Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4406

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
AMS 14-7346
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

TW. Weigering toeslag. Beroep op arrest Akdas slaagt niet nu eiser niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS AWB 14/7346

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Turkije, eiser,

gemachtigde mr. R. Akkaya

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde mr. F.M.J. Eijmael.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om een toeslag op zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) geweigerd.

Bij besluit van 20 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectievelijke gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op verzoek van verweerder en met instemming van eiser geschorst.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 13 april 2015 medegedeeld zijn standpunt te handhaven dat eiser, zolang hij een verblijfsvergunning heeft voor onbepaalde tijd, verkeert in een vergelijkbare situatie als iedere burger van de Europese Unie (EU).

Eiser heeft bij brief van 29 april 2015 op dit schrijven van verweerder gereageerd. Eiser handhaaft hetgeen hij in zijn beroepschrift heeft aangevoerd.

Partijen hebben de rechtbank op 7 en 11 mei 2015 toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

Feiten en omstandigheden.

1. Eiser heeft uitsluitend de Turkse nationaliteit. Aan eiser is een reguliere verblijfsvergunning afgegeven voor onbepaalde tijd. Hij heeft in Nederland gewoond en gewerkt en ontvangt een WIA-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55, alsmede een toeslag op zijn WIA-uitkering op grond van de Toeslagenwet. Eiser is op 18 maart 2014 geremigreerd naar Turkije met behoud van zijn WIA-uitkering.

2. Verweerder heeft bij beslissing van 12 februari 2014 de toeslag van eiser per 1 april 2014 beëindigd, in verband met eisers terugkeer naar Turkije. Eiser heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen deze beslissing.

3. Op 9 juli 2014 heeft eiser een toeslag op zijn WIA-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Overwegingen

4. In geschil is of verweerder de toeslag op de WIA-uitkering van eiser op goede gronden heeft geweigerd.

5. Eiser voert aan dat hij op grond van het arrest van het Hof van Justitie EU (het Hof) van 26 mei 2011 in de zaak Akdas, zaak C-485/07, JV 2011/276, recht heeft op toeslag op zijn WIA-uitkering ook nu hij in Turkije woont. Eiser stelt dat hij zich niet zonder enige belemmering weer in Nederland zou kunnen vestigen, hij is dan immers afhankelijk van de dan geldende toelatingseisen van de Immigratie- en naturalisatie dienst (IND).

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een toeslag op zijn WIA-uitkering, nu eiser in Turkije woont en een verblijfsvergunning heeft voor onbepaalde tijd, die hem ook verblijfsrechten geeft op grond van de EU-regelgeving over de verblijfsrechten van burgers van bijvoorbeeld Turkije. Hiermee verkeert eiser in een vergelijkbare situatie als iedere burger van de EU, aldus verweerder.

Toepasselijke (internationale) regelgeving

7.1.

Artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-staten enerzijds en Turkije, ondertekend op 12 september 1963 te Ankara, en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: Associatieovereenkomst) luidt als volgt:

“ De Overeenkomstsluitende partijen erkennen dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel [12 EG, nu: 18 VWEU] vermelde beginsel”.

7.2.

Artikel 59 van het Aanvullend Protocol, dat op 23 november 1970 te Brussel is ondertekend en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1; hierna: Aanvullend Protocol) bepaalt dat de behandeling van Turkije niet gunstiger mag zijn dan die welke de EU Lidstaten elkaar toekennen op grond van het EG-verdrag.

7.3.

Artikel 6, eerste lid, eerste alinea van besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, PB 1983, C110, blz.60 (Besluit 3/80) luidt als volgt:

“Tenzij in dit besluit anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijk regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is”.

7.4.

Artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 (Besluit 1/80) luidt als volgt:

“Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

- na één jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

- na vier jaar legale arbeid, in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.”

8. In het hiervoor genoemde arrest Akdas heeft het Hof vastgesteld dat artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 rechtstreeks toepasselijk is. Dat betekent dat Turkse onderdanen zich rechtstreeks op deze bepaling kunnen beroepen om ervoor te zorgen dat daarmee strijdige nationaalrechtelijke regels buiten toepassing worden gelaten.

Het Hof heeft voorts vastgesteld dat een situatie waarin voormalige migrerende Turkse werknemers die naar Turkije zijn teruggekeerd en die op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 een sociale uitkering zoals de aanvullende prestatie blijven ontvangen, terwijl deze is ingetrokken in het geval van onderdanen van de Unie die niet meer in de lidstaat wonen waar deze werd toegekend, niet onverenigbaar wordt geacht te zijn met de vereisten van artikel 59 van het Aanvullend Protocol.

In de eerste plaats is daartoe overwogen dat artikel 39, vierde lid, van het Aanvullend Protocol uitdrukkelijk voorziet in de uitvoer naar Turkije van onder meer de invaliditeitspensioenen die werknemers van Turkse nationaliteit op grond van de regelgeving van een of meer lidstaten hebben verworven. In de tweede plaats is overwogen dat artikel 2, eerste streepje, van Besluit 3/80 de personele werkingssfeer van dit besluit bepaalt, zonder nadere precisering. Ten laatste heeft het Hof vastgesteld dat betrokkenen naar Turkije zijn teruggekeerd, nadat zij in Nederland arbeidsongeschikt waren geworden. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (onder andere het arrest van 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93) heeft het Hof overwogen dat een Turks staatsburger die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat heeft behoord in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80, aan dit besluit geen recht van voortgezet verblijf op het grondgebied van die staat ontleent, nadat hij door een arbeidsongeval blijvend arbeidsongeschikt is geworden en dus voorgoed de arbeidsmarkt heeft verlaten. In die omstandigheden kan niet met succes worden betoogd dat betrokkenen het grondgebied van Nederland op eigen initiatief en zonder gegronde reden hebben verlaten en dat een dergelijk gedrag leidde tot het verlies van de krachtens de associatie EEG-Turkije verworven rechten. Bijgevolg komt het Hof tot het oordeel dat de situatie van betrokkenen, voor zover zij naar Turkije zijn teruggekeerd nadat zij het recht om in Nederland te verblijven hadden verloren omdat zij er arbeidsongeschikt waren geworden, voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol niet nuttig kan worden vergeleken met de situatie van onderdanen van de Unie. Deze laatsten mogen immers vrij reizen en verblijven op het grondgebied van de lidstaten en behouden zo het recht om te blijven wonen in de lidstaat waarin de betrokken prestatie is toegekend, zodat onderdanen van de Unie enerzijds mogen beslissen het grondgebied van die staat te verlaten waardoor zij deze uitkering verliezen en anderzijds steeds naar de betrokken lidstaat mogen terugkeren.

9. Gelet op hetgeen het Hof in het arrest Akdas heeft overwogen, zal de rechtbank beoordelen of eiser, die naar Turkije is teruggekeerd, indien hij een toeslag op zijn WIA-uitkering zou mogen ontvangen op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80, in een gunstiger situatie zou verkeren als bedoeld in artikel 59 van het Aanvullend Protocol, dan EU-onderdanen wier toeslag is ingetrokken wegens het wonen buiten Nederland.

Daartoe is van belang dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het verblijfsrecht van een Turks onderdaan in een ontvangende lidstaat ingevolge artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 wordt verleend, accessoir is aan het verrichten van legale arbeid. Het Hof heeft in het arrest Akdas (onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest Bozkurt) overwogen dat het recht om in een ontvangende lidstaat te verblijven vervalt wanneer een Turks onderdaan de arbeidsmarkt definitief heeft verlaten, bijvoorbeeld omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of volledig en blijvend arbeidsongeschikt is geworden.

10. Ter zitting is aan de orde geweest dat de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in zijn uitspraak van 11 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3176 nadrukkelijk heeft overwogen dat het Hof het verblijfsrecht dat voortvloeit uit het associatierecht bepalend heeft geacht in geschillen als de onderhavige en dat de Raad daarom niet toe komt aan een beoordeling van de vraag of op grond van nationaal recht sprake is van een verblijfsrecht.

11. De rechtbank begrijpt het arrest Akdas aldus, dat het recht om in een ontvangende lidstaat te verblijven niet vervalt wanneer een Turks onderdaan de arbeidsmarkt niet definitief heeft verlaten. Gelet op het voorbeeld dat het Hof in dit arrest noemt voor het uitgaan van de situatie dat iemand de arbeidsmarkt definitief heeft verlaten, namelijk het volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn, gaat de rechtbank er van uit dat indien een betrokkene gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, hij niet geacht wordt de arbeidsmarkt voorgoed te hebben verlaten.

De rechtbank constateert in dit verband dat eiser een WIA-uitkering ontvangt naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55. Eiser is dus niet volledig, maar gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden geconcludeerd dat eiser de arbeidsmarkt voorgoed heeft verlaten.

Op grond van het associatierecht heeft eiser ten tijde hier van belang dus nog een verblijfsrecht in Nederland. Nu het Hof dit verblijfsrecht bepalend heeft geacht in geschillen als de onderhavige, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de vraag of op grond van nationaal recht al dan niet eveneens sprake is van een verblijfsrecht.

Eiser verkeert dan ook in een andere positie dan de Turkse onderdanen op wie het arrest Akdas betrekking heeft. Het arrest Akdas heeft betrekking op personen die in Nederland blijvend non-actief zijn geworden en daardoor niet langer een verblijfsrecht op grond van het associatierecht hadden. In het geval van eiser echter is geen sprake van verlies van verblijfsrecht op grond van het associatierecht. De redenering die in het arrest Akdas wordt gevolgd met betrekking tot artikel 59 van het Aanvullend Protocol gaat in het geval van eiser dan ook niet op. Het beroep van eiser op het arrest Akdas kan derhalve niet leiden tot het door hem gewenste gevolg.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht aan eiser een toeslag op zijn WIA-uitkering heeft geweigerd op grond dat hij in Turkije woont en een verblijfsrecht in Nederland heeft.

13. Het beroep is dan ook ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van E.J.J. Posthumus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.