Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4737

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
13/710003-12 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Taakstraf van 100 uren voor deelname bankmedewerker aan bankfraude.

Onderzoek naar grootschalige phishing fraude. Betrokkenheid van verdachte speelde rol in de voorbereiding van de oplichting van ABN AMRO. Wetenschap over het aantal deelnemers en de taakverdeling had hij niet. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de daders van de oplichting is geen sprake geweest, wel van strafbare behulpzaamheid tot dit misdrijf. Daarom bewezenverklaring van medeplichtigheid.

Vrijspraak van deelneming aan een criminele organisatie. Weliswaar wist verdachte dat hij gedragingen verrichtte in opdracht van een organisatie, maar bewijs voor de concrete wetenschap van verdachte van de veronderstelde criminele organisatie en het opzet van verdachte op het oogmerk van de organisatie ontbreekt.

Beroep op psychische overmacht verworpen. Aannemelijk is dat op verdachte enige druk is uitgeoefend. Van een druk waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden, is echter niet gebleken.

Bij strafoplegging is rekening gehouden met de ernst van het feit. Met deze bankfraude is het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Vooral nu verdachte bij ABN AMRO werkzaam was. Hij heeft in ernstige mate misbreuk gemaakt van zijn positie en het in hem gestelde vertrouwen. Ook is schade veroorzaakt. Verder is gelet op de ondergeschikte rol van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn met negentien maanden.

ABN AMRO heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een schadevergoedingsvordering van € 316.500,- uit hoofde van schadeloosstelling van gedupeerde rekeninghouders. Nu de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd, deze door de verdediging gemotiveerd is betwist en namens ABN AMRO niemand ter terechtzitting was verschenen om de vordering toe te lichten, is de vordering niet-ontvankelijk verklaard.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2015/96

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710003-12 (promis)

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 mei 2015, 26 mei 2015 en 7 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Vriezen-Buist, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland

  • -

    in de periode van 11 december 2011 tot en met 21 december 2011 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) (feit 1 primair), dan wel medeplichtigheid aan (het medeplegen van) die oplichting (feit 1 subsidiair);

  • -

    in de periode van 28 november 2011 tot en met 9 januari 2012 heeft schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 2).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als eerste bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleidend

Op 15 maart 2011 heeft de politie onder de projectnaam [A] een landelijk onderzoek ingesteld naar gepleegde bedrijfsinbraken, waarbij het kennelijke doel van de daders het verkrijgen van bankpassen en de bijbehorende pincodes betrof. Gedurende het onderzoek is naar voren gekomen dat na de gepleegde inbraken, door middel van bankfraude, geldbedragen van de bankrekeningen van de getroffen rekeninghouders werden overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers en dat deze katvangers de geldbedragen opnamen om deze vervolgens af te geven. Het werven van de katvangers gebeurde op internet, via de kennissenkring op straat en bij voetbalpleintjes en hangplekken door zogenaamde ronselaars, die de katvangers er toe bewogen hun bankrekeningen ter beschikking te stellen. De verdachten die tijdens onderzoek [A] in beeld zijn gekomen en door de politie worden bestempeld als hoofdverdachten, zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ), [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) en [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10] ).

Uit de resultaten van onderzoek [A] heeft de politie afgeleid dat er organisatorisch te werk is gegaan en ter voorbereiding van het overboeken van de geldbedragen gebruik is gemaakt van twee werkwijzen. Het verschil in deze werkwijzen is gelegen in de manier waarop informatie over de klantgegevens van rekeninghouders werd verkregen om de bankfraude mogelijk te maken. In eerste instantie gebeurde dit door het verspreiden van e-mails waarin de website van een bankinstelling werd nagebootst en rekeninghouders werd gevraagd persoonlijke gegevens in te vullen. Daarna werd informatie verkregen door het stelselmatig verduisteren van poststukken van bankinstellingen, inhoudende klantgegevens, bankpassen en pinbrieven. Voor beide werkwijzen werd voorts gebruik gemaakt van de diensten en informatie van bankmedewerkers.

De politie heeft onderzoek gedaan naar aanwijzingen voor de betrokkenheid van bankmedewerkers bij de bankfraude en bankinstellingen hiervan op de hoogte gesteld. Mede naar aanleiding van deze informatie hebben bankinstellingen op het moment dat rekeninghouders zich meldden als slachtoffer van fraude, nader intern onderzoek verricht. Dit onderzoek hield in dat de bankrekeningen van de rekeninghouders werden bekeken op het feit of bankmedewerkers zonder noodzaak de betreffende rekeningen hadden geraadpleegd, ten behoeve van het vergaren van informatie als de personalia en handtekeningen van de rekeninghouders, pasnummers, saldi en opnamelimieten. Dit viel na te gaan met behulp van de gebruikerscodes die alle bankmedewerkers hebben om te kunnen inloggen in de banksystemen.

Volgens de politie volgt uit het onderzoek dat verdachte, die werkzaam was bij ABN AMRO, raadplegingen heeft gedaan van klantgegevens van rekeninghouders die later slachtoffer zijn geworden van fraude, terwijl daar in het kader van zijn werkzaamheden geen aanleiding voor was.


Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij door het verstrekken van informatie over klantgegevens van rekeninghouders van ABN AMRO aan derden en het wijzigen van adressen van deze rekeninghouders, zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan oplichting van ABN AMRO, dan wel medeplichtigheid daaraan.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten is bij de politie voorts het vermoeden ontstaan dat sprake is geweest van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarbij de hoofdverdachten een cruciale rol speelden en enkele van hen de leidinggevende figuren waren. Volgens de politie is uit het onderzoek gebleken dat sprake was van een georganiseerd, structureel samenwerkingsverband, gericht op fraude- en vermogensdelicten. De organisatie kenmerkte zich door professionaliteit, hiërarchie en rolverdeling. Tevens werd gebruik gemaakt van een grootschalig bestand aan klantgegevens van rekeninghouders, professionele digitale nabootsapparatuur van bankwebsites en een draaiboek voor telefoongesprekken die door een nepbankmedewerker werden gevoerd. Aldus de politie.

Aan verdachte, ten tijde van het tenlastegelegde werkzaam als bankmedewerker, is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan deelname aan deze criminele organisatie.

De vraag die thans voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden, alsmede de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting, voldoende redengevend zijn voor het bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij deze strafbare feiten.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken, met name zaakdossier Bankmedewerkers, het onder 1 primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte klantgegevens van rekeninghouders [rekeninghouder 1] (hierna: [rekeninghouder 1] ), [rekeninghouder 2] (hierna: [rekeninghouder 2] ) en [rekeninghouder 3] (hierna: [rekeninghouder 3] ) in het banksysteem van ABN AMRO heeft geraadpleegd, voor deze rekeninghouders nieuwe bankpassen heeft aangevraagd en voor [rekeninghouder 2] een adreswijziging heeft verricht, zonder dat daar een zakelijke aanleiding voor was en terwijl de rekeninghouders hier nimmer om hebben verzocht. Verdachte heeft informatie over de klantgegevens verstrekt aan zijn mededaders, die ABN AMRO met gebruikmaking van de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen hebben bewogen tot de afgifte van bankpassen en geldbedragen. Verdachte wist dat met de informatie die hij verstrekte en de gedragingen die hij verrichtte, oplichting werd gepleegd. Door aldus te handelen heeft verdachte zich als medepleger hieraan schuldig gemaakt.

Op basis van de bewijsmiddelen kan volgens de officier van justitie ook het onder 2 ten laste gelegde feit worden bewezen, namelijk dat verdachte heeft deelgenomen aan een georganiseerd en duurzaam samenwerkingsverband bestaande uit onder meer de hierboven genoemde hoofdverdachten en gericht op het plegen van misdrijven. Uit het dossier, met name zaakdossier Artikel 140 Sr, is gebleken dat de criminele organisatie zich gedurende een langere periode in de jaren 2011 en 2012 heeft schuldig gemaakt aan het verduisteren van poststukken, het oplichten van bankinstellingen en het witwassen van de opbrengsten uit deze misdrijven. Op basis van de bewijsmiddelen is een interne structuur af te leiden van onder andere leiders, ronselaars, katvangers, postmedewerkers en bankmedewerkers, zoals verdachte. De verschillende deelnemers hadden in de criminele organisatie ieder hun eigen rol. Bankmedewerkers checkten de klantgegevens, maakten adreswijzigingen, verhoogden opnamelimieten en vroegen nieuwe bankpassen en pincodes aan. Zonder deze gedragingen zouden de door de organisatie beoogde misdrijven niet, dan wel niet zo succesvol, zijn gepleegd. Verdachte had een vertrouwenspositie binnen ABN AMRO en beschikte over bevoegdheden die willekeurige andere personen niet hadden. Hij was daarmee, anders dan de katvangers, niet inwisselbaar. Verdachte had zijn eigen specifieke taak en die taak was cruciaal voor het welslagen van de beoogde misdrijven.

Voor het medeplegen van de oplichting van ABN AMRO en de deelneming door verdachte aan de criminele organisatie is in het bijzonder redengevend dat verdachte meermalen misdrijven heeft begaan tijdens zijn werkzaamheden bij ABN AMRO en meermalen heeft meegewerkt aan de oplichting van ABN AMRO. Verdachte heeft verklaard over de contactpersonen voor wie hij de klantgegevens raadpleegde en aan wie hij informatie verstrekte, namelijk [naam 1] en [naam 2] , en de omstandigheden dat hij zich er van bewust was dat meer personen bij de organisatie waren betrokken en wist wat het oogmerk van de organisatie was. In dit verband is tevens van belang dat verdachte behalve de in de tenlastelegging onder 1 verweten gedragingen, ook opnamelimieten van bankpassen van rekeninghouders en katvangers verhoogde.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat verdachte op het moment van het begaan van de ten laste gelegde de gedragingen wetenschap had van het oogmerk van anderen om oplichting te plegen en (voorwaardelijk) opzet had op deelnemen aan dat misdrijf. Het is gezien de inhoud van het dossier aannemelijker dat personen aan de balie zijn gekomen, die zich hebben voorgedaan als de in de tenlastelegging genoemde rekeninghouders en om adreswijzigingen en nieuwe bankpassen hebben verzocht.

Als de rechtbank aan dit verweer voorbij gaat en tot een bewezenverklaring van de oplichting van ABN AMRO komt, dan kan op basis van het dossier niet worden bewezen dat verdachte een zodanige significante of wezenlijke (intellectuele en/of materiële) bijdrage heeft geleverd, dat tussen verdachte en de daders van die oplichting sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Het aandeel van verdachte was te marginaal om als medepleger te worden beschouwd. Zijn betrokkenheid bij de oplichting is niet verder gegaan dan medeplichtigheid.

De raadsman heeft voorts vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de conclusie dat verdachte aan een criminele organisatie heeft deelgenomen. De rol die verdachte heeft gespeeld, komt niet in de buurt van die van een deelnemer aan een criminele organisatie. De omstandigheden dat verdachte wetenschap had van een zekere mate van organisatie en heeft deelgenomen aan de oplichting van ABN AMRO, zijn voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onvoldoende. Bovendien heeft verdachte slechts onder druk van bedreigingen gedragingen verricht, zodat van het behoren tot een samenwerkingsverband geen sprake is geweest.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in de tweede bijlage bij dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.4.1.

Oplichting van ABN AMRO (feit 1)

Oplichting

Op basis van de feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat, kan worden bewezen dat ABN AMRO onder valse, leugenachtige voorwendselen, namelijk door gebruikmaking van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, met betrekking tot de bankrekeningen van rekeninghouders [rekeninghouder 1] , [rekeninghouder 2] en [rekeninghouder 3] is bewogen tot de afgifte van bankpassen en geldbedragen, waarbij het oogmerk van de daders het wederrechtelijk bevoordelen van zichzelf en/of (een) ander(en) betrof. In dit verband wordt onder meer naar de volgende feiten en omstandigheden verwezen.

Met betrekking tot rekeninghouder [rekeninghouder 1]

  • -

    Op 8 december 2011 heeft verdachte de klantgegevens van [rekeninghouder 1] in het banksysteem van ABN AMRO geraadpleegd en een nieuwe bankpas en een pinbrief ten behoeve van deze rekeninghouder aangevraagd. De vervangende bankpas is door de bank afgegeven, waarna die bankpas door (een) fraudeur(s) is bemachtigd.

  • -

    Nadat de nieuwe bankpas op 15 december 2011 werd geactiveerd, werd op 19 december 2011 met de bankpas ingelogd voor internetbankieren. Vervolgens werd vanaf de spaarrekening van [rekeninghouder 1] een geldbedrag van € 5.000,- overgeboekt naar haar betaalrekening.

  • -

    Op 20 december 2011 werden met de nieuwe bankpas vanaf de bankrekening van [rekeninghouder 1] geldbedragen van € 2.000,-, € 2.000,- en € 1.000,- contant opgenomen.

  • -

    Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de nieuwe bankpas verzocht en was zij niet van de overboeking en opnames op de hoogte.

Met betrekking tot rekeninghouder [rekeninghouder 2]

  • -

    Op 13 december 2011 heeft verdachte omstreeks 14.58 uur de klantgegevens van [rekeninghouder 2] in het banksysteem van ABN AMRO geraadpleegd en het adres van deze rekeninghouder gewijzigd. Vervolgens heeft verdachte omstreeks 15.05 uur de bankpas van [rekeninghouder 2] laten vervallen en een nieuwe bankpas aangevraagd. De nieuwe bankpas met nummer [nummer 1] is door de bank afgegeven, waarna die bankpas door (een) fraudeur(s) is bemachtigd en op 19 december 2011 is geprobeerd die bankpas te activeren.

  • -

    Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de adreswijziging en nieuwe bankpas verzocht.

Met betrekking tot rekeninghouder [rekeninghouder 3]

  • -

    Op 14 december 2011 heeft verdachte de klantgegevens van [rekeninghouder 3] in het banksysteem van ABN AMRO geraadpleegd en een nieuwe bankpas en een pinbrief op naam van deze rekeninghouder aangevraagd. De vervangende bankpas met nummer [nummer 2] is door de bank afgegeven, waarna die bankpas door (een) fraudeur(s) is bemachtigd.

  • -

    Nadat op 21 december 2011 de nieuwe bankpas werd geactiveerd, werden vanaf de bankrekening van [rekeninghouder 3] overgeboekt een geldbedrag € 86.999,85 naar de bankrekening van [persoon 1] , een totaalgeldbedrag van € 14.000,- naar de bankrekening van [persoon 2] , een geldbedrag van € 9.000,- naar de bankrekening van [persoon 3] en een geldbedrag van € 8.000,- naar de bankrekening van [persoon 4] .

  • -

    Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de nieuwe bankpas verzocht en was hij van de overboekingen niet op de hoogte.

Deelneming door verdachte

Verdachte heeft, zonder een zakelijke aanleiding en een verzoek van de rekeninghouders daartoe, de klantgegevens van de ten laste gelegde rekeninghouders geraadpleegd. Daarna is ten aanzien van de bankrekeningen van die rekeninghouders fraude gepleegd. Verdachte heeft hierover samengevat het volgende verklaard.

Verdachte heeft vanaf september 2011 in opbracht van anderen, waaronder zijn contactpersonen [naam 1] en [naam 2] , klantgegevens van rekeninghouders van ABN AMRO geraadpleegd, informatie over die klantgegevens verstrekt, adressen gewijzigd, nieuwe bankpassen aangevraagd en opnamelimieten van bankpassen verhoogd. Verdachte wist dat dit zonder instemming en medeweten van de betreffende rekeninghouders geschiedde. Verdachte wist ook dat anderen met de informatie die hij verschafte, fraude pleegden, namelijk dat bankpassen werden aangevraagd en paslimieten werden verhoogd om geldbedragen van de bankrekeningen van de rekeninghouders over te boeken. Hiervoor was de organisatie van [naam 1] en [naam 2] , die beiden leidinggevende figuren waren, verantwoordelijk. Zij speelden de informatie van verdachte aan anderen door.

Verdachte heeft ontkend klantgegevens van [rekeninghouder 1] en [rekeninghouder 2] te hebben verstrekt aan derden of te kwader trouw te hebben gewijzigd. De rekeninghouders kwamen in persoon bij verdachte aan de servicebalie om een nieuwe bankpas te verzoeken. [rekeninghouder 2] verzocht daarnaast ook om een adreswijziging. Verdachte heeft vervolgens de hiervoor noodzakelijke handelingen verricht, zoals het raadplegen van de klantgegevens.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen door verdachte kan worden aangemerkt als het medeplegen van oplichting of de medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting.

Juridisch kader voor medeplegen en medeplichtigheid

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat wordt vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO9905). Niet nodig is namelijk dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, noch dat zij op de hoogte zijn van alle details van de criminele activiteiten. De deelnemers moeten zich er echter wel van bewust zijn dat zij samenwerken en moeten weten waarop die samenwerking is gericht, oftewel welk doel zij gezamenlijk verwezenlijken. (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2013:5976)

De vraag of een samenwerking tussen mededaders zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. In zijn arrest van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is, terwijl het kernverwijt bij medeplichtigheid het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf betreft (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BO2629).


Eén en ander brengt mee dat indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht, op de rechter de taak rust om zijn keuze voor een kwalificatie van medeplegen ofwel medeplichtigheid nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel hierover kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3474, r.o. 3.2.2.).

Beoordeling van het ten laste gelegde

De rechtbank neemt het bovenstaande als uitgangspunt en overweegt als volgt.

Medeplichtigheid

Uit het dossier volgt dat de gedragingen van verdachte een rol hebben gespeeld in de voorbereiding van de oplichting van ABN AMRO. Verdachte heeft in opdracht van anderen onder andere klantgegevens van rekeninghouders van ABN AMRO geraadpleegd, bankpassen aangevraagd en informatie verstrekt aan zijn contactpersonen, die hij als leidinggevende figuren van de organisatie beschouwde en die deze informatie weer doorspeelden aan anderen. Verdachte was niet op de hoogte van het aantal deelnemers en de precieze taakverdeling bij het plegen van de oplichting en heeft geen bijdrage geleverd aan de uitvoering of afhandeling van dit misdrijf. Voorts is niet gebleken dat hij van (zijn deelname aan) de begane oplichting heeft geprofiteerd.

Al deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat van medeplegen, namelijk een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de daders van de oplichting, geen sprake is geweest. Verdachte heeft door informatie te verschaffen het begaan van het misdrijf voor anderen vergemakkelijkt. Deze behulpzaamheid tot het plegen van (het medeplegen van) de oplichting van ABN AMRO moet worden gekwalificeerd als medeplichtigheid.

Opzet

Om tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan oplichting te kunnen komen, moet komen vast te staan dat het opzet van verdachte was gericht op zowel zijn eigen bijdrage als het misdrijf dat hij daarmee heeft ondersteund.

Verdachte heeft als bankmedewerker gedurende een langere periode vertrouwelijke klantgegevens van rekeninghouders verstrekt aan derden, zonder een verzoek van de rekeninghouders daartoe en zonder dat zij hiervan op de hoogte waren. Gegeven zijn verklaring wist verdachte dat met de inlichtingen die hij verschafte, anderen de betreffende rekeninghouders, in het bijzonder [rekeninghouder 3] , en ABN AMRO onder valse voorwendselen konden bewegen tot de afgifte van bankpassen, pinbrieven en geldbedragen. Hij moet voorts hebben geweten dat het oogmerk van de daders daarbij was gericht op wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf en/of (een) ander(en). De gedragingen van verdachte kunnen dan ook, naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zo zeer gericht op het behulpzaam zijn tot het plegen van bovenbedoelde oplichting van de bank, dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op die oplichting alsmede de medeplichtigheid aan die oplichting.

Dat geldt ook voor de oplichting die is begaan met betrekking tot [rekeninghouder 2] . Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat:

  • -

    het gaat om een rekeninghouder uit Amsterdam die in het bankfiliaal waar verdachte werkzaam was, in Den Haag, om een adreswijziging kwam verzoeken;

  • -

    de handtekening op het adreswijzigingsformulier, die volgens verdachte met moeite werd geplaatst, niet overeenkwam met de originele handtekening van [rekeninghouder 2] in het handtekeningensysteem van de bank;

  • -

    het handschrift van de handtekening op het adreswijzigingsformulier blijkens de aangifte van ABN AMRO gelijkenissen vertoonde met het handschrift van verdachte;

  • -

    verdachte de adreswijziging en pasaanvraag op naam van de rekeninghouder heeft doorgevoerd, terwijl het legitimatiebewijs dat ter identificatie aan verdachte was overhandigd, niet had mogen worden geaccepteerd vanwege een melding van het controlesysteem met betrekking tot de staat van legitimatiebewijs;

  • -

    de handtekening en foto op dat legitimatiebewijs niet overeenkwamen met de handtekening en foto van [rekeninghouder 2] in het banksysteem;

  • -

    [naam 2] – waarvan verdachte wist dat hij samen met [naam 1] personen naar het bankfiliaal van verdachte stuurde om zich aan de servicebalie voor te doen als zogenaamde rekeninghouders en die verdachte als een leidinggevende binnen de organisatie beschouwt – al in het filiaal aanwezig was toen de rekeninghouder bij hem aan de servicebalie verscheen.

Door vervolgens, onder de gegeven omstandigheden, de adreswijziging toch door te voeren en een nieuwe pas voor [rekeninghouder 2] aan te vragen, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat hij deze werkzaamheden verrichtte in het kader van een oplichting welbewust aanvaard. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte ook met betrekking tot [rekeninghouder 2] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de oplichting van ABN AMRO alsmede de medeplichtigheid aan die oplichting.

Conclusies met betrekking tot feit 1

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het aan hem onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte wordt daarom hiervan vrijgesproken. Wel is het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen, namelijk dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting van ABN AMRO, en wel voor zover het de rekeninghouders [rekeninghouder 2] en [rekeninghouder 3] betreft.

Dit ligt anders voor [rekeninghouder 1] . Uit het dossier volgt dat de gedragingen van verdachte met betrekking tot deze rekeninghouder een rol hebben gespeeld in de voorbereiding van de oplichting van ABN AMRO. Hoewel dit opvallend te noemen is, kan dit niet zonder meer tot de conclusie leiden dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij en opzet heeft gehad op de aan hem ten laste gelegde deelneming aan de oplichting. Immers, niet kan worden uitgesloten dat verdachte de klantgegevens van [rekeninghouder 1] in het kader van zijn gewone werkzaamheden, te goeder trouw heeft geraadpleegd en gewijzigd, namelijk op het moment dat een persoon, die zich voordeed als de rekeninghouder, bij verdachte aan de servicebalie kwam om een nieuwe bankpas te verzoeken. Bij gebreke van bijkomend bewijs zal verdachte daarom met betrekking tot deze rekeninghouder worden vrijgesproken.

4.4.2.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 2)

Juridisch kader

Verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had misdrijven te plegen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Onder een organisatie als bedoeld in dit artikel moet worden verstaan een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Hoewel het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die behoren tot de organisatie, moet een deelnemer, om tot de organisatie te behoren, wel een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel die gedragingen ondersteunen. Niet is vereist dat een deelnemer de door de organisatie beoogde misdrijven heeft uitgevoerd of opzet op die misdrijven had. Wel is opzet (in voorwaardelijke zin) vereist voor de wetenschap van de deelnemer dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Deelname aan een criminele organisatie betreft een zelfstandig strafbaar feit, waarbij een persoon strafbaar is louter vanwege zijn deelneming aan die organisatie. Dat betekent dat van het begaan van dat strafbare feit al sprake kan zijn als (nog) geen (andere) strafbare feiten zijn gepleegd, maar wel het oogmerk daartoe bestaat alsmede de deelneming hieraan. Omgekeerd brengt dit mee dat bewezenverklaring van ten laste gelegde betrokkenheid bij strafbare feiten niet automatisch tot bewezenverklaring van deelname aan de criminele organisatie leidt.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voldoende samenhang in het handelen van de veronderstelde deelnemers aan de criminele organisatie, moet worden gezocht naar aanwijzingen of aanknopingspunten dat deze deelnemers zich bewust waren van hun rol of taak in het geheel, zoals te vinden zouden zijn in de aard en frequentie van onderlinge afspraken en contacten. Uiteraard kunnen tot het bewijs van een dergelijke bewuste betrokkenheid ook bijdragen bewijsmiddelen die reeds dienen als redengevende feiten en omstandigheden voor bewezenverklaring van naast die van deelneming aan de criminele organisatie ten laste gelegde feiten (vgl. ECLI:NL:RBNHO:2015:2189). Voorts is van belang dat ook gedragingen van een verdachte die medeplichtigheid aan enig misdrijf opleveren, waarop het oogmerk van een criminele organisatie was gericht, kunnen worden gekwalificeerd als deelneming aan die organisatie (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM4415, r.o. 3.5.1).

Binnen dit juridisch kader zal de rechtbank bezien of uit de resultaten van onderzoek [A] , die zijn neergelegd in het strafdossier, alsmede uit de informatie die het onderzoek ter terechtzitting heeft opgeleverd, in voldoende mate onderbouwd kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een criminele organisatie, waaraan verdachte heeft deelgenomen.

Beoordeling van het ten laste gelegde


Inherent aan de vorm van fraude die gedurende onderzoek [A] aan het licht is gekomen, is een zekere mate van organisatie van de activiteiten. Immers, de klantgegevens van rekeninghouders van de bankinstellingen moeten al dan niet via bankmedewerkers worden verkregen, aanvragen voor nieuwe bankpassen en pinbrieven moeten worden ingediend, katvangers moeten worden geronseld en indien nodig van valse identiteitsdocumenten worden voorzien om bankpassen en pinbrieven bij postkantoren af te halen, tegenrekeningen moeten beschikbaar zijn om geldbedragen van de rekeninghouders naar over te boeken en er zijn mededaders nodig die na overboekingen (delen van) de geldbedragen opnemen.

Op basis van de onderzoeksresultaten heeft de officier van justitie geconcludeerd dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een criminele organisatie, bestaande uit onder meer [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] . Deze organisatie had het oogmerk misdrijven te plegen, te weten oplichting, (gewoonte)witwassen, verduistering gepleegd door een postfunctionaris en/of diefstal met valse sleutel. Verdachte zou volgens de officier van justitie tot deze criminele organisatie behoren.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte onder andere klantgegevens van een aantal rekeninghouders van ABN AMRO heeft geraadpleegd en gewijzigd, waarna ten aanzien van de bankrekeningen van deze rekeninghouders fraude is gepleegd. Ook kan worden afgeleid dat bij verdachte in zijn algemeenheid sprake was van het bewustzijn dat hij de raadplegingen verrichtte in opdracht van en vertrouwelijke informatie verschafte aan personen die deel uitmaakten van een organisatie, die het oogmerk had om met gebruikmaking van die informatie (fraude)misdrijven te plegen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het verband tussen verdachte en (andere leden van) de criminele organisatie verwezen naar de omstandigheid dat verdachte in verband kan worden gebracht met een bankrekening die is geraadpleegd door medeverdachte [medeverdachte 11] , die evenals verdachte werkzaam was bij ABN AMRO, en ten aanzien waarvan later fraude is gepleegd. Daarnaast is uit onderzoek naar de mobiele telefoon van verdachte naar voren gekomen dat op die telefoon foto’s van notities van klantgegevens van ABN AMRO en berichten met betrekking tot de oplichting van ABN AMRO stonden opgeslagen. Voorts is van belang dat verdachte in die berichten gebruik maakte van de versluierde taal en afkortingen die door de organisatie werden gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten en omstandigheden onvoldoende redengevend voor de conclusie dat verdachte concrete wetenschap had van de veronderstelde criminele organisatie en (voorwaardelijk) opzet had op het oogmerk van deze organisatie om misdrijven te plegen, en dus voor de conclusie dat hij aan deze criminele organisatie heeft deelgenomen. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte intensieve contacten heeft onderhouden met één of meer van de in de tenlastelegging genoemde personen, laat staan dat is gebleken verdachte met deze personen een duurzaam samenwerkingsverband heeft gevormd. Nu de rechtbank in de bewijsmiddelen ook geen andere aanknopingspunten voor de bewuste betrokkenheid van verdachte bij deze criminele organisatie ziet, acht zij het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie met betrekking tot feit 2

Het vorenstaande leidt ertoe dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit

een ander in de periode van 11 december 2011 tot en met 21 december 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels ABN AMRO Bank N.V. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen en bankpassen, immers heeft/hebben een ander of anderen aldaar

- op of omstreeks 19 december 2011 een bankpas (nummer [nummer 1] ten name van [rekeninghouder 2] ) ontvangen, en

- op 21 december 2011 een bankpas (nummer [nummer 2] ten name van [rekeninghouder 3] ) geactiveerd en vervolgens een geldbedrag ter hoogte van 86.999,95 euro overgeboekt van de rekening van die [rekeninghouder 3] naar de rekening van [persoon 1] en geldbedragen ter hoogte van 9.000 euro en 5.000 euro overgeboekt van de rekening van die [rekeninghouder 3] naar de rekening van [persoon 2] en een geldbedrag ter hoogte van 9.000 euro overgeboekt van de rekening van die [rekeninghouder 3] naar de rekening van [persoon 3] en een geldbedrag ter hoogte van 8.000 euro overgeboekt van de rekening van die [rekeninghouder 3] naar de rekening van [persoon 4] , terwijl die [rekeninghouder 3] hier nimmer om verzocht heeft,

tot het plegen van welk misdrijf hij opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door aldaar

- op 13 december 2011 het adres van [rekeninghouder 2] (klant van ABN AMRO Bank N.V. te Amsterdam en gebruik makend van rekeningnummer [rekeningnummer] ) te wijzigen van [adres, te plaats 2] in [adres, te plaats 3] , terwijl die [rekeninghouder 2] hier nimmer om heeft verzocht, en een legitimatiebewijs in te scannen, terwijl de foto op dat legitimatiebewijs niet van die [rekeninghouder 2] was, en vervolgens de bankpas met nummer [nummer 3] van die [rekeninghouder 2] te laten vervallen (omdat die [rekeninghouder 2] zijn pincode vergeten zou zijn), terwijl die [rekeninghouder 2] hier geen wetenschap van had en hier nimmer om verzocht heeft, en vervolgens een nieuwe bankpas met nummer [nummer 1] voor die [rekeninghouder 2] aan te vragen, terwijl die [rekeninghouder 2] hier nimmer om verzocht heeft en daar in het kader van zijn werkzaamheden voor ABN AMRO Bank N.V. geen aanleiding voor was, en

- op 14 december 2011 een nieuwe bankpas met nummer [nummer 2] en een pinbrief voor [rekeninghouder 3] aan te vragen, terwijl die [rekeninghouder 3] hier nimmer om verzocht heeft en daar in het kader van zijn werkzaamheden voor ABN AMRO Bank N.V. geen aanleiding voor was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

6.1.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.2.

De strafbaarheid van verdachte

6.2.1.

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft bepleit dat ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde gedragingen bij verdachte sprake was van psychische overmacht, omdat verdachte werd bedreigd door zijn opdrachtgevers, zodat hij niet strafbaar kan worden geacht voor zijn deelneming aan de oplichting van ABN AMRO en ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.

6.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat het beroep op psychische overmacht niet kan slagen, omdat concrete aanwijzingen voor een van buiten komende psychische druk in het dossier ontbreken. Voorts acht de officier van justitie op basis van het dossier bewezen dat verdachte niet heeft gehandeld uit psychische druk, maar uit geldelijk gewin.

6.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het bestaan van psychische overmacht moet berusten op feiten en omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een van buiten komende dwang, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Zodanige feiten en omstandigheden zijn de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, niet gebleken. Aannemelijk is geworden verdachte in opdracht heeft gehandeld van personen die deel uitmaakten van een organisatie die verantwoordelijk was voor de oplichting van de bank en dat daarbij vanuit die organisatie op verdachte enige druk is uitgeoefend. Echter, naar het oordeel van de rechtbank kan onder de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat van verdachte redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij in de gegeven situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan. Verdachte heeft bewust de keuze gemaakt om aan de opdrachten en wensen van zijn opdrachtgevers gehoor te geven, terwijl voor hem evenwel ook een andere keuze bestond, namelijk ervoor te kiezen om de druk en benaderingen vanuit de organisatie te melden bij (een vertrouwenspersoon bij) de bank of de politie. Dit had gegeven de omstandigheden, waaronder de lange periode waarin hij naar eigen zeggen de gevraagde handelingen verrichtte, op zijn weg gelegen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zodat verdachte strafbaar is.

7 Motivering van de straf

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gezien de ernst van de volgens haar bewezen te achten feiten en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging acht te slaan op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is, de omstandigheid dat verdachte de verweten gedragingen heeft begaan onder psychische druk en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop moet de vordering van de officier van justitie worden gematigd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting. Hij is aangehouden naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige bankfraude, waarbij de daders, die zich voordeden als rekeninghouders van bankinstellingen, op naam van deze rekeninghouders bankpassen en pinbrieven hebben aangevraagd en geldbedragen van de bankrekeningen van de rekeninghouders middels contante geldopnames en overboekingen hebben weggesluisd. Verdachte was behulpzaam tot het plegen van deze oplichting en heeft het plegen van dit misdrijf voor de daders vergemakkelijkt.

Door deze vorm van fraude is het vertrouwen van de betrokken rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Vooral nu verdachte ten tijde van de oplichting bij ABN AMRO werkzaam was. Hij heeft in ernstige mate misbreuk gemaakt van zijn positie en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen. Ook heeft de oplichting voor ABN AMRO schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat bovendien het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting voorts acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel van justitiële documentatie van 23 april 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en artikel 63 Sr van toepassing is, en op de door de verdediging naar voren gebrachte en uit het reclasseringsadvies van 13 juni 2012 gebleken persoonlijke omstandigheden. De raadsman heeft bepleit dat de psychische druk waaronder verdachte ten tijde van zijn deelname aan de oplichting van ABN AMRO stond, maakt dat verdachte onvrijwillig aan de oplichting heeft deelgenomen. Dit zou moeten leiden tot strafvermindering.

De rechtbank wijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor onder 6.2.3. heeft overwogen. Onder de gegeven omstandigheden kan niet worden gezegd dat van verdachte redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij in de gegeven situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan. Dit betekent dat de rechtbank hierin dan ook geen strafverlichtende omstandigheid ziet. De rechtbank houdt bij de strafoplegging uiteraard wel rekening met de onderschikte rol die verdachte in het geheel van de oplichtingsgedragingen, namelijk als medeplichtige, heeft vervuld.

Redelijke termijn

Met betrekking tot de keuze van de op te leggen straf en de duur of hoogte daarvan houdt de rechtbank ten slotte rekening met het tijdsverloop in deze zaak.

Op 9 januari 2012 is verdachte in het kader van onderzoek [A] aangehouden en in verzekering gesteld, waarna jegens hem de voorlopige hechtenis is bevolen. Nu in dit onderzoek niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht, waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen, dat tegen hem in deze zaak door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld, zal de rechtbank deze datum als aanvangsdatum nemen. (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.12.1)

Het eindvonnis wordt thans, op 21 juli 2015, gewezen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.13.1-3.14). Nu de rechtbank van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op negentien maanden.

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.21).

Conclusie ten aanzien van de straf

Alles in aanmerking genomen, waaronder ook de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken plegen op te leggen en de oriëntatiepunten fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, ziet de rechtbank aanleiding van de vordering van de officier van justitie af te wijken en verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8 De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij ABN AMRO heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde betaling van € 316.500,- aan materiële schadevergoeding gevorderd. Dit geldbedrag bestaat uit frauduleus overgeboekte en opgenomen geldbedragen vanaf de bankrekeningen van de in de tenlastelegging genoemde rekeninghouders van ABN AMRO.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van ABN AMRO hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 75.797,84 toe te wijzen. Dit geldbedrag betreft het totaalbedrag dat de bank na overboeken niet heeft kunnen veiligstellen en dus het bedrag waarvoor de bank is benadeeld. Verdachte heeft volgens de officier van justitie het strafbare feit samen met anderen begaan, wat betekent dat verdachte en zijn mededaders, die later dit jaar of volgend jaar zullen worden vervolgd, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door ABN AMRO geleden schade.

De officier van justitie heeft verzocht ABN AMRO ten aanzien van het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van ABN AMRO niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het begane feit niet gebleken. Allereerst wordt rechtstreekse schade alleen geleden door de personen aan wie onmiddellijk door het strafbare feit schade is toegebracht. In deze zaak betreft dit de rekeninghouders. Bovendien is de door de gevorderde schade niet naar het handelen van verdachte te herleiden. Subsidiair is de vordering van ABN AMRO onevenredig bezwarend voor een behandeling in de onderhavige zaak vanwege de hoogte van het gevorderde schadebedrag. Meer subsidiair is de behandeling van de vordering onevenredig bezwarend voor dit strafproces, omdat de vordering summier is opgesteld en niet (nader) is gemotiveerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het civielrechtelijke karakter van een vordering benadeelde partij met zich brengt dat de vordering zal moeten worden onderbouwd. In het algemeen geldt dat voor zover de benadeelde partij dat achterwege laat door noch bescheiden te overleggen waarmee de vordering kan worden gestaafd, noch ter terechtzitting te verschijnen om de vordering nader toe te lichten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering.

De rechtbank stelt vast dat de vordering benadeelde partij van ABN AMRO onvoldoende met stukken is onderbouwd, nu deze vordering slechts is voorzien van een schema waarin de in het voegingsformulier genoemde schadeposten zijn uitgesplitst. De raadsman heeft de vordering gemotiveerd betwist. Namens de benadeelde partij is niemand ter terechtzitting verschenen om de vordering nader toe te lichten en de vragen over de vordering te beantwoorden.

In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering benadeelde partij van ABN AMRO een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit betekent dat de rechtbank ABN AMRO niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.

Met deze beslissing komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke bespreking van de vordering benadeelde partij en de verweren van de verdediging hierover, en de beantwoording van de vraag of bij toewijzing van die vordering de schadevergoedingsmaatregel al dan niet zou moeten worden opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 48, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

10 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit

- medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 50 (vijftig) dagen zal worden toegepast, met bevel dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Verklaart ABN AMRO niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,

mrs. M.J. Diemer en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2015.