Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4767

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AMS 14/6809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651), waarin zij tot het oordeel is gekomen dat ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften worden onthouden en dat het recht op een opvangvoorziening heeft gegolden ook vóór de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014. Verweerder stelt dat eiseres met het invullen van de Declaration opvang toegekend is voor een afgebakende periode en dat eiseres geen aanvraag om continuering van de opvang heeft ingediend. Indien en voor zover verweerder al moet worden gevolgd in de stelling dat maatschappelijke opvang is toegekend voor een afgebakende periode, stelt de rechtbank vast dat eiseres op 7 maart 2014 bezwaar gemaakt heeft tegen deze toekenning. Uit het bezwaarschrift blijkt dat eiseres zich verzet tegen de beëindiging van de opvang en dat zij opvang wil voor de periode na ommekomst van de opvang genoemd in de Declaration. De rechtbank constateert dat verweerder niets heeft gedaan met dit bezwaar. Onder deze omstandigheden kan verweerder eiseres dan ook niet tegenwerpen dat zij geen aanvraag om continuering van de opvang heeft gedaan. De stelling van verweerder treft daarom geen doel. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat eiseres in de periode in geding, behoudens voor zover eiseres feitelijk opvang heeft genoten, recht heeft op maatschappelijke opvang overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de bed-bad-broodvoorziening niet voldoet aan de definitiebepaling in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmo. De rechtbank verwijst naar rov. 19 van haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/6809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E. ‘t Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 25 juni 2015 heeft de rechtbank in deze zaak gevoegd met de zaken geregistreerd onder de nummers AMS 14/4475, 14/4487, 14/4477, 14/4495, 14/4496, 14/6668, 14/6775, 14/6823 en 14/6789 een inlichtingencomparitie gehouden. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. E. Pans.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de hierboven genoemde zaken. Eiseres is met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mrs. H.E. Benjamins en S.M.E. Dreyer.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is geboren op [geboortedag] 1984, stelt afkomstig te zijn uit Somalië en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Vanaf 29 november 2013 wordt eiseres opgevangen in een gebouw van de Jellinek aan het [adres] (de Jellinek). Op 27 december 2013 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is door verweerder aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wmo. Op 25 januari 2014 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 november 2013. Op 10 februari 2014 heeft eiseres het formulier “Declaration for accomodation Vluchthaven” (Declaration) ondertekend en is zij toegelaten tot de opvang in de Vluchthaven. Eiseres heeft op 7 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden van de opvang in de Vluchthaven.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft hiertegen op 29 april 2014 bezwaar gemaakt. Op 26 juni 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Eiseres heeft feitelijk tot 9 juli 2014 opvang gehad in de Vluchthaven.

1.3.

Op 20 augustus 2014 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 27 december 2013 en 29 april 2014. Op 16 oktober 2014, nadat het bestreden besluit was genomen, heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 7 maart 2014.

2.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 29 april 2014 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres vanwege haar verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op opvang op grond van de Wmo. In het bestreden besluit is verder vermeld dat eiseres zich tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van het ministerie van Veiligheid en Justitie kan wenden. Daarnaast behoort eiseres niet tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven.

2.2.

Eiseres stelt in beroep dat verweerder ten onrechte de opvang heeft gestaakt en doet daarbij een beroep op toezeggingen over vervolgopvang en op mensenrechtenverdragen. Voorts stelt eiseres dat de grondslag van de opvang in de Jellinek en de Vluchthaven onduidelijk is. Eiseres is gezien door de GGD en door Vluchtelingenwerk. De stukken hiervan ontbreken in het dossier, aldus eiseres.

3. Voor de Wmo geldt als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 29 november 2013 tot en met 6 oktober 2014, de datum van het bestreden besluit.

4. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651), waarin zij tot het oordeel is gekomen dat ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften worden onthouden en dat het recht op een opvangvoorziening heeft gegolden ook vóór de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014.

5. Aannemelijk is dat eiseres onder de door het ESCR bedoelde hulpbehoevende groep te scharen is. De rechtbank verwijst naar rov. 11 van de hierboven aangehaalde uitspraak en komt tot het oordeel dat er een positieve verplichting op de Staat rust om eiseres toegang tot onderdak, eten en kleding te verstrekken.

6. Eiseres heeft zich in dit geval niet uitsluitend op medische omstandigheden beroepen. Om dezelfde reden als in rov. 12 en 13 van de hierboven aangehaalde uitspraak, is de voorliggende voorziening van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers in deze zaak niet aan de orde. Indien en voor zover verweerder heeft verwezen naar de VBL kan dit gelet op het in rov 14 van deze uitspraak overwogene niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening.

7. Verweerder stelt dat eiseres met het invullen van de Declaration opvang toegekend is voor een afgebakende periode en dat eiseres geen aanvraag om continuering van de opvang heeft ingediend. Indien en voor zover verweerder al moet worden gevolgd in de stelling dat maatschappelijke opvang is toegekend voor een afgebakende periode, stelt de rechtbank vast dat eiseres op 7 maart 2014 bezwaar gemaakt heeft tegen deze toekenning. Uit het bezwaarschrift blijkt dat eiseres zich verzet tegen de beëindiging van de opvang en dat zij opvang wil voor de periode na ommekomst van de opvang genoemd in de Declaration. De rechtbank constateert dat verweerder niets heeft gedaan met dit bezwaar. Onder deze omstandigheden kan verweerder eiseres dan ook niet tegenwerpen dat zij geen aanvraag om continuering van de opvang heeft gedaan. De stelling van verweerder treft daarom geen doel.

8. Gelet op het voorgaande bevat het bestreden besluit gebreken. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De stelling van verweerder dat geen terugwerkende kracht aan het op 10 november 2014 openbaar gemaakte oordeel van het ECSR kan worden verbonden, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat hiervan het gevolg is voor onderhavige zaak.

9. Verweerder heeft inmiddels per 15 december 2014 een bed-bad-broodvoorziening ingesteld, die zoals in de aangehaalde uitspraak van 8 mei 2015 overwogen voldoet aan de vereisten voor een sobere basisvoorziening.

10. Opvang met terugwerkende kracht is niet mogelijk. Zoals in rov. 21 van de aangehaalde uitspraak van 8 mei 2015 overwogen, is niettemin procesbelang aanwezig vanwege de aanspraak op een dwangsom, de proceskosten in bezwaar en de mogelijkheid van het verzoeken om schadevergoeding.

11. In het kader van eiseres’ aanspraak op een dwangsom in verband met het te laat beslissen op de bezwaarschriften overweegt de rechtbank als volgt. Het bezwaarschrift van 27 december 2013 is in overleg met het kantoor van de gemachtigde van eiseres aangemerkt als aanvraag. Voor zover de ingebrekestelling ziet op dit bezwaarschrift, treft deze daarom geen doel.
De brief van 30 juni 2014 merkt de rechtbank niet aan als ingebrekestelling, nu uit deze brief niet duidelijk blijkt dat eiseres verweerder maant om een besluit te nemen.
De brief van 16 oktober 2014 merkt de rechtbank niet aan als een ingebrekestelling, nu het in feite een klacht betreft over de inhoud van het bestreden besluit. Het gaat immers over (niet beslissen op) opvang in de in geding zijnde periode.
Verweerder diende op grond van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht voor 10 juli 2014 te beslissen op het bezwaar van 29 april 2014 tegen het primaire besluit van 16 april 2014. Op 25 juni 2014 heeft de secretaris van de bezwaaradviescommissie een brief verstuurd, met het doel de termijn om op het bezwaar te beslissen te verlengen tot 20 augustus 2014. Uit de letterlijke tekst van de brief maakt de rechtbank op dat mededeling wordt gedaan van een beslissing tot verdaging namens het college van burgemeester en wethouders. Anders dan eiseres is de rechtbank dan ook van oordeel dat de beslistermijn rechtsgeldig is verdaagd tot 20 augustus 2014.

12. De dwangsom bij niet tijdig beslissen is geregeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb. Deze paragraaf is in artikel 7:14 van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard op besluiten op grond van afdeling 7.2 van de Awb betreffende bijzondere bepalingen over bezwaar. De in paragraaf 4.1.3.2 opgenomen regeling geldt daarom ook voor beslissingen op bezwaar.
In deze paragraaf staat artikel 4:17 van de Awb. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
In het tweede lid is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag bedraagt, de daarop volgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.
In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

13. De rechtbank stelt vast dat eiseres verweerder bij faxbericht van 20 augustus 2014 in gebreke heeft gesteld. Dit betekent dat verweerder tot en met 3 september 2014 een besluit kon nemen zonder een dwangsom te verbeuren. Verweerder heeft het besluit op bezwaar genomen op 6 oktober 2014. Dat is vier weken en vijf dagen te laat, zodat een dwangsom is verbeurd van € 900,-.

14. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat eiseres in de periode in geding, behoudens voor zover eiseres feitelijk opvang heeft genoten, recht heeft op maatschappelijke opvang overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de bed-bad-broodvoorziening niet voldoet aan de definitiebepaling in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmo. De rechtbank verwijst naar rov. 19 van haar uitspraak van 8 mei 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651). De rechtbank merkt op dat hiermee tevens het bezwaar van 7 maart 2014 is afgedaan. De beroepsgrond over de stukken behoeft geen bespreking meer.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Ten aanzien van de op de zitting gevoegd behandelde zaken is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Dit heeft tot gevolg dat in de fase van beroep deze zaken ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbp. Gelet op bijlage C2 bij het Bbp is de wegingsfactor 1,5. In beroep komt het bedrag aan proceskosten neer op € 1.102,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de inlichtingencomparitie, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1,5). De vergoeding voor deze proceshandelingen is reeds toegekend in de zaak [naam 1] (AMS 14/4475) zodat in deze zaak geen vergoeding meer wordt toegekend.

17. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar te veroordelen wegens het herroepen van het primaire besluit. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bbp in die gevallen waarin zaken gelijktijdig op een hoorzitting zijn behandeld. Het bezwaarschrift van eiseres is op de hoorzitting van 26 juni 2014 gevoegd behandeld met de bezwaarschriften van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Dit heeft tot gevolg dat in de bezwaarfase deze zaken ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in de artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbp. Gelet op bijlage C2 bij het Bbp is de wegingsfactor 1,5. In bezwaar komt het bedrag aan proceskosten neer op € 1.470,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1,5). De vergoeding voor deze proceshandelingen is reeds toegekend in de zaak [naam 2] (AMS 14/6823) zodat in deze zaak geen vergoeding meer wordt toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 900,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.