Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4398

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7759
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing omgevingsvergunning beschermd monument

Verweerder heeft de aanvraag van de [naam kerk] om de mechaniek van het kerkorgel in de [naam kerk], gemeentelijk monument, te vervangen afgewezen. Volgens eiser volgt uit de redengevende omschrijving dat slechts het orgelfront tot het gemeentelijk monument behoort en niet de – onzichtbare – mechaniek. Verwijdering hiervan betreft dan ook een vergunningsvrije activiteit. Daarbij komt dat behoud en restauratie van het orgel voor eiser niet financieel haalbaar is en dat er onvoldoende geschikte alternatieven zijn, terwijl orgelmuziek een wezenlijk onderdeel uitmaak van de wekelijkse eredienst in de [naam kerk].

Het beroep wordt ongegrond verklaard. Hierbij wordt allereerst overwogen dat het gehele orgel als gemeentelijk monument dient te worden beschouwd, ook al wordt de mechaniek niet expliciet in de redengevende omschrijving genoemd. Verweerder heeft in redelijkheid de belangen van het monument kunnen laten prevaleren, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende alternatieven zijn voor de sloop van het orgel en de uitoefening van de godsdienst met behoud van het orgel niet onmogelijk of onredelijk moeizaam wordt gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/7759

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: R.A. Steenwinkel),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het Stadsdeel West van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2014 (het primaire besluit) heeft het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-West (het dagelijks bestuur) geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het verwijderen van een orgel uit het gebouw op het perceel gelegen aan de [adres] , te [vestigingsplaats] , de [naam kerk] .

Bij besluit van 21 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 21 november 2008 heeft het dagelijks bestuur de [naam kerk] aangewezen als gemeentelijk monument. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tegen de beslissing op het bezwaarschrift beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is bij uitspraak van 10 februari 2011 ongegrond verklaard (zaaknummer AWB 09/5501 BESLU).

1.2

Op 15 november 2013 heeft het dagelijks bestuur een aanvraag ontvangen voor een project dat in de aanvraag als volgt is omgeschreven: ‘achter het monumentale orgelfront (gebouwd gelijktijdig met de kerk) wordt het [naam orgel 1] orgel uit 1931 vervangen door een [naam orgel 2] . Deze aanvraag betreft alleen de verwijdering van het orgel. Het pijpwerk en de lades uit het orgel wordt door de firma [naam firma] uit [vestigingsplaats firma] verwijderd en opgeslagen, hiervoor wordt een passende kerk gezocht’.

1.3

Bij het primaire besluit heeft het dagelijks bestuur overwogen dat de [naam kerk] een gemeentelijk monument betreft en dat de Commissie voor Welstand en Monumenten (CWM) in haar vergadering van 22 januari 2014 heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen het project. Het dagelijks bestuur heeft het negatieve advies van de CWM overgenomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en de motivering voor de afwijzing aangevuld, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 26 augustus 2014 en het nadere advies van Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) van 18 september 2014, tevens het aanvullend advies van de CWM. Verweerder stelt zich kort samengevat op het standpunt dat het binnenwerk van het orgel onderdeel is van het monument en dat het belang van bescherming van het monument in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiser bij vervanging, mede gelet op de mogelijke alternatieven.

3.1

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een monument als bedoeld in een zodanige verordening te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

3.2

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo, slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

3.3

Artikel 9 van de Erfgoedverordening stadsdeel West 2013 (de Erfgoedverordening) luidt als volgt:

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college:

a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of de monumentale waarden in gevaar worden gebracht.

2. Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, is niet vereist indien deze activiteit betrekking heeft op:

a. gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg de aanleg niet wijzigt, of

b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van een gemeentelijk monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

3.4.

Ingevolge artikel 11 van de Erfgoedverordening kan de vergunning slechts worden verleend als het belang van de gemeentelijke monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

4.1

Eiser voert allereerst aan dat de verwijdering van het binnenwerk van het orgel een vergunningsvrije activiteit is, omdat de activiteit uitsluitend ziet op inpandige veranderingen van een onderdeel van een gemeentelijk monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Volgens eiser behoort slechts het orgelfront tot de beschermingswaardige aspecten van het monument, gelet op de redengevende omschrijving. Een en ander kan uit voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 10 februari 2011 worden afgeleid. Daarnaast is het orgel niet in een keer gebouwd. Het orgelfront dateert van de jaren ’20 van de twintigste eeuw en is gerealiseerd bij de bouw van de kerk. Pas in 1931 is

– wegens financiële redenen – de rest van het orgel gebouwd en ingepast door een andere orgelbouwer, [naam orgel 1] . Het verwijderen van het orgel vergt een hoop werk, vooral de balgen zijn ingewikkeld, maar tast de voorkant van het orgel niet aan.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het orgel als aard en nagelvast aan het gebouw, en daarmee als integraal onderdeel van het monument dient te worden bezien, inclusief het binnenwerk. Volgens verweerder kan juist uit voornoemde uitspraak van deze rechtbank worden afgeleid dat het orgel wel tot het monument behoort, omdat het monument als geheel moet worden gezien. Dat de redengevende omschrijving bij de aanwijzing tot monument niet expliciet ziet op het binnenwerk, wil niet zeggen dat dit geen bescherming geniet. Het standpunt dat het orgel als een geheel dient te worden gezien vindt steun in het advies van de door het BMA geraadpleegde orgeldeskundige [naam orgeldeskundige ] van 9 november 2013. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat alle onderdelen van het orgel op elkaar zijn afgestemd en dat het om een complex mechaniek gaat, vergelijkbaar met een kleine fabriek. Het verwijderen hiervan impliceert de sloop van het orgel.

4.3

Vast staat dat de [naam kerk] een gemeentelijk monument is in de zin van de Erfgoedverordening. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of het binnenwerk van het orgel onderdeel uitmaakt van het beschermde monument en de vervanging ervan daarmee vergunningplichtig is op grond van de Erfgoedverordening. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de redengevende omschrijving – voor zover van belang – het volgende wordt vermeld:

‘Interieur

[…]

Het interieur heeft een houten kruisgewelf met ellipsboogvormige ramen en gaanderijen in de armen. Preekstoel, kerkenraadbanken en orgel vormen één compositie. (…) De preekstoel heeft een gemetseld basement van helderrode baksteen met een borstwering van houten panelen en vormt één geheel met het boven het klankbord opgestelde orgel. Het instrument is opgesteld in een kas die als een triptiek ingedeeld is in drie pijpenvelden: een middenpartij, verdeeld in twee velden, met wimpergen bekroond en twee langwerpig rechthoekige zijvelden.
(…)
Conclusie

De [naam kerk] is van algemeen belang vanwege de architectuurhistorische waarde door de vormgeving in verstrekte Amsterdams School en vanwege het gaaf bewaarde interieur van de kerk.’

4.4

Uit voorgaande omschrijving valt op te maken dat als onderdeel van het interieur in ieder geval beschermingswaardig is de kas, ingedeeld in pijpenvelden, ook wel genoemd het orgelfront. Anders dan eiser heeft betoogd volgt uit de uitspraak van deze rechtbank van

10 februari 2011 niet dat elementen die niet expliciet in de redengevende omschrijving zijn genoemd niet vallen onder de bescherming van het monument. Door de rechtbank is in die uitspraak overwogen dat voldoende duidelijk is welke aspecten en bestanddelen van de [naam kerk] in het bijzonder beschermingswaardig zijn en dat daarmee in elk geval voor het verwijderen van die aspecten of bestanddelen een vergunning nodig zal zijn. De rechtbank heeft echter ook, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, overwogen dat dit niet betekent dat het monument alleen bescherming geniet voor zover dat staat beschreven in die redengevende omschrijving. De vraag die in deze procedure dient te worden beantwoord is of de mechaniek van het orgel een onlosmakelijk geheel vormt met het orgelfront dat in de redengevende omschrijving wordt genoemd. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen orgeldeskundige [naam orgeldeskundige ] in zijn advies van 9 november 2013 heeft vermeld. [naam orgeldeskundige ] is van mening dat het orgel als een geheel dient te worden beschouwd en dat het kerk en de orgel als “Gesammtkunstwerk” kunnen worden gezien, al mist de deskundige in de redengevende omschrijving informatie over het instrument zelf. De rechtbank acht het voorts van belang dat uit de toelichting ter zitting door partijen naar voren is gekomen dat de mechaniek van het orgel verbonden is met een deel van de frontpijpen, die onderdeel uitmaken van het zichtbare orgelfront. Verder is gebleken dat de orgelmechaniek specifiek op maat is gemaakt en is ingebouwd in de daarvoor bestemde nis achter het orgelfront. Dat dit volgtijdelijk heeft plaatsgevonden, doet er niet aan af dat de mechaniek van het orgel specifiek voor deze plek op maat is gemaakt en is ingepast in de bestaande en daartoe bestemde ruimte en door verbinding met een deel van de orgelpijpen doelbewust zoveel mogelijk tot een geheel is gemaakt met het orgelfront. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mechaniek van het orgel en het orgelfront als instrument een onlosmakelijk geheel vormen. Gelet op het voorgaande is het binnenwerk van het orgel onderdeel van het beschermingswaardige interieur van de [naam kerk] . Verweerder heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat voor het aangevraagde project een omgevingsvergunning is vereist.

5.1

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verweerder in redelijkheid tot weigering van de omgevingsvergunning heeft kunnen beslissen. De rechtbank stelt voorop dat niet elke aantasting van de monumentale waarden van een monument tot weigering van de vergunning hoeft te leiden. Bij de te maken belangenafweging zullen de belangen van de aanvrager en het gebruik van het monument moeten worden afgewogen tegen het algemene belang dat gediend is met het behoud van het monument. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0807) volgt voorts dat uit de wetsgeschiedenis noch uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat slechts een vergunning tot sloop van een monument kan worden verleend indien er een uitzonderlijke noodzaak tot sloop bestaat en sprake is van bijzondere omstandigheden. Er kan dus niet worden gezegd dat bij deze belangenafweging zoveel mogelijk voorrang moet worden gegeven aan het belang van het behoud van het orgel in de [naam kerk] (zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:165). Het verlenen van de omgevingsvergunning is een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank het resultaat van de hiervoor genoemde belangenafweging alleen terughoudend kan en mag toetsen.

5.2

Eiser voert aan dat hij belang heeft bij vervanging van het binnenwerk van het orgel, omdat het niet meer naar behoren functioneert en vervanging daarvan door een ander passend orgel (financieel) de enig haalbare optie is. Orgelspel maakt deel uit van de wekelijkse eredienst van de Protestantse Kerk. Eiser is het eens met verweerder dat restauratie van het orgel het meest wenselijk is, maar dat is voor eiser en zijn leden financieel niet haalbaar. Eiser verwijst in dit verband naar een offerte waarin restauratie tegen een prijs van € 112.000,- werd aangeboden. De hoge kosten worden verklaard door de omstandigheid dat de mechaniek van het orgel sinds de jaren ’50 van de twintigste eeuw niet meer gangbaar is en het aantal gespecialiseerde restaurateurs schaars is. Deze kunnen dan ook ‘de hoofdprijs’ vragen. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om het orgel voor een bedrag van
€ 50.000,- te vervangen door een ander orgel dat passend gemaakt kon worden. De Protestantse Kerk was bereid hiervoor gelden ter beschikking te stellen. Het door verweerder voorgestelde alternatief om een ander, losstaand orgel in de kerk te plaatsen stuit op bezwaren. Eiser heeft op de begane grond in de kerk weinig ruimte, hetgeen inhoudt dat het orgel op het balkon zou moeten worden geplaatst. De vraag is of dit mogelijk is, gelet op het gewicht van een orgel. Plaatsing van een orgel nabij glas- en loodramen is daarbij niet mogelijk, omdat hierdoor de lichtinval door deze ramen zou worden belemmerd. Deze ramen behoren eveneens tot de beschermingswaardige elementen van de [naam kerk] . Volgens eiser wordt door de weigering van de omgevingsvergunning in het licht van voornoemde omstandigheden het gebruik van de kerk door eiser voor de uitoefening van zijn godsdienst ernstig bemoeilijkt, hetgeen in strijd is met de vrijheid van godsdienst.

5.3

Volgens verweerder dient het belang van instandhouding van het monument te prevaleren boven het gestelde belang van eiser. Niet is gebleken dat de sloop van het orgel onvermijdelijk is, terwijl de consequenties hiervan onomkeerbaar zijn. Niet is uitgesloten dat het orgel kan worden gerestaureerd. Verweerder heeft een besluit genomen om daarvoor een bedrag van € 26.000,- aan subsidie ter beschikking van eiser te stellen. Dat eiser in het kader van zijn subsidieaanvraag een offerte heeft overgelegd met een bedrag van € 112.000,- aan restauratiekosten wordt niet bestreden. Hiervan werd bij de toekenning van de subsidie
€ 80.000,- subsidiabel geacht. Volgens verweerder kan als alternatief het orgel voorts ongemoeid worden gelaten, waarbij eiser de mogelijkheid heeft om bijvoorbeeld een los orgel neer te zetten in het kerkgebouw voor de begeleiding van kerkdiensten. Het gebruik van de kerk voor de uitoefening van de godsdienst wordt met de instandhouding van het orgel in ieder geval niet onmogelijk gemaakt.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn belang bij vervanging van het orgel dient te prevaleren boven het behoud van dit onderdeel van het monument. De rechtbank stelt voorop dat het belang van eiser om te kunnen beschikken over een goed functionerend orgel in de [naam kerk] als zwaarwegend belang wordt beschouwd. Nu echter sprake is van een beschermingswaardig monument en verweerder heeft gewezen op concrete alternatieven om zonder aantasting van het monument het doel van eiser te bereiken, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de gestelde alternatieven niet te realiseren zijn. Ook als wordt uitgegaan van de door eiser genoemde offertes van respectievelijk € 112.000,- en € 50.000,- , heeft eiser daarmee nog onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat er naast de gehele restauratie geen haalbare alternatieven, zoals plaatsing van een los orgel of een gedeeltelijke restauratie met vervanging van bepaalde onderdelen, voorhanden zijn, als gevolg waarvan alleen de totale verwijdering van dit onderdeel van het monument als mogelijkheid resteert. Verweerder heeft bij die stand van zaken dan ook in redelijkheid het belang van bescherming van het monument zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser en de omgevingsvergunning kunnen weigeren. Van een schending van de vrijheid van godsdienst is geen sprake, alleen al niet omdat niet is gebleken dat het gebruik van de [naam kerk] voor het houden van de erediensten door weigering van de vergunning onmogelijk of onredelijk moeizaam wordt gemaakt.

5.5

Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.M. Jongkind, leden, in aanwezigheid van mr. F.K. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.