Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:45

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2015
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
C/13/577087 / KG ZA 14-1512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen tot uit de handel nemen roman en tot rectificatie afgewezen.

De publicatie van het boek wordt niet onrechtmatig geacht jegens de vader van de auteur.

Belang van expressievrijheid van de auteur weegt zwaarder dan privébelangen vader. Duidelijk dat sprake is van fictie, ook al heeft de auteur zich door reëel bestaande personen laten inspireren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/577087 / KG ZA 14-1512 MvW/MB

Vonnis in kort geding van 8 januari 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 8 december 2014,

advocaat mr. W.J.F. Geertsen te Maastricht,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITGEVERIJ ATLAS CONTACT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. Chr.A. Alberdingk Thijm te Amsterdam.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 17 december 2014 heeft eiser, hierna [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, hierna gezamenlijk (ook) [gedaagde] en afzonderlijk [gedaagde] en Atlas, hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. [eiser] en gedaagden hebben producties in het geding gebracht en gedaagden hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van een (overgelegde) pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang: aan de zijde van [eiser]: [eiser] en mr. Geertsen;

aan de zijde van gedaagden: [gedaagde], mevrouw [naam 1], verbonden aan Atlas en mr. Alberdingk Thijm.

Tevens waren aanwezig [naam 2], [naam 3] en [naam 4], respectievelijk de moeder, zuster en halfbroer van [gedaagde].

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is de oudste dochter van [eiser]

2.2.

[eiser] is woonachtig in [woonplaats]. Hij is oprichter en eigenaar van [naam bureau], een bureau dat bijna 20 jaar bestaat en is gevestigd in [vestigingsplaats]. Daarnaast is [eiser] voorzitter van de Raad van Commissarissen van een lokale woningstichting en lid van de [naam club].

2.3.

[eiser] en de moeder van [gedaagde] zijn in december 2013 gescheiden.

2.4.

[gedaagde] heeft een boek geschreven met de titel “Iedereen kan schilderen”. Dit boek, het debuut van [gedaagde], (hierna: het boek) is uitgegeven door Atlas en is begin september 2014 op de markt gebracht. Op het boek is vermeld dat het een roman betreft.

2.5.

Op pagina 4 van het boek staat de volgende tekst:

Hoewel werkelijke gebeurtenissen en personen de inspiratie vormden tot het schrijven van dit verhaal, berusten zowel het verhaalverloop als de personages op fictie.”

2.6.

Een van de hoofdpersonen in het boek is een vaderfiguur die Hans Kostons heet. Op pagina 49 staat het volgende:

Dan Hans, Hans, ach Hans. We weten wel hoe Hans zich gedraagt, maar we weten nog altijd niet precies waaraan Hans lijdt. De DSM-5 biedt de deskundigen simpelweg te veel opties. Toen hij twaalf was werd er nog gewoon gedacht dat hij een homo in de dop was.”

Vanaf pagina 116 tot en met pagina 120 wordt in het boek beschreven hoe Hans Kostons zijn gezin achterlaat bij een tankstation.

Op pagina 129 schrijft de ik-persoon over haar vader Hans Kostons:

Ik zei dat Hans dood mocht. (…) Natuurlijk wil ik Hans soms dood. Maar eerst wil ik hem verantwoording laten afleggen voor jaren aan frustratie en het er nooit meer over hebben, ik wil het in zijn gezicht wrijven en onder het tapijt vegen.”

Op pagina 137 en 138 van het boek wordt beschreven hoe Hans Kostons iedereen in de gaten houdt door middel van opgenomen camerabeelden in en rond de woning van het in het boek beschreven gezin.

Op pagina 139 staat:

Tot een sluitende diagnose is het voor Hans nooit gekomen. Hij stopte met de therapie die in een huwelijkscrisis werd afgedwongen, zo gauw de woede weer was bekoeld. En al bleef hij soms wat langer in behandeling, ze kwamen niet dichterbij het probleem. Voor je hem kon begrijpen ontglipte hij je; dat gebeurde mij, Elsbeth, de huisarts, de therapeuten. Door de jaren heen vielen er zoveel kwalen dat een mens ze onmogelijk allemáál zou kunnen hebben: een persoonlijkheidsstoornis, een autismespectrumstoornis, dwangneurosen, neurasthenie, psychotische aanvallen, smetvrees, manieën, hoogtevrees, woede-aanvallen, suïcidale neigingen en, deze term bedachten Elsbeth en ik, destructofobie: mijn vader vindt het geen enkel probleem als de spullen van anderen kapotgaan – maar één krasje op een eigendom van Hans en het is waardeloos.”

2.7.

Naar aanleiding van het verschijnen van het boek is [gedaagde] op de (lokale) radio te horen geweest. Op 13 september 2014 werd in het lokale radioprogramma L1 Cultuurcafé opgemerkt: “Hoe kan het dat zo’n man niet eerder aangepakt is” en in het programma L1 Avondgasten op 30 september 2014 is aan [gedaagde] de vraag gesteld: “Kan je vader nog wel door [woonplaats] lopen…?

2.8.

Op 17 september 2014 heeft [gedaagde] op haar website [naam website] een (link naar een) interview met haar geplaatst, dat (zowel digitaal als op papier) is verschenen in het dagblad De Volkskrant. Dit interview bevat onder meer de volgende passages:

Haar vorige week verschenen debuutroman Iedereen kan schilderen gaat over een familie die lijkt op haar eigen familie: een gezin waarin een geesteszieke vader alle aandacht opeist. Alles en iedereen moet zich schikken naar depressies, waanbeelden, koop- en vernielzucht, hypochondrie, suïcidale neigingen en dwangmatigheid van Hans Kostons, met alle vernederende gevolgen van dien voor hoofpersoon Iris, haar zus Mia en moeder Elsbeth. [gedaagde] (28) was al van plan een boek te schrijven over een vader-dochterrelatie, maar na de kerstdagen van 2011 veranderde het verhaal. ‘Toen is onze familie ontploft.’ De ouders van [gedaagde] gingen na een huwelijk van 28 jaar uit elkaar en vrijwel meteen verbrak [gedaagde] vader het contact met haar. (…)

‘(…) Toen ik wegging heeft hij gezegd dat ik niet meer mocht terugkomen. Of nou ja, dat heeft hij laten doorgeven.’ (…) ‘(…) Tot die tijd geloofde ik dat de band tussen ouder en kind onvoorwaardelijk is. Dat is dus gewoon helemaal niet zo. Het is een romantisch, leuk sprookje om elkaar te vertellen. Mijn vader heeft mij weggedaan. Hij zei letterlijk: je bent mijn kind niet meer, je mag hier nooit meer komen. En het gekke is, kennelijk heb ik ondanks alles mededogen voor hem. Kennelijk lijd ik ook onder dat sprookje. (…)’

Het boek werd er persoonlijker door, zegt [gedaagde]. Ze lengde werkelijke gebeurtenissen aan met fictie, maar verzon minder dan ze vooraf in gedachten had. (…)

Iedereen kan schilderen speelt zich vooral af rondom de feestdagen. (…) Met Pasen is de familie met tegenzin op weg naar visite als Hans zijn vrouw en dochters achterlaat op een tankstation. Omdat ze zich niet gedroegen, zegt hij later. Echt gebeurd, vertelt [gedaagde]. ‘Maar mijn vader liet alleen mijn moeder staan, hoor.’ (…)

‘De moeder en zus zijn veel minder op de realiteit geënt dan de vaderfiguur. Toch ging mijn moeder alles spiegelen aan het echte leven. (…) Dan moest ik haar eraan herinneren dat zij niet Elsbeth is, en dat ik mag kiezen wat dat personage doet.’ (…)

‘(…) Zoek het maar uit, heeft hij gezegd, mijn hulp heb je niet meer. Begint te lachen: ‘Ik hoorde via via dat hij mij onterfd heeft, vorige week. Door dit boek. Dat toont maar weer aan hoe weinig hij van mij begrijpt.’ (…)

Verwacht je dat hij het gaat kopen?

‘Ik denk dat hij ervoor kiest het bandje niet af te spelen. Niet dat dit het bandje met de ultieme waarheid is. Maar dit is wel mijn bandje over hem. Ik denk dat hij het liever niet wil horen. (…) ‘Het boek is niet bedoeld als afrekening met mijn vader. Ik bewonder hem ook. Hij heeft vijf jaar geleden grapjes gemaakt waar ik nu nog steeds om kan lachen, is consequent, secuur, vastberaden, principieel. Dingen die ik als goede eigenschappen zie.’ ”

2.9.

Op 27 oktober 2014 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om het boek uit de handel te nemen en een rectificatie te plaatsen, waarin [gedaagde] dient te vermelden dat het boek puur en alleen op fictie berust en dat zij ten onrechte in diverse interviews heeft aangegeven dat het om haar werkelijke verleden gaat.

Verder wordt [gedaagde] gesommeerd om haar excuses aan te bieden aan [eiser] In de brief is tenslotte vermeld dat [eiser] open staat voor een minnelijke regeling.

2.10.

[gedaagde] heeft aan de onder 2.9 vermelde sommatie niet voldaan en evenmin is een oplossing in der minne tussen partijen tot stand gekomen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – (I) primair veroordeling van Atlas om het boek uit de handel te nemen, en veroordeling van [gedaagde] om dat te dulden; subsidiair veroordeling van Atlas om de in voorraad zijnde en reeds gepubliceerde exemplaren van het boek te voorzien van een inlegvel met de onder

I van het petitum in de dagvaarding weergegeven tekst, waarin staat dat de passages over Hans Kostons in het boek volledig op fictie berusten en dat passages uit het boek onrechtmatig zijn bevonden jegens [eiser], en veroordeling van [gedaagde] om dat te dulden;

voorts vordert [eiser] (II) veroordeling van gedaagden tot het (laten) plaatsen van een rectificatie in De Volkskrant met, samengevat, voornoemde inhoud, zoals nader omschreven onder II. van het petitum in de dagvaarding;

daarnaast vordert [eiser] (III) dat het [gedaagde] wordt verboden om zich in het kader van het boek en/of betrokkenheid bij het gezin van de familie [gedaagde] negatief uit te laten over [eiser], daaronder begrepen het plaatsen van een link op de website van [gedaagde] naar het onder 2.8 vermelde artikel in De Volkskrant; en tot slot (IV) veroordeling van [gedaagde] tot het binnen 24 uur verwijderen van haar website [naam website] van het voornoemde artikel in De Volkskrant en/of iedere verwijzing daarnaar.

Dit alles op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft zijn vorderingen, samengevat, als volgt toegelicht.

[eiser] is door het boek, met name in samenhang met de daarna gevolgde interviews met [gedaagde], bijzonder gegriefd. Kon de lezer aanvankelijk nog denken dat het boek fictie was, dan is dat inmiddels achterhaald door hetgeen [gedaagde] in de interviews heeft gezegd. Het publiek zal dan ook denken dat Hans Kostons [eiser] is. In het boek wordt hij afgeschilderd als een egoïstische tiran, die aan tal van stoornissen lijdt. Dit is een onjuist en zeer negatief beeld van de werkelijkheid. Bovendien heeft [eiser] zijn gezin niet achtergelaten bij een tankstation, heeft hij [gedaagde] niet onterfd en lijdt hij niet aan de stoornissen die hem in het boek worden toegedicht. Bij de afweging tussen de uitingsvrijheid van [gedaagde] enerzijds en de bescherming van de privacy, eer en goede naam van [eiser] anderzijds, dient de balans in het voordeel van [eiser] door te slaan. [eiser] lijdt zowel immateriële als materiële schade, bestaande (onder meer) uit gederfde levensvreugde, teruglopende opdrachten voor zijn bedrijf en aantasting van zijn goede naam, vooral in [woonplaats] en omgeving, waar hij woont en werkzaam is. Doordat [gedaagde] via de interviews heeft gezegd dat het boek is gebaseerd op de realiteit, is ook het boek zelf een onrechtmatige publicatie geworden. Atlas handelt onrechtmatig jegens [eiser], omdat zij als uitgeverij het onrechtmatig handelen van [gedaagde] faciliteert en ervan profiteert.

3.3.

[gedaagde] voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt is dat de toewijzing van de vorderingen van [eiser] een beperking zou inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van vrijheid van meningsuiting, waaronder begrepen de artistieke expressievrijheid van [gedaagde] als auteur. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het (door artikel 8 EVRM beschermde) recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser], alsook van zijn eer en goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen, met inachtneming van de omstandigheden van dit geval.

4.2.

Uitgangspunt is voorts dat [eiser] bij zijn vorderingen, uit de aard der zaak, een voldoende spoedeisend belang heeft. Als sprake is van onrechtmatige uitingen jegens hem, heeft hij er een belang bij dat daaraan zo snel mogelijk een halt wordt toegeroepen.

4.3.

Bij de beoordeling van de vorderingen staat voorop dat het boek dat hier in het geding is, is gepresenteerd als een roman. Kenmerk van een roman is dat geen sprake is van een getrouwe beschrijving van de werkelijkheid, maar van fictie, althans van de subjectieve werkelijkheid van de auteur, aangevuld met diens verbeelding. De lezer zal zich daarvan terdege bewust zijn en zal aan uitlatingen (van een auteur en diens personages) in een roman een ander gewicht toekennen dan aan die van bijvoorbeeld een journalist of wetenschapper.

4.4.

Dat auteurs van romans zich laten inspireren door waargebeurde feiten en in werkelijkheid bestaande (of bestaand hebbende) personen is onvermijdelijk, aangezien de verbeelding (mede) door reële personen en gebeurtenissen wordt gevoed. De lijst van romans die [gedaagde] in het geding heeft gebracht, waarvan [eiser] op zichzelf niet heeft betwist dat ware gebeurtenissen en personen uit de directe omgeving van de auteurs daarvoor als inspiratiebron hebben gediend, spreekt in dit verband boekdelen. Dit neemt niet weg dat het werken van fictie blijven. De inhoud daarvan kan in beginsel niet onnodig grievend zijn jegens een bepaalde werkelijk bestaande persoon.

Het voorgaande brengt mee dat slechts in uitzonderlijke gevallen denkbaar is dat een uitlating in een roman onrechtmatig is. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn, indien een ernstige beschuldiging wordt geuit, die het lezerspubliek op goede gronden voor ‘waar’ zal houden, terwijl iedere feitelijke basis daarvoor ontbreekt.

4.5.

In dit geval is behalve op de omslag ook in het boek zelf (op pagina 4) vermeld dat het gaat om fictie. [gedaagde] heeft op dit punt terecht aangevoerd dat Hans Kostons niet dezelfde persoon is als [eiser], hetgeen al blijkt uit de volgende voorbeelden:

- zijn naam is anders;

- Hans Kostons heeft een (dwangmatige) hobby, waaraan de roman zijn titel ontleent, namelijk schilderen; [eiser] schildert niet;

- Hans Kostons is ervan overtuigd dat er marters actief zijn in zijn woning; [eiser] heeft die overtuiging nooit gehad.

Deze voorbeelden kunnen met andere (in de pleitnota vermelde) worden aangevuld. Ook zijn partijen het erover eens dat [eiser] zijn gezin nooit met camera’s heeft bespioneerd.

Hans Kostons is en blijft derhalve een romanfiguur en kan dus niet één op één met [eiser] worden vereenzelvigd. Dat [gedaagde] zich voor het beschrijven van het personage van Hans Kostons heeft laten inspireren door [eiser] en in interviews heeft verklaard dat veel in het boek overeenkomt met de werkelijkheid zoals zij die ervaart, maakt dat niet anders en behoort tot haar artistieke vrijheid.

Het lezerspubliek, waaronder [eiser] en de personen die hem kennen, kan de beschrijving van het personage van Hans Kostons dus niet op goede gronden aanmerken als een volledig op de werkelijkheid gebaseerde beschrijving van [eiser] Negatieve eigenschappen van Hans Kostons kunnen dan ook niet gerechtvaardigd op [eiser] worden geprojecteerd. Dit brengt mee dat de roman niet onnodig grievend jegens [eiser] is.

4.6.

Daar komt bij dat ook [eiser] zelf heeft erkend dat met het boek als zodanig niet zo heel veel mis is, aangenomen dat het de lezer duidelijk is dat het als fictie moet worden opgevat. Zijn bezwaren tegen het boek zijn vooral gevoed door de interviews met [gedaagde], met name dat in De Volkskrant, waarin zij heeft verteld dat de vader uit de roman veel gelijkenissen vertoont met [eiser] [gedaagde] heeft echter in dat interview ook met zoveel woorden verklaard dat het gaat om werkelijke gebeurtenissen, aangelengd met fictie. Het lezerspubliek kan dus op basis van het interview in De Volkskrant niet bepaalde persoonlijkheidskenmerken of handelingen van Hans Kostons aan [eiser] toeschrijven, omdat het steeds denkbaar is dat het bewuste kenmerk of de betreffende handeling door [gedaagde] is bedacht. Anders dan [eiser] heeft bepleit kan het verschijnen van deze interviews een op zichzelf rechtmatige publicatie onder deze omstandigheden niet achteraf het predicaat onrechtmatig verschaffen. Rectificatie van het artikel zelf is in dit kort geding niet gevorderd. Indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou voorshands zijn geoordeeld dat voor toewijzing daarvan onvoldoende grond bestaat. Zelfs als feitelijk onjuist zou zijn dat [gedaagde] van iemand heeft gehoord dat [eiser] haar heeft onterfd en dat hij zijn vrouw bij een tankstation zou hebben achtergelaten - wat [eiser] stelt en [gedaagde] betwist - rechtvaardigt dat voorshands nog geen rectificatie, aangezien dat gelet op de inhoud van die uitingen een te vergaande, niet proportionele beperking van de uitingsvrijheid van [gedaagde] zou zijn.

4.7.

Voor zover [eiser] erin zou kunnen worden gevolgd dat hij met Hans Kostons kan worden vereenzelvigd, wordt ten overvloede opgemerkt dat [gedaagde] terecht nog heeft aangevoerd dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het boek ernstige, niet op feiten gebaseerde, beschuldigingen en onnodig grievende uitlatingen bevat aan zijn adres, te minder nu – ook daarin volgt de voorzieningenrechter [gedaagde] – daarvoor een beoordeling van de gehele inhoud en context van het boek noodzakelijk is, terwijl [eiser] er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om het boek zelf niet als productie in het geding te brengen.

De opvatting van [eiser] dat [gedaagde] de artistieke expressievrijheid kennelijk misbruikt om beledigingen te uiten, is onvoldoende onderbouwd en wordt niet gedeeld. Daartegen pleit ook dat [gedaagde] in het artikel in de Volkskrant aan [eiser] ook positieve eigenschappen toedicht.

4.8.

Op grond van het voorgaande bestaat voor het uit de handel nemen van het boek (en toewijzing van het onder I primair en subsidiair gevorderde), in het licht van het onder 4.1 genoemde criterium voorshands geen grond.

4.9.

De vorderingen onder II tot en met IV borduren voort op de stelling dat publicatie van het boek, in samenhang met de nadien door [gedaagde] gegeven interviews, onrechtmatig is jegens [eiser] Nu geoordeeld is dat dat niet het geval is, is ook voor toewijzing van de gevorderde rectificaties geen plaats. Gedaagden hebben bovendien terecht aangevoerd dat [eiser] met zijn op rectificatie gerichte vorderingen op twee gedachten hinkt. Enerzijds wil hij dat duidelijk wordt vermeld dat het personage Hans Kostons geheel op fictie berust, en anderzijds dat in de rectificatie zal staan dat bepaalde passages in het boeken onrechtmatig zijn jegens [eiser] Hoe dit met elkaar te rijmen valt, heeft [eiser] onvoldoende toegelicht.

Voor wat betreft de vordering (III) tot het opleggen van een verbod om zich negatief uit te laten, komt daarbij dat de ruime formulering daarvan alleen al toewijzing daarvan in de weg staat, als een te vergaande beperking van de uitingsvrijheid.

Voor de vordering tot het verwijderen van de (link naar) het artikel in De Volkskrant van de website van [gedaagde] bestaat voorts geen grond, nu het artikel zelf niet onrechtmatig wordt geacht en [eiser] dat ook niet (voldoende duidelijk) heeft gesteld.

4.10.

De slotsom is dat geen van de vorderingen van [eiser] toewijsbaar is.

Vanwege de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten gevallen aan de zijde van [eiser] en [gedaagde] in dit kort geding worden gecompenseerd, zoals hierna vermeld. [eiser] zal wel in de proceskosten van Atlas worden veroordeeld. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen jegens Atlas met die jegens [gedaagde], worden de proceskosten gevallen aan de zijde van Atlas enkel begroot op het gedeelte van het griffierecht dat [gedaagde] verschuldigd is vanwege Atlas (het verschil tussen het griffierecht voor een natuurlijke persoon en dat voor een niet-natuurlijke persoon), te weten € 326,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten gevallen aan de zijde van Atlas, tot heden begroot op € 326,-;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten voor het overige aldus, dat [eiser] en [gedaagde] de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2015.1

1 type: MB coll: MA