Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4775

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AMS 14/6668
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat eiser van 27 december 2013 tot zijn vertrek naar Eritrea aaneengesloten feitelijk opvang heeft genoten in een gemeentelijke instelling (de Jellinek, de Vluchthaven en de Walborg). Eiser heeft daarom geen belang bij de beoordeling of eiser daarop recht had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/6668

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E. ‘t Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 25 juni 2015 heeft de rechtbank in deze zaak gevoegd met de zaken geregistreerd onder de nummers AMS 14/4475, 14/4487, 14/4477, 14/4495, 14/4496, 14/6775, 14/6823, 14/6809 en 14/6789 een inlichtingencomparitie gehouden. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. E. Pans.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de hierboven genoemde zaken. Eiser is met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mrs. H.E. Benjamins en S.M.E. Dreyer.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedag] 1976, stelt gevlucht te zijn uit Ethiopië en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Vanaf 29 november 2013 wordt eiser opgevangen in een gebouw van de Jellinek aan het [adres] (de Jellinek). Op 27 december 2013 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is door verweerder aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wmo. Op 10 februari 2014 heeft eiser het formulier “Declaration for accomodation Vluchthaven” (Declaration) ondertekend en is hij toegelaten tot de opvang in de Havenstraat (de zogenoemde Vluchthaven). Op 11 maart 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden van de opvang in de Vluchthaven.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 25 april 2014 bezwaar gemaakt. Op 26 juni 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Aansluitend aan de opvang in de Vluchthaven is eiser opgevangen in de Walborg. Op 27 juli 2014 is eiser teruggekeerd naar Eritrea.

1.3.

Op 19 augustus 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 27 december 2013, 11 maart 2014 en 25 april 2014.

2.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op opvang op grond van de Wmo. In het bestreden besluit is verder vermeld dat eiser zich tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van het ministerie van Veiligheid en Justitie kan wenden. Daarnaast verkeert eiser niet in bijzondere omstandigheden in verband met kwetsbaarheid als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en uitzichtloosheid ten aanzien van terugkeer naar het land van herkomst. Volgens verweerder zijn de geschriften van 27 december 2013 en 11 maart 2014 geen bezwaarschriften, omdat het invullen en ondertekenen van de formulieren op 29 november 2013 en 10 februari 2014 niet als aanvraag dan wel besluit kan worden gekwalificeerd.

2.2.

Eiser stelt in beroep dat hem ten onrechte geen opvang is verleend in de periode van 29 november 2013 tot 27 juli 2014. Voorts maakt eiser aanspraak op leefgeld overeenkomstig de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) en maakt eiser aanspraak op een dwangsom wegens het te laat beslissen op de bezwaarschriften.

3. Voor de Wmo geldt als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 27 december 2013 tot en met 6 oktober 2014, de datum van het bestreden besluit. De periode is in dit geval gelet op de beroepsgronden beperkt tot 27 juli 2014.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser van 27 december 2013 tot zijn vertrek naar Eritrea aaneengesloten feitelijk opvang heeft genoten in de Jellinek, de Vluchthaven en de Walborg. Eiser heeft daarom geen belang bij de beoordeling of eiser daarop recht had.

5. Niettemin is procesbelang aanwezig vanwege het verzoek van eiser om leefgeld op grond van het Fonds Gevolgen Vreemdelingenbeleid (FGV), de aanspraak op een dwangsom en de proceskosten in bezwaar.

6. Eiser voert aan dat hij recht heeft op leefgeld op grond van het FGV naar de norm van de Rva. Onder verwijzing naar rov. 21 tot en met 24 van haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651) is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op leefgeld. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de in de aangehaalde uitspraak genoemde criteria voor een uitkering uit het FGV voldoet, zodat hij niet in aanmerking komt voor deze uitkering.

7. In het kader van eisers aanspraak op een dwangsom in verband met het te laat beslissen op het bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. Het bezwaarschrift van 27 december 2013 is in overleg met het kantoor van de gemachtigde van eiseres aangemerkt als aanvraag. Voor zover de ingebrekestelling ziet op dit bezwaarschrift, treft deze daarom geen doel. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het schrijven van 11 maart 2014 geen bezwaarschrift zou zijn omdat het gericht is tegen de Declaration. De rechtbank verwijst naar het gewijzigd standpunt van verweerder inzake de Declaration. Gelet op het feit dat eiser aansluitend op zijn verblijf in de Vluchthaven heeft verbleven in de Walborg en in aanmerking genomen dat eiser ten tijde van de ingebrekestelling Nederland had verlaten, acht de rechtbank de ingebrekestelling voor zover die het bezwaar van 11 maart 2014 betreft onredelijk laat.
Verweerder diende op grond van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht voor 10 juli 2014 te beslissen op het bezwaar van 25 april 2014 tegen het primaire besluit van 16 april 2014. Op 25 juni 2014 heeft de secretaris van de bezwaaradviescommissie een brief verstuurd, met het doel de termijn om op het bezwaar te beslissen te verlengen tot 20 augustus 2014. Uit de letterlijke tekst van de brief maakt de rechtbank op dat mededeling wordt gedaan van een beslissing tot verdaging namens het college van burgemeester en wethouders. Anders dan eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat de beslistermijn rechtsgeldig is verdaagd tot 20 augustus 2014.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling dateert van 19 augustus 2014 en derhalve prematuur is.

8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding. Ten tijde van het instellen van beroep had eiser Nederland verlaten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.