaat, maar dat aanbod wordt gepasseerd. Stella heeft namelijk niet toegelicht, laat staan nader onderbouwd, waarom de vordering van Expo Börse ondanks het bovenstaande naar Duits recht toch zou zijn verjaard.

verrekening

4.10.

Stella beroept zich - subsidiair - op verrekening van de aan Expo Börse gecedeerde vordering met tegenvorderingen van Stella op [bedrijf] . In dat verband stelt Stella in de eerste plaats dat de gecedeerde vordering door verrekening teniet is gegaan, aangezien Stella bij brief van 18 september 2008 aan het Finanzambt Kleve van 18 september 2008 heeft bericht dat zij de schuld aan [bedrijf] verrekende met een aantal tegenvorderingen op [bedrijf] van in totaal € 238.159,56. Voor zover de rechtbank dit standpunt niet mocht volgen, vordert Stella in reconventie een verklaring voor recht dat zij tot verrekening met de voornoemde tegenvorderingen bevoegd is.

4.11.

Bij de beoordeling van dit verweer dient zich allereerst de vraag aan welk recht van toepassing is. Immers, zowel de vordering in conventie als de door Stella gepresenteerde tegenvorderingen hebben betrekking op kooptransacties tussen respectievelijk in Nederland en Duitsland gevestigde partijen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.12.

De vordering in conventie heeft betrekking op een koopovereenkomst betreffende roerende zaken, gesloten tussen partijen die elk waren gevestigd in een staat, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in oktober 2010, partij was bij het op 11 april 1980 te Wenen gesloten Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (hierna: het WKV). Dat betekent dat de bepalingen van het WKV op de vordering in conventie van toepassing zijn. Voor zover zich bij de beoordeling vragen voordoen die niet uitdrukkelijk in het WKV zijn geregeld, dienen deze te worden beantwoord volgens het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht (artikel 7 lid 2 WKV). Zoals onder 4.5 al is overwogen, is dat Duits recht.

4.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat ingevolge artikel 4 lid 2 EVO op de door Stella gepresenteerde tegenvorderingen Nederlands recht van toepassing is. Voorts zijn ook in dit verband, waar de vordering betrekking heeft op een koopovereenkomst die door Stella of een andere in Nederland gevestigde partij met [bedrijf] is gesloten, de bepalingen van het WKV van toepassing.

4.14.

Resteert de vraag naar welk recht het beroep op verrekening van deze tegenvorderingen moet worden beoordeeld. Dit onderwerp is niet geregeld in het WKV, zodat dit aan de hand van het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht moet worden beoordeeld. Artikel 10 lid 1 sub d EVO bepaalt in dat verband dat het recht dat ingevolge artikel 4 EVO op de overeenkomst van toepassing is, ook de wijze waarop de verbintenis teniet gaat beheerst. De rechtbank begrijpt, nu Expo Börse zulks heeft gesteld (conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 14) en Stella op haar beurt niet heeft weersproken, dat partijen het erover eens zijn dat op het beroep op verrekening van Stella Nederlands recht van toepassing is, aangezien de tegenvorderingen in dit verband als de hoofdvordering hebben te gelden. De rechtbank zal het beroep op verrekening dan ook naar Nederlands recht beoordelen.

4.15.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verrekeningsberoep van Stella. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.16.

[bedrijf] heeft bij akten van 18 juni 2008 en 22 september 2008 vorderingen op Stella aan Expo Börse gecedeerd, tot een bedrag van € 151.484,05. Deze vorderingen hielden verband met de levering van partijen tennisrackets- en ballen van [bedrijf] aan Stella, die later door Stella aan Expo Börse zijn doorgeleverd. Expo Börse heeft op 27 juni 2008 en 22 september 2008 aan Stella medegedeeld dat zij de gecedeerde vorderingen van [bedrijf] verrekende met de nog door haar aan Stella verschuldigde koopsom voor doorgeleverde tennisartikelen, die op dat moment € 151.484,05 bedroef. Die stelling heeft Expo Börse ook in de door Stella aangespannen incasssoprocedure ingenomen.

4.17.

Het hof heeft in die incassoprocedure het verrekeningsberoep van Expo Börse op de voet van artikel 6:136 BW tot een bedrag van € 118.006,38 gepasseerd (zie 2.6). Expo Börse vordert thans in conventie betaling van dat deel van de gecedeerde vorderingen.

4.18.

Stella heeft de verschuldigdheid van de gecedeerde vorderingen op zichzelf niet weersproken, maar stelt wel dat deze door verrekening met vorderingen van haar op [bedrijf] teniet zijn gegaan (artikel 6:127 BW). Stella voert in dat verband aan dat zij verrekenbare tegenvorderingen op [bedrijf] heeft, met een totale omvang van € 238.159,56. Deze tegenvorderingen hebben, zo stelt Stella, betrekking op eigen verkooptransacties van Stella aan [bedrijf] voor diverse artikelen en op verschuldigde provisies voor verkooptransacties aan [bedrijf] die door bemiddeling van Stella tot stand zijn gekomen. Stella heeft voor deze leveringen en bemiddelingsdiensten de volgende facturen aan [bedrijf] verzonden:

factuurdatum

betreft

factuurbedrag

a.

7 februari 2008

levering auto’s Bayern München

€ 26.615,00

b.

14 februari 2008

provisie petjes Schreudersport

€ 3.800,00

c.

14 februari 2008

provisie wielrenbroeken Schreudersport

€ 911,00

d.

22 februari 2008

levering displays met modelauto’s

€ 4.584,08

e.

26 februari 2008

levering keramiek Snoozy en Streatboys

€ 8.892,00

f.

19 mei 2008

provisie verkoop Kappa kleding

€ 35.000,00

g.

29 mei 2008

levering designer-zonnebrillen

€ 40.300,00

h.

31 mei 2008

creditering directe levering tennisrackets

€ 4.274,10

i.

15 juni 2008

levering Walt Disney producten

€ 112.275,07

j.

18 september 2008

verrekening BTW

€ 812,08

Voorts heeft Stella gesteld een openstaande vordering ter hoogte van € 606,23 op [bedrijf] in verband met een levering van sportbroeken in 2007.

4.19.

De rechtbank overweegt dat Stella in elk geval door middel van de voorwaardelijke eis in reconventie in deze procedure richting Expo Börse een verklaring in de zin van artikel 6:127 BW heeft afgegeven dat zij de bovenstaande tegenvorderingen verrekent met de nog openstaande, aan Expo Börse gecedeerde vordering van [bedrijf] . Of Stella al eerder een dergelijke verrekeningsverklaring heeft afgegeven is niet van belang. Het hof heeft immers in zijn in kracht van gewijsde gegaan arrest overwogen - en op grond van het bepaalde in artikel 236 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat daarmee ook in deze procedure tussen partijen vast - dat Stella op 23 juni 2008 de betaling van het nog resterende deel van de gecedeerde vordering heeft opgeschort met het oog op een nog uit te voeren verrekening. Thans zal moeten worden beoordeeld of Stella inderdaad tegenvorderingen op [bedrijf] heeft, en of dit beroep op opschorting (ter verrekening) gegrond was. De rechtbank verwerpt het verweer van Expo Börse dat het verrekeningsberoep van Stella op de voet van artikel 6:136 BW moet worden gepasseerd, omdat de gegrondheid daarvan niet eenvoudig valt vast te stellen. Stella heeft immers in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat zij tot verrekening bevoegd is. Op die vordering zal inhoudelijk moeten worden beslist. Dat de vordering een verklaring voor recht behelst, doet daaraan niet af. De rechtbank volgt Expo Börse evenmin in haar stelling dat de vordering te breed is geformuleerd om te kunnen worden toegewezen. Duidelijk is immers op welke concrete tegenvorderingen de gevraagde verklaring voor recht ziet.

4.20.

Expo Börse heeft tevens aangevoerd dat Stella in dit verband geen beroep op verrekening toekomt, omdat er geen samenhang is tussen de gecedeerde vordering, die ziet op de levering van de tennisartikelen, en de door Stella gepresenteerde tegenvorderingen, die zien op incidentele leveringen van geheel andere zaken en bemiddelingsdiensten. Stella betwist dit standpunt van Expo Börse. Stella voert aan dat reeds uit de correspondentie van juni 2008 volgt dat er weldegelijk voldoende samenhang bestaat tussen de gecedeerde vordering en de tegenvordering bestaat (conclusie van antwoord, randnummer 17).

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. Stella wil in dit geval tegenvorderingen op [bedrijf] verrekenen met een schuld aan [bedrijf] , ter zake waarvan Expo Börse - door cessie - de nieuwe schuldeiser is geworden. Artikel 6:130 lid 1 BW bepaalt dat in een dergelijke situatie de schuldenaar (lees: Stella) ondanks de overgang toch bevoegd is een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser met zijn schuld aan de nieuwe schuldeiser te verrekenen, mits de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar is geworden. In geschil is hier, of de gecedeerde vordering en tegenvorderingen uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Naar vaste rechtspraak (vgl. HR 27 januari 2012, NJ 2012, 244, r.o. 3.5.2.) moet daarbij worden gekeken of de tegenvordering waarop de schuldenaar zich beroept voldoende nauw samenhangt met de gecedeerde vordering om de doorbreking van de in artikel 6:127 lid 2 neergelegde hoofdregel (van identiteit van partijen) te rechtvaardigen.

4.22.

In dat verband stelt de rechtbank het volgende vast. Het hof heeft in zijn arrest van 11 maart 2014 vastgesteld en overwogen dat Stella in e-mailberichten van 3, 5 en 13 juni 2008 aan [bedrijf] kenbaar heeft gemaakt dat zij de betaling aan [bedrijf] opschortte, omdat Stella tegenvorderingen op [bedrijf] had die zij wilde verrekenen. In de e-mailberichten van 5 en 13 juni 2008 refereerde Stella aan een komende afspraak, waarbij nader over de verrekening van de tegenvorderingen zou worden gesproken. Deze beide e-mailberichten zijn tevens aan Expo Börse verzonden (arrest hof, r.o. 6). Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat Expo Börse ten tijde van de cessie wist dat Stella pretendeerde tegenvorderingen te hebben die zij met de door Expo Börse overgenomen vordering wilde verrekenen. Immers, om die reden had Stella ook de betaling van de overgenomen vordering opgeschort. De rechtbank is van oordeel dat er in het licht van deze reeds aangekondigde verrekening met de gepretendeerde tegenvorderingen een voldoende nauw verband - zoals hiervoor omschreven - bestaat tussen de gecedeerde vordering en de tegenvorderingen, zodat een beroep op verrekening op de voet van artikel 6:130 BW voor Stella mogelijk is. Een ander oordeel zou immers betekenen dat Stella als gevolg van de plotselinge cessie-verrekeningsconstructie een reeds aangekondigde verrekeningsbevoegdheid is ontnomen. Dit kan niet als een redelijke en billijke uitkomst worden aanvaard, te minder nu die cessie-verrekeningsconstructie, naar het hof heeft overwogen, tot doel had om de incasso van een afdwingbare vordering van Stella jegens Expo Börse te frustreren (arrest hof, r.o. 12. d). De overgang van de vordering staat derhalve niet in de weg aan de bevoegdheid van Stella om haar tegenvorderingen, voor zover aangetoond, daarmee te verrekenen.

4.23.

De rechtbank komt daarmee toe aan de inhoudelijke bespreking van de gepresenteerde tegenvorderingen. Daarbij wordt het volgende voorop gesteld.

Zoals hiervoor is overwogen, zijn de tegenvorderingen onderworpen aan Nederlands recht en, voor zover van toepassing, de bepalingen van het WKV. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt Stella de bewijslast van de feitelijke grondslag van de tegenvorderingen. Het hof heeft in zijn arrest van 11 maart 2014 overwogen dat in dat verband nadere bewijslevering noodzakelijk is, omdat Stella de tegenvorderingen, op één na, enerzijds voldoende feitelijk heeft onderbouwd en Expo Börse die tegenvorderingen anderzijds gemotiveerd heeft betwist. Stella heeft in deze procedure ook aangeboden nader bewijs van de tegenvorderingen te leveren, onder meer door het horen van de heer [naam] , die volgens Stella bij alle transacties was betrokken. Voor bewijslevering is echter eerst dan plaats, wanneer Stella haar tegenvorderingen tegenover de betwisting daarvan door Expo Börse voldoende heeft onderbouwd. In dit geval dient daarbij te worden meegewogen dat Stella inmiddels ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om naar aanleiding van het debat in de eerdere incassoprocedure haar tegenvorderingen in haar conclusie in reconventie in deze procedure nader toe te lichten en te onderbouwen. Anders gezegd, in dit stadium mag van Stella een steviger motivering van de tegenvorderingen worden verwacht, terwijl Stella heeft volstaan met een enkele verwijzing naar de conclusie na tussenvonnis van 18 mei 2011. De rechtbank zal deze omstandigheid hierna meewegen in haar beoordeling of Expo Börse voldoende aan haar stelplicht heeft voldaan, om tot het bewijs te worden toegelaten.

4.24.

factuur 7000132 d.d. 11 juli 2007, € 606,23 (IFN Finance)

4.24.1.

Stella heeft deze tegenvordering van een onvoldoende feitelijke grondslag voorzien. Nu zij aldus niet aan haar steplicht heeft voldaan, is nadere bewijslevering niet aan de orde.

4.25.

factuur a, levering modelauto’s Bayern München

4.25.1.

Stella voert aan dat zij in februari 2008 aan [bedrijf] een partij modelauto’s heeft aangeboden op een beurs in Nürnberg. Stella heeft vervolgens naar aanleiding van een toezegging van [bedrijf] de partij vastgelegd bij haar leverancier.

4.25.2.

Expo Börse betwist dat er met betrekking tot de modelauto’s een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [bedrijf] en Stella. Volgens Expo Börse is het in de partijenhandel gebruikelijk dat er pas een koopovereenkomst wordt gesloten, nadat er een afnemer voor de partij is gevonden. Wel werd de betreffende partij dan soms gereserveerd. In dit geval kon [bedrijf] geen afnemer vinden, zodat er nooit een koopovereenkomst tot stand is gekomen, aldus Expo Börse.

4.25.3.

Een koopovereenkomst komt tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan (artikel 23 WKV en artikel 6:127 BW). Een aanvaarding is een verklaring door, of een andere gedraging van de wederpartij, waaruit blijkt van instemming met een aanbod (artikel 18 WKV). Stella heeft in dit geval onvoldoende onderbouwd dat [bedrijf] met haar aanbod tot het sluiten van een koopovereenkomst heeft ingestemd. Stella is namelijk in deze procedure niet meer nader ingegaan op - en heeft daarmee onvoldoende weersproken - de gemotiveerde stelling van Expo Börse dat het reserveren van een partij in de partijhandel nog geen instemming met het aanbod inhoudt, omdat een partij pas wordt gekocht nadat de beoogde koper een afnemer heeft gevonden. Voor zover Stella in dit laatste verband nog heeft willen aanvoeren dat uit de mededeling in de e-mail van [naam] op 23 mei 2008 (productie 40) dat ‘Der Kunde für die Bayern München Autos (…) den Posten (hat) abgesagt, weil er ihm definitiv zu teuer ist.’ kan worden afgeleid dat [bedrijf] wel al een bestelling van een klant had ontvangen (en dus ook moet worden aangenomen dat [bedrijf] hiertegenover een definitieve bestelling bij Stella had geplaatst), verdient dit eveneens een nadere motivering, omdat die mededeling evengoed aldus kan worden verstaan dat de desbetreffende klant het aanbod van [bedrijf] uiteindelijk had afgewezen (en dus nog geen bestelling had geplaatst). De conclusie is dan ook dat Stella ten aanzien van deze tegenvordering niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Nadere bewijslevering is bij die stand van zaken niet aan de orde.

4.26.

factuur b, provisie petjes Schreudersport

4.26.1.

Stella voert aan dat zij als tussenpersoon voor [bedrijf] een koopovereenkomst voor de levering van 180.000 petjes van het merk Schreudersport tot stand heeft gebracht, maar dat [bedrijf] hiervoor nooit provisie aan Stella heeft betaald, terwijl de petjes wel zijn geleverd.

4.26.2.

Stella heeft tegenover de betwisting door Expo Börse geen nadere onderbouwing van de bovenstaande stellingen verstrekt, terwijl zij daartoe tot op heden wel ruimschoots de gelegenheid toe heeft gehad. Aldus heeft Stella ook met betrekking tot deze tegenvordering niet voldoende aan haar stelplicht voldaan, zodat ook het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

4.27.

factuur c, provisie wielrenbroeken

4.27.1.

Volgens Stella heeft zij in februari 2008 voor [bedrijf] op basis van een mondelinge overeenkomst bemiddeld bij de aankoop van 18.220 wielrenbroeken, tegen een provisie van 5 eurocent per broek. Ook hier geldt echter dat Stella haar stellingen tegenover de betwisting van Expo Börse niet verder heeft uitgewerkt of onderbouwd, zodat het bewijsaanbod ten aanzien van deze tegenvordering eveneens wordt gepasseerd.

4.28.

factuur d, levering displays modelauto’s

4.28.1.

Stella voert aan dat zij op 14 februari 2008 148 displays met Ecocar modelauto’s aan [bedrijf] heeft verkocht en geleverd.

4.28.2.

Expo Börse betwist dat [bedrijf] auto’s gekocht en geleverd heeft gekregen. Volgens Expo Börse heeft Stella wel enkele monsters aan [bedrijf] geleverd ter ondersteuning van haar pogingen om een afnemer te vinden.

4.28.3.

Stella heeft tegenover deze betwisting van Expo Börse geen nadere onderbouwing van de gestelde koopovereenkomst gegeven. Zij heeft weliswaar foto’s overgelegd uit het magazijn van [bedrijf] , waarop de modelauto’s kennelijk zijn te zien, maar die foto’s kunnen, mede in het licht van het bovenstaande verweer van Expo Börse, geen toereikende onderbouwing bieden van de totstandkoming van een koopovereenkomst. Derhalve geldt ook hier dat Stella niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

4.29.

factuur e, levering keramiek Snoozy en Streatboys

4.29.1.

Stella voert aan dat zij in februari 2008 keramiek heeft verkocht en geleverd aan [bedrijf] . Expo Börse heeft dit betwist. Stella heeft tegenover die betwisting geen nadere onderbouwing of toelichting van de tegenvordering gegeven, zodat zij ook wat deze tegenvordering betreft niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

4.30.

factuur f, provisie levering Kappa kleding

4.30.1.

Volgens Stella heeft zij in april 2008 bemiddeld bij een overeenkomst tussen de in Almere gevestigde onderneming Alicotex en [bedrijf] voor de koop en levering van een partij kleding van het merk Kappa.

4.30.2.

Expo Börse betwist dat er een definitieve koopovereenkomst tussen [bedrijf] en Alicotex tot stand is gekomen. Volgens Expo Börse is [bedrijf] slechts een koopoptie met Alicotex overeengekomen, op grond waarvan [bedrijf] het recht had de partij te kopen tegen 6 euro per stuk. De optie zou worden ingeroepen indien en voor zover [bedrijf] voldoende afnemers zou hebben gevonden. Voor het daadwerkelijk geven van de inkoopopdracht had de heer [naam] bovendien toestemming van de directie van [bedrijf] nodig. De koopoptie is echter nooit uitgeoefend; [bedrijf] heeft geen afnemers gevonden en Alicotex heeft de reservering op 29 april 2008 geannuleerd. Expo Börse betwist voorts, dat er een afspraak over provisie zou zijn gemaakt.

4.30.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Expo Börse heeft ter onderbouwing van haar stellingen verwezen naar e-mailcorrespondentie uit de maand april 2008 tussen (onder meer) [naam 2] , statutair bestuurder van Stella, [naam 3] (handelsvertegenwoordiger van Alicotex) en dhr. [naam] van [bedrijf] (productie 42 conclusie van 18 mei 2011). In deze e-mailcorrespondentie zijn inderdaad diverse aanknopingspunten te vinden voor de stelling van Expo Börse dat er een mondelinge overeenkomst was bereikt tussen [bedrijf] en Alicotex. Echter, dat heeft Expo Börse als zodanig ook niet betwist. Expo Börse voert aan dat de mondelinge overeenstemming slechts een koopoptie betrof en dat die overeenkomst bovendien nog in zoverre onder voorbehoud was, dat [naam] nog toestemming nodig had van de directie en bovendien eerst voldoende afnemers voor de partij moest vinden. Volgens Expo Börse moet ook het door Stella aangehaalde bericht van dhr. [naam] ‘Sorry aber [bedrijf] hat die 350.000 EU noch nicht freigeben’, in dit licht worden bezien. Stella heeft hiertegenover niet nader toegelicht en onderbouwd dat en zo ja, waarom de stellingen van Expo Börse onjuist zijn en er weldegelijk sprake was van een definitieve koopovereenkomst tussen de betrokken partijen. De enkele stelling dat tot de overgelegde mailcorrespondentie ook behoren ‘bevestigingen van [naam 3] en Alicotex, dat er een perfecte overeenkomst bestaat die niet is nagekomen door [bedrijf]’, acht de rechtbank in het licht van het gemotiveerde verweer van Expo Börse onvoldoende concreet en gemotiveerd. Het had op de weg van Stella gelegen om dit een en ander in de conclusie van antwoord/eis in reconventie in deze procedure nader toe te lichten en te onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. Evenmin heeft Stella, tegenover de betwisting daarvan door Expo Börse, nader toegelicht en onderbouwd dat zij vanwege haar betrokkenheid bij de mondelinge overeenkomst tussen [bedrijf] en Alicotex aanspraak maakt op een provisie van 10%.

4.30.4.

De conclusie is, dat Stella ook met betrekking tot deze tegenvordering tekort is geschoten in de op haar rustende stelplicht, zodat nadere bewijslevering niet aan de orde is.

4.31.

factuur g, levering zonnebrillen

4.31.1.

Stella voert aan dat zij op 24 april 2008 een partij Italiaanse merkzonnebrillen aan [bedrijf] heeft aangeboden. [bedrijf] heeft vervolgens op 29 april 2008 een bestelling geplaatst voor deze zonnebrillen. De brillen zijn echter nooit geleverd, omdat [bedrijf] haar betalingsverplichtingen niet nakwam. Hierdoor is Stella een winst van 50% misgelopen.

4.31.2.

Expo Börse voert hiertegenover aan dat [bedrijf] slechts een vrijblijvende reservering heeft gemaakt. Overeengekomen was, dat [bedrijf] 50% van de koopprijs na betaling door de klant aan Stella zou voldoen en de resterende 50% na betaling door de klant bij levering. Stella veranderde op 29 mei 2008 echter eenzijdig de betalingscondities in 100% betaling vooraf. [bedrijf] ging daarmee niet akkoord. Doordat Stella weigerde de afgesproken betalingsvoorwaarden te hanteren, kon [bedrijf] haar verplichtingen richting haar klant niet nakomen. Het is dus niet [bedrijf] , maar Stella die is tekortgeschoten, aldus Expo Börse. Ook betwist Expo Börse dat Stella een winst van 50% op de zonnebrillen zou behalen.

4.31.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Een e-mail van 7 mei 2008 van dhr. [naam] aan [naam 2] (‘Konditionen (…) 50% Deposit nach Zahlung des Kunden an Joystar 50% nach Zahlung des Kunden bei Warenübernahme bei PVS an Joystar’) ondersteunt hetgeen Expo Börse hierboven over de overeengekomen betalingsvoorwaarden heeft gesteld. Stella heeft in haar conclusie in deze procedure ook niet meer op dit verweer van Expo Börse gereageerd, maar slechts volstaan met een herhaling van de summiere toelichting in de conclusie van 18 mei 2011. Aldus zal, bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting, met Expo Börse als vaststaand worden aangenomen dat partijen waren overeengekomen dat [bedrijf] pas aan Stella zou betalen na betaling door de klant en dat Stella aldus ten onrechte op 28 mei 2008 een vooruitbetaling van [bedrijf] vorderde. Tegen deze achtergrond valt zonder nadere toelichting, die zoals gezegd ontbreekt, niet in te zien dat [bedrijf] tegenover Stella tekort is geschoten door die betreffende factuur niet te betalen. Aldus valt bij gebreke van een nadere toelichting evenmin in te zien dat het niet doorgaan van de levering in dit geval aan [bedrijf] zou zijn te wijten.

4.32.

factuur h, levering tennisrackets en factuur j (btw-factuur over gederfde winst)

4.32.1.

Volgens Stella heeft zij met [bedrijf] afgesproken dat zij de winst voor de levering van Donnay tennisrackets bij Expo Börse zou crediteren en vervolgens in rekening zou brengen bij [bedrijf] . Factuur j ad € 812,08 betreft de btw over de voornoemde gederfde winst.

4.32.2.

Expo Börse heeft het bestaan van de afspraak betwist. Stella heeft het bestaan van de gestelde afspraak tegenover deze betwisting niet nader onderbouwd. De enkele - niet nader toegelichte - verwijzing in de conclusie van 18 mei 2011 naar de producties 9 en 21 van Stella, volstaat wat dat betreft niet. Nu Stella ook op dit onderdeel niet aan haar stelplicht heeft voldaan, is nadere bewijslevering niet aan de orde.

4.33.

factuur i, levering Walt Disney producten

4.33.1.

Stella voert aan dat zij op 19 februari 2008 een partij Walt Disney baby- en kleuterwaren bij [bedrijf] heeft aangeboden. Bij e-mail van 4 maart 2008 heeft dhr. [naam] namens [bedrijf] bevestigd dat de aangeboden waren al voor 90% waren doorverkocht en met spoed om monsters van de producten verzocht (productie 46 bij conclusie van 18 mei 2011). Daarop heeft Stella monsters en certificaten van de producten doorgeleverd. Op 11 maart 2008 heeft [bedrijf] de resterende 10% mondeling besteld. Stella heeft toen aan haar eigen Poolse leverancier doorgegeven dat de producten voorzien moesten worden van een productbeschrijving in de Duitse taal (productie 47 conclusie 18 mei 2011). [bedrijf] heeft zich vervolgens echter op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een koopovereenkomst, terwijl dat weldegelijk het geval was. Stella maakt dan ook aanspraak op een vergoeding van de gederfde winst ad € 112.274,07.

4.33.2.

Expo Börse heeft gesteld dat [bedrijf] slechts een reservering bij Stella heeft geplaatst. Er zou pas een koopovereenkomst worden gesloten wanneer [bedrijf] voor 100% van de waren een afnemer had gevonden, maar dat is niet gelukt. Er is dus nooit een koopovereenkomst tot stand gekomen, aldus Expo Börse.

4.33.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Stella is in haar conclusie van eis in reconventie in deze procedure niet nader ingegaan op - en heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd bestreden - de stelling van Expo Börse dat er pas een koopovereenkomst tussen Stella en [bedrijf] tot stand zou komen, wanneer [bedrijf] voor de gehele partij een afnemer had gevonden. Het betoog van Stella dat zij er na ontvangst van de e-mail van 4 mei 2008 vanuit ging dat er voor tenminste 90% van de waren een koopovereenkomst was gesloten, wordt in dat licht dan ook als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Stella heeft echter ook gesteld, dat [bedrijf] op een beurs in Ankum op 11 maart 2008 de laatste 10% mondeling heeft besteld. Expo Börse heeft dit laatste echter nadrukkelijk betwist. Stella heeft vervolgens, ondanks dat zij bekend was met deze betwisting, in haar conclusie in deze procedure het bestaan van de mondelinge order niet nader uitgewerkt of onderbouwd. De e-mail d.d. 12 maart 2008 van [naam 2] aan de Poolse leverancier, waarin om een Duitstalige productbeschrijving wordt verzocht, acht de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende om de benodigde onderbouwing te geven. Aldus wordt de stelling van Stella, dat [bedrijf] voor de gehele partij een afnemer had gevonden (en daarmee ook haar stelling dat er een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen), als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd.

4.33.4.

Los van het bovenstaande heeft Stella bovendien onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij, indien de beweerdelijke koopovereenkomst wel zou zijn doorgegaan, een winst genoten had van de door haar gestelde omvang. Ook op dat onderdeel heeft Stella dus niet aan haar stelplicht voldaan.

4.33.5.

Het bovenstaande brengt met zich, dat het ter zake gedane bewijsaanbod van Stella zal worden gepasseerd.

conclusie ten aanzien van het verrekeningsverweer

4.34.

Nu Stella er niet in is geslaagd om een voldoende gemotiveerde onderbouwing te geven van de gepretendeerde tegenvorderingen, wordt haar beroep op verrekening gepasseerd. Ook staat hiermee vast, dat het beroep op opschorting van de betaling van de gecedeerde vordering ongegrond was en Stella zodoende in verzuim was met de betaling van de gecedeerde vordering. De gevorderde hoofdsom in conventie is aldus volledig toewijsbaar. Omgekeerd worden de vorderingen in reconventie afgewezen.

rente

4.35.

Tussen partijen is niet in geschil dat Expo Börse bij deze stand van zaken op grond van artikel 288 lid 2 BGB aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke handelsrente over de onbetaald gebleven hoofdsom. Met betrekking tot de vraag vanaf welk moment Stella handelsrente is verschuldigd, wordt als volgt overwogen. Expo Börse heeft - onweersproken - gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de op 17 juni 2008 gefactureerde bedragen (zie 2.1, onder b) uiterlijk eind mei 2008 betaald hadden moeten zijn. Aldus was Stella eind mei met de betaling van die facturen in verzuim (artikel 286 lid sub 1 BGB). Voorts heeft Expo Börse - eveneens onweersproken - gesteld dat Stella op grond van het bepaalde in artikel 286 lid 3 BGB de overige facturen uiterlijk 30 dagen na de factuurdatum had moeten betalen. De gevorderde handelsrente is aldus toewijsbaar, als hierna in het dictum vermeld.

incassokosten

4.36.

De gevorderde incassokosten worden afgewezen, nu Stella heeft weersproken - en Expo Börse daartegenover niet heeft gesteld of onderbouwd - dat Expo Börse voor separate vergoeding vatbare buitengerechtelijke incassohandelingen heeft verricht.

beslagkosten

4.37.

Expo Börse heeft ten laste van Stella beslag gelegd onder SNS Bank N.V., ING Bank N.V., ABN Amro Bank N.V., alsook onder de Stichting Beheer Derdengelden van Harmelen & Beijneveld Advocaten. Expo Börse vordert vergoeding van de gemaakte beslagkosten. Stella concludeert tot afwijzing van deze vordering.

4.38.

Artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig, of onrechtmatig was. Stella doet in dit geval een beroep op deze laatste twee gronden. Allereerst voert Stella aan dat, zo begrijpt de rechtbank, het beslag onrechtmatig is, omdat Expo Börse met het beslag onder de derdengeldrekening van de advocaat van Stella beoogt de veroordeling van het hof te frustreren. Dit verweer wordt verworpen. In dit geval heeft Expo Börse conservatoir beslag doen leggen tot verhaal van (een restant van) een zelfstandige vordering, waarvan de gegrondheid op zichzelf niet ter discussie staat. Expo Börse had in de eerdere incassoprocedure ook een beroep op verrekening van deze vordering gedaan. Omdat Stella toen echter op haar beurt betoogde dat zij deze vordering kon verrekenen met eigen tegenvorderingen, en een onderzoek naar de gegrondheid van dit verweer bij de toenmalige stand van zaken tot uitvoerige bewijslevering zou nopen, heeft het hof het beroep op verrekening door Expo Börse (grotendeels) op de voet van artikel 6:136 BW onbesproken gepasseerd (bij gebreke van het instellen van een eis in reconventie). De rechtbank ziet niet in waarom Expo Börse bij deze stand van zaken de veroordeling van het hof frustreert of anderszins onrechtmatig handelt, wanneer zij vervolgens na de uitspraak van het hof zelf een incassoprocedure start om het restant van de vordering te verhalen en tot zekerstelling van die vordering conservatoir beslag doet leggen op het bedrag dat zij uit hoofde van de veroordeling van het hof aan Stella heeft betaald. Dit te minder, nu het beroep van Stella op tegenverrekening in deze procedure ongegrond is geoordeeld.

4.39.

Stella heeft voorts aangevoerd dat Expo Börse beslag heeft doen leggen onder diverse bankinstellingen waar Stella niet bankiert. Zonder nadere toelichting, die Stella niet heeft gegeven, valt evenwel niet in te zien waarom die enkele omstandigheid maakt dat de beslagen buitenproportioneel waren of anderszins onnodig zijn gelegd. Zo heeft Stella niet gesteld dat Expo Börse ten tijde van de beslaglegging wist dat Stella geen tegoeden bij de betreffende bankinstellingen aanhield. De ten aanzien van deze beslagen gemaakte explootkosten zijn aldus toewijsbaar, op de kosten van de overbetekening van de dagvaarding aan de derde-beslagenen na, aangezien Expo Börse, hoewel zij daartoe tot aan de comparitie ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, geen onderbouwing heeft gegeven van deze kosten.

4.40.

Voor het beslag op de derdengeldrekening heeft Expo Börse eerst bij de voorzieningenrechter in Rotterdam, en vervolgens ook bij voorzieningenrechter in Amsterdam een verzoekschrift ingediend. De rechtbank overweegt dat slechts één van beide beslagrekesten met bijbehorende exploten en griffierechten voor vergoeding in aanmerking komt, nu twee afzonderlijke verzoekschriften, bij gebreke van een dragende motivering daarvoor, als onnodig moeten worden aangemerkt.

4.41.

De beslagkosten zijn aldus als volgt toewijsbaar:

  • -

    griffierecht verlof 10 april 2014: € 608,-;

  • -

    salaris één verzoekschrift: € 894,- (1 punt x liquidatietarief € 894,-)

  • -

    deurwaarderskosten: € 770,90 (kosten betekening beslagrekest d.d. 1 april 2014 worden afgewezen)

totaal: € 2.272,90

proceskosten (in conventie en reconventie)

4.42.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Stella veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. De proceskosten aan de zijde van Expo Börse worden in conventie begroot op € 93,80 aan explootkosten, € 2.613,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 894,-), aldus in totaal: € 4.494,80.

De proceskosten in reconventie worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 894,- x factor 0,5).

4.43.

Voorts worden de nakosten toegewezen, zoals hierna in het dictum begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Stella om veertien dagen na betekening van het vonnis aan Expo Börse te betalen een bedrag van € 118.006,38, te vermeerderen met de vertragingsrente ex artikel 288 lid BGB vanaf 30 mei 2008 over een bedrag van € 102.153,77 en vanaf 3 augustus 2008 over een bedrag van € 15.852,61, een en ander tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Stella in de proceskosten, aan de zijde van Expo Börse begroot op € 4.494,80, alsmede in de beslagkosten, begroot op € 2.272,90;

5.3.

veroordeelt Stella in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Stella niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af;

5.6.

veroordeelt Stella in de proceskosten, aan de zijde van Expo Börse begroot op € 894,-;

in conventie en reconventie

5.7.

verklaart de veroordeling in conventie en de kostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.1

1 type: coll:*