Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4861

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
KK EXPL 15-933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Mulder, verkeersboete, geen dwangsom. De officier van justitie beslist niet (tijdig) op het administratief beroep van betrokkene tegen de aan betrokkene opgelegde verkeersboete. Betrokkene stelt de officier van justitie in gebreke. Omdat een besluit alsnog uitblijft gaat betrokkene in beroep bij de kantonrechter en verzoekt onder meer om dwangsommen vast te stellen. De officier van justitie heeft alsnog een besluit op administratief genomen. De kantonrechter overweegt dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing is komen te ontvallen. Een belang kan niet worden ontleend aan het verzoek om dwangsommen vast te stellen. De dwangsomregeling ziet namelijk op beslissingen op aanvraag en niet op ambtshalve genomen beslissingen. In lijn daarmee kan evenmin een dwangsom worden verbeurd bij het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar/administratief beroep tegen een ambtshalve genomen (primair) besluit. Een beschikking waarbij een verkeersboete is opgelegd is een ambtshalve te nemen beschikking. De officier van justitie verbeurt dan ook geen dwangsommen indien hij niet tijdig heeft beslist op het administratief beroep van betrokkene tegen de ambtshalve opgelegde verkeersboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

26 mei 2015

zaaknummers: 2817003 WM VERZ 14-1518
3336936 WM VERZ 14-4642

CJIB nummer: 2062 5421 6874 1368

beslissing van: 26 mei 2015

func.: 460

beslissing van de kantonrechter

I n z a k e

[betrokkene]

wonende te [woonplaats]

verschenen in persoon

nader te noemen: betrokkene

Procesverloop

  • -

    beschikking van 2 februari 2013, waarbij aan betrokkene een administratieve sanctie is opgelegd;

  • -

    administratief beroep van betrokkene van 4 februari 2013 tegen de beschikking van 2 februari 2013, ingekomen bij de officier van justitie op 5 februari 2013;

  • -

    de brief van betrokkene van 21 augustus 2013, waarin betrokkene de officier van justitie in gebreke stelt;

  • -

    het beroepschrift van betrokkene van 26 oktober 2013, ingekomen bij de rechtbank op 29 oktober 2013;

  • -

    de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep van betrokkene van 22 november 2013, waarin het administratief beroep van betrokkene ongegrond is verklaard;

  • -

    het beroepschrift van betrokkene van 7 december 2013 gericht tegen de beslissing van 22 november 2013;

  • -

    het verweerschrift van de officier van justitie van 4 december 2014;

  • -

    het gewijzigde verweerschrift van de officier van justitie van 2 april 2015;

  • -

    mondelinge behandeling op de openbare zitting van 14 april 2015 waar betrokkene alsmede namens de officier van justitie [naam] zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, betrokkene met behulp van pen en papier.

Beoordeling

feiten

1.1.

Aan betrokkene is een verkeersboete van € 85,00 opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) wegens het niet stoppen voor rood licht met een gehandicaptenvoertuig op de Hartveldseweg te Diemen op 15 november 2012.

1.2.

Betrokkene heeft hiertegen een administratief beroepschrift ingediend bij de officier van justitie.

1.4.

Bij aangetekende brief van 21 augustus 2013 heeft betrokkene de officier van justitie meegedeeld dat de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op beroep is verstreken en dat betrokkene desondanks nog geen beslissing op zijn beroep heeft ontvangen. Betrokkene heeft de officier van justitie in gebreke gesteld en verzocht de beslissing op administratief alsnog binnen twee weken te nemen bij uitblijven waarvan de officier van justitie een dwangsom zal zijn verschuldigd.

1.5.

Bij aangetekende brief van 23 oktober 2013 heeft betrokkene geconstateerd dat hij nog geen beslissing op administratief beroep heeft ontvangen, heeft hij nogmaals verzocht om een beslissing te nemen en heeft hij verzocht om de verbeurde dwangsommen vast te stellen.

1.6.

Nadat betrokkene op 29 oktober 2013 beroep heeft ingesteld bij de kantonrechter tegen uitblijven van een vaststelling door de officier van justitie van de verbeurde dwangsom heeft de officier van justitie op 22 november 2013 alsnog een beslissing op administratief beroep genomen.

Ten aanzien van het beroep tegen het niet beslissen op administratief beroep en het verzoek de dwangsommen vast te stellen (WM VERZ 14-1518)

2.1.

Betrokkene verzoekt de kantonrechter:
- zorg te dragen dat de beslissing op administratief beroep wordt genomen;
- de verbeurde dwangsommen vast te stellen op € 1.260,00;
- om vergoeding van de verzendkosten van de ingebrekestelling en de toelichting daarop.

2.2.

Betrokkene baseert zijn verzoek op de onder punt 1 weergegeven feiten en voert aan dat de termijnen voor het nemen van de bedoelde beslissing is verstreken, alsook de termijn van ingebrekestelling.

2.3.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van het aangevraagde besluit, omdat de beslissing op administratief beroep inmiddels is genomen en betrokkene geen belang meer heeft bij zijn beroep. Dat belang kan niet gelegen zijn in het verzoek van betrokkene om dwangsommen vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen. De dwangsomregeling bij het niet tijdig beslissen is slechts van toepassing op beschikkingen die op aanvraag worden gegeven. De dwangsomregeling is niet van toepassing op besluiten van algemene strekking en ambtshalve beschikkingen. Hoewel besluiten op bezwaar en besluiten op administratief beroep in beginsel beschikkingen op aanvraag zijn is de dwangsomregeling volgens de officier van justitie toch niet van toepassing. Een verkeersboetes is geen beschikking op aanvraag. In lijn hiermee kan evenmin een dwangsom worden verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op administratief beroep tegen een ambtshalve opgelegde verkeersboete. De officier van justitie verwijst hierbij naar de uitspraken van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1290) en 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4448). Voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit heeft betrokkene de officier van justitie niet in gebreke gesteld, zodat het beroep op dit punt eveneens niet-ontvankelijk is.

2.4.

Ter zitting heeft de officier van justitie toegelicht dat het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van de dwangsommen een nieuw standpunt is dat recent door het Openbaar Ministerie wordt ingenomen.

Beoordeling

3.1.

De kantonrechter constateert dat de officier van justitie de termijn waarbinnen zij had behoren te beslissen op het administratief beroep van betrokkene ongebruikt heeft laten verstrijken en dat ook na ingebrekestelling zij niet tijdig heeft beslist. De kantonrechter constateert dat betrokkene aanvankelijk terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet (tijdig) beslissen op zijn administratief beroep. Vaststaat dat de officier van justitie inmiddels een reële beslissing op het administratief beroep heeft genomen. Daarmee is het belang van betrokkene bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen op administratief beroep komen te ontvallen. Een belang kan niet worden ontleend aan het verzoek om dwangsommen vast te stellen. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

3.2.

Het artikel 4:17 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven aan de aanvrager voor elke dag dat het in gebreke is. Er moet derhalve sprake zijn van een beschikking op aanvraag. Deze bepaling is ingevolge artikel 7:27 Awb ook van toepassing op het niet tijdig nemen van een beslissing op beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1290) overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 Awb volgt dat deze bepaling niet van toepassing is op besluiten van algemene strekking of ambtshalve beschikkingen, tenzij in een bijzondere wet anderszins is bepaald. In de uitspraak van 10 december 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat geen dwangsom kan worden verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een, in dat geval, ambtshalve genomen dwangsombesluit. Hieruit volgt dat het karakter van het besluit waartegen het rechtsmiddel wordt aangewend bepalend is voor de vraag of in die procedure een dwangsom kan worden verbeurd. Slechts in het geval een primair besluit een beschikking op aanvraag betreft, kan in de vervolgprocedure een dwangsom worden verbeurd.

3.3.

Een beschikking waarbij een verkeersboete is opgelegd, zoals in dit geval, is eveneens een ambtshalve te nemen beschikking. Op grond van de uitspraak van 10 december 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verbeurt de officier van justitie geen dwangsommen indien hij niet tijdig beslist op het administratief beroep van betrokkene gericht tegen de ambtshalve opgelegde verkeersboete.

3.4.

De dwangsommen zijn dus niet verbeurd. Dat betekent dat betrokkene geen belang meer heeft bij het beroep, zodat dit beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

3.5.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van het beroepschrift tegen de beslissing op administratief beroep
(WM VERZ 14-4642)

3.1.

Betrokkene verzoekt herziening van de sanctie. Betrokkene erkent dat hij door rood is gefietst maar voert aan dat hij daarbij niemand in gevaar heeft gebracht. Betrokkene was moe en heeft vergeten naar het stoplicht te kijken. Betrokkene voert aan dat de sanctie voor hem financieel te zwaar is als gevolg van zijn medische situatie. Betrokkene is nooit eerder in aanraking geweest met politie of justitie. Ter zitting heeft betrokkene het beroepschrift nader toegelicht.

3.2.

Geoordeeld wordt als volgt.

3.3.

Het tegen de beslissing van verweerder gerichte beroepschrift is tijdig ingediend.

3.4.

De feitelijke gedraging staat niet ter discussie. Gelet op de inhoud van een door de verbalisant op ambtsbelofte opgemaakte verklaring in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht van het C.J.I.B., is naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate komen vast te staan dat, en dit wordt ook niet door betrokkene betwist, de aan betrokkene verweten gedraging is verricht.

3.5.

Van verkeersdeelnemers mag worden verwacht dat zij zich houden aan de voor hen geldende verkeersvoorschriften.

3.6

Het negeren van een rood licht uitstralend verkeerslicht is, ook onder de door betrokkene mondeling en schriftelijk aangevoerde omstandigheden, niet toegestaan. Deze omstandigheden verlenen betrokkene niet het recht in strijd te handelen met een verkeersvoorschrift. Niet kan worden toegelaten dat een weggebruiker naar eigen inzicht afwijkt van de geldende verkeersregels.

3.7.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden gesteld dat ten onrechte aan betrokkene een sanctie is opgelegd.

3.8.

De in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 WAHV brengt met zich dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken. Hiervan is in de onderhavige zaak niet gebleken. Dat betekent dat het beroep tegen de verkeersboete ongegrond is.

BESLISSING

De kantonrechter:

Ten aanzien van WM VERZ 14-1518:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op administratief beroep
niet-ontvankelijk;

Ten aanzien van WM VERZ 14-4642:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. Sissing en uitgesproken ter openbare zitting op 26 mei 2015.

de kantonrechter de griffier

Datum verzending:

Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de Rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, Postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam, en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd