Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4329

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
13/728105-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan het overdragen en zonder erkenning verhandelen van (vuur)wapens van categorie II en III, bijbehorende munitie, een hulpstuk en een onderdeel en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte gemaakt. Voorts heeft verdachte gepoogd wapens van categorie II en munitie van categorie II en III over te dragen en heeft hij wapens en munitie voorhanden gehad. Daarnaast heeft verdachte meerdere valse rijbewijzen, identiteitskaarten en paspoorten voorhanden gehad en heeft hij onwettig in Nederland verbleven. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728105-13 (Promis)

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5, 8, 9, 11 en 26 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.Th. Sta en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte mr. J.F. van der Brugge naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 27 mei 2014 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij:

  1. in de periode van 15 oktober 2012 tot en met 18 februari 2014 tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, wapens en munitie van categorie II en/of III heeft overgedragen en/of zonder erkenning heeft verhandeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt;

  2. primair: in de periode van 17 februari 2014 tot en met 18 februari 2014 tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, heeft gepoogd wapens en/of munitie van categorie II en/of III over te dragen;

subsidiair: in de periode van 17 februari 2014 tot en met 18 februari 2014 tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, wapens en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad;

3. op 18 februari 2014 tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, wapens en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad;

4. op 18 februari 2014 drie valse rijbewijzen voorhanden heeft gehad;

5. op 18 februari 2014 in het bezit was van twee valse en/of vervalste identiteitskaarten en twee valse en/of vervalste paspoorten;

6. op 18 februari 2014 als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven.

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding: partiële nietigheid

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding met betrekking tot feit 1 zoals ten laste gelegd onder ‘k’ dat ziet op de zinsnede ‘één of meer (onbekend gebleven) wapen(s) en/of munitie van categorie(ën) II en/of III, althans een hoeveelheid wapen(s) en/of patronen’ partieel nietig dient te worden verklaard, nu dit in het licht van het omvangrijke dossier onvoldoende is gespecificeerd en de dagvaarding in zoverre niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De dagvaarding zal dan ook in zoverre nietig worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding voor het overige geldig is.

3.2

De rechtbank is bevoegd is tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie – ten aanzien van het in feit 1 en 2 ten laste gelegde – niet ontvankelijk dient te worden verklaard in diens vervolging van verdachte, omdat verdachte door de Britse undercoveragenten is gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet te voren niet reeds op dat strafbare feit was gericht. De werkwijze van de undercoveragenten was dat zij alles kochten voor elke prijs. Verdachte is daardoor tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gebracht.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 15 oktober 2012 en 17 januari 2013 werd door de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) een proces-verbaal met CIE-informatie aan de recherche verstrekt. Hierin wordt gesproken over [naam], de eigenaar van de Spyshop, die vanuit de Spyshop handelt in automatische vuurwapens en deze wapens op bestelling geleverd krijgt door zijn Joegoslavische contacten. Uit de daartoe beschikbare systemen bleek dat met ‘[naam]’ werd bedoeld [medeverdachte 1], voorts dat medeverdachte [medeverdachte 1] (verder [medeverdachte 1]) twee antecedenten heeft ter zake van de Wet wapens en munitie. Deze informatie heeft geleid tot observaties en het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC). Mede op basis van de hieruit verkregen informatie werd een bevel afgegeven als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, Sv, strekkende tot het stelselmatig inwinnen van informatie over medeverdachte en werd ten aanzien van verdachte een bevel pseudokoop als bedoeld in artikel 126i Sv afgegeven. Laatstgenoemde bevoegdheid kan worden ingezet als sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv en indien de uitoefening van de bevoegdheid in het belang van het onderzoek is, aan welke voorwaarden – gelet op het hiervoor overwogene – was voldaan. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader twee Britse undercoveragenten ingezet, die zich in de periode van 13 tot en met 18 februari 2014 hebben voorgedaan als kopers en daadwerkelijk verschillende wapens en bijbehorende munitie hebben gekocht van verdachte en diens medeverdachten.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bij de uitvoering van de pseudokoop, door de undercoveragenten, rechtmatig is gehandeld. De Hoge Raad (HR) heeft in zijn rechtspraak het zogenoemde Tallon-criterium geformuleerd, waaruit volgt dat wanneer een strafbaar feit is uitgelokt door bijvoorbeeld een infiltrant of pseudokoper, niet reeds op die grond sprake is van onrechtmatig handelen door de politie, indien de verdachte daardoor niet tot andere handelingen is gebracht dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht.

De rechtbank is van oordeel dat het Tallon-criterium niet is geschonden en overweegt daartoe als volgt. De undercoveragenten zijn op 13 februari 2014 ‘s avonds de Spyshop binnenkomen, nadat zij diezelfde middag met medeverdachte [medeverdachte 2] (verder [medeverdachte 2]) hadden gesproken over de mogelijkheid van het kopen van wapens. Verdachte was toen in de shop aanwezig. Hij bood de undercovers verschillende wapens aan en het is ook daadwerkelijk tot de verkoop van wapens en bijbehorende munitie gekomen. De undercoveragenten hebben daarbij niet bij verdachte op verkoop van wapens hoeven aandringen of verdachte daar op enige wijze toe over moeten halen, anders dan door zich simpelweg als potentiële kopers aan te bieden. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij wapens in Nederland koopt, de wapens verstopt en dat hij zodra hij gebeld wordt om de wapens te leveren, zich aandient. Met deze verklaring heeft verdachte zelf al aangegeven dat zijn opzet al voor het optreden van de undercoveragenten op de ten laste gelegde feiten was gericht in de voor het Tallon-criterium relevante zin. Het gegeven dat de undercoveragenten zich als gretige kopers voordeden en wellicht niet al te scherp over de prijzen onderhandelden, maakt dat niet anders. Dat verdachte door de tussenkomst van de undercoveragenten zou zijn gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, is dus niet aannemelijk geworden.

De rechtbank verwerpt het verweer dan ook. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

3.4

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft ten aanzien van het feit onder 1 betoogd dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1]. De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de verschillende OVC gesprekken, taps en observaties blijkt dat verdachte op grote schaal handelde in wapens.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde betoogd dat de poging tot het overdragen van wapens bewezen kan worden verklaard, nu de wapens op 17 februari 2014 aan de undercoveragenten zijn gedemonstreerd, er een prijs afgesproken is en er is afgesproken wanneer tot levering en betaling zou worden overgegaan. Door de politie-inval op 18 februari 2014 is het niet tot levering en betaling gekomen.

Ten aanzien van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze feiten bewezen kunnen worden verklaard, nu deze goederen bij doorzoekingen in de woning van verdachte en diens verblijfadres zijn aangetroffen. De officier van justitie heeft met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde aangevoerd dat de Nederlandse overheid voldoende inspanningen heeft verricht om verdachte uit te zetten en dat uit het verhoor van verdachte blijkt dat hij wist dat hij niet in Nederland mocht blijven. De officier van justitie heeft ook dit feit bewezen geacht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van voldoende bewijs, nu de aangetroffen wapens, rijbewijzen en paspoorten een onmiddellijk gevolg zijn van de uitgelokte handelingen van de undercoveragenten en als ‘fruits of the poisonous tree’ buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde betoogd dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging van verdachte heeft verspeeld, nu het Openbaar Ministerie verdachte reeds in november 2013 in beeld had en op de hoogte was van zijn status als ongewenst vreemdeling en dat hem pas op 18 februari 2014, na zijn aanhouding voor de overige ten laste gelegde feiten, wordt verweten dat hij als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft onder punt 3.3 geoordeeld dat geen sprake is van ontoelaatbare uitlokking door de undercoveragenten, zodat het verweer van de raadsman dat ziet op het uitsluiten van het bewijs voor de overige feiten in het kader van ‘fruits of the poisonous tree’ dan ook niet opgaat.

4.3.1

Partiele vrijspraak

Vrijspraak ten aanzien van het in feit 1 onder d, f en j ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in feit 1 onder d, f en j ten laste gelegde, nu de strafbare betrokkenheid van verdachte bij de verkoop en levering van deze specifieke wapens en munitie niet uit het dossier blijkt.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] eigenaar was van de winkel [winkel A] (‘[winkel A]’) en dat [medeverdachte 2] als vaste medewerker van de Spyshop kan worden gezien. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte betrokken is geweest bij de verkoop en levering van wapens en munitie aan twee Britse undercoveragenten in de periode 14 tot en met 18 februari 2014. Ook stelt de rechtbank vast dat op 21 september 2013 en op 15 februari 2014 wapens en munitie aan undercoveragenten zijn verkocht en geleverd door medeverdachten. Om verdachte voor de verkoop van deze wapens als medepleger aan te merken dient een bewuste en nauwe samenwerking te worden vastgesteld.

Uit de beschikbare bewijsmiddelen kan de strafbare betrokkenheid van verdachte bij de verkoop van de in feit 1 onder d, f en j genoemde wapens en bijbehorende munitie op 21 september 2013 en op 14 februari 2014 echter niet worden afgeleid. De contacten met de undercoveragenten en de verkoop van de wapens hebben op voornoemde dagen deels vanuit de Spyshop, waar verdachte regelmatig (en ook op 14 februari 2014) aanwezig was, plaatsgevonden, maar verdachte heeft niet deelgenomen aan de gesprekken en onderhandelingen tussen zijn medeverdachten en de undercoveragenten met betrekking tot de in feit 1 onder d, f en j genoemde wapens. Ook is niet gebleken dat hij anderszins een rol van voldoende betekenis heeft gespeeld bij die verkopen of heeft gedeeld in de opbrengst. Daarom is er onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde medeplegen van wapenverkoop op genoemde data en zal verdachte worden vrijgesproken het in feit 1 onder d, f en j ten laste gelegde.

Vrijspraak ten aanzien van het in feit 2 onder d en 3 onder d en e ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem in feit 2 onder d en 3 onder d en e ten laste gelegde, nu uit het dossier niet blijkt dat deze wapens onder verdachte in beslag zijn genomen.

4.3.2

Het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten zoals in rubriek 5 weergegeven.

4.3.3

Nadere overwegingen

Ten aanzien van feit 1

“Van het verhandelen van wapens een beroep of gewoonte maken”

De rechtbank is van oordeel dat is bewezen dat verdachte ”van het verhandelen van wapens een beroep of gewoonte” heeft gemaakt. Immers, uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 14 en 15 februari 2014 wapens en munitie aan de undercoveragenten heeft verkocht en dat hij in de periode van 17 tot en met 18 februari 2014 heeft gepoogd een grote hoeveelheid wapens te verkopen aan deze agenten. Daarnaast blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij meerdere wapens onder zich heeft gehad, dat hij ze in Nederland kocht en dat hij de wapens verkocht om aan geld te komen. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte een beroep of gewoonte van het verhandelen van wapens heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 6

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Uit het sfeer proces-verbaal1 van de vreemdelingenpolitie blijkt dat verdachte reeds twee keer, namelijk in 2009 en in 2011 is uitgezet naar Servië. Verdachte heeft zichzelf daarna opnieuw wederrechtelijk de toegang tot Nederland verschaft. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft daarnaast ook meerdere vertrekgesprekken met betrokkene gevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de nodige maatregelen zijn genomen om uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit. De terugkeerprocedure is (meerdere keren) doorlopen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 en 4.3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 13 februari 2014 tot en met 18 februari 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens heeft gehandeld in strijd met artikel 9 en 31 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, immers hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) wapens en/of munitie van categorie(ën) II en/of III overgedragen en zonder erkenning verhandeld, te weten:

  1. een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Beretta en model 70 en

  2. een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Walther en model PP en

  3. een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk FN (Fabrique Nationale) en model 1910 en

e) een onderdeel en hulpstuk dat specifiek bestemd was voor een wapen van categorie III en van wezenlijke aard was, te weten een loop, kaliber 7,65 mm, geschikt voor een pistool van het merk FN, een wapen van categorie en een geluidsdemper, kaliber 7,654 mm br, geschikt om te worden bevestigd op de loop van het aangetroffen vuurwapen van het merk FN model 1910 en

g) munitie van categorie III, te weten 49 patronen, kaliber .32 auto en bodemstempel CBC .32 auto en

h) munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 7,65 mm en bodemstempel GFL 7,65mm en

i. i) munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber .32 auto en bodemstempel CBC.32 auto en

van het in strijd met de wet verhandelen van wapens en munitie een beroep of een gewoonte gemaakt;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

in de periode van 17 februari 2014 tot en met 18 februari 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om wapens en munitie van categorie(ën) II en/of III over te dragen, te weten:

  1. twee wapens van categorie II, te weten twee pistoolmitrailleurs, merk Auto-Ordnance en model Thomson M1A1 en

  2. twee wapens van categorie II, te weten twee schietpennen, merkloos en kaliber 6.35 mm Browning en

  3. een onderdeel en hulpstukken die specifiek bestemd waren voor een wapen van categorie II en van wezenlijke aard was, te weten twee patroonhouders, merk Auto-Ordnance en model Two-piece Construction Backstrap en bestemd voor een machinegeweer, een wapen van categorie II en een patroonmagazijn, kaliber 9 x 19 mm en geschikt voor een machinepistool van het merk IMI model Uzi, een wapen van categorie II en

munitie van categorie III, te weten 21 patronen, kaliber 6.35 Browning en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber .32 S&W Long en

munitie van categorie III, te weten 7 patronen, kaliber 7.65 mm Browning en

munitie van categorie III, te weten 25 patronen, kaliber 6.35 mm Browning en

munitie van categorie III, te weten 24 patronen, 7.65 mm Browning en

munitie van categorie III, te weten 300 patronen, kaliber .45 AUTO en

munitie van categorie II, te weten 48 patronen, kaliber .44 Remington Magnum en merk CBC en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 7.65 mm Browning en merk CBC en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 9 mm Browning en merk G.F.L. en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 9 mm Browning en merk G.F.L. 380 auto en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 9 mm x 19. en merk CBC en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 9 mm en merk Giulio Fiocchi Lecco;

  • -

    telefonisch contact heeft onderhouden met de mogelijke afnemers en

  • -

    een ontmoeting heeft gehad met de mogelijke afnemers op de [adres] te Amsterdam en

  • -

    aldaar op de [adres] de voornoemde wapens en patroonhouders en het patroonmagazijn en de munitie heeft getoond en

  • -

    aldaar op de [adres] heeft onderhandeld over een prijs voor de te leveren wapens en patroonhouders en het patroonmagazijn en de munitie en

  • -

    vervolgens aldaar op de [adres] een prijs voor de af te nemen wapens en patroonhouders en het patroonmagazijn en de munitie is overeengekomen en

  • -

    vervolgens afspraken gemaakt over het moment van overdragen van de voornoemde wapens en patroonhouders en het patroonmagazijn en de munitie;

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

op 18 februari 2014 te Amsterdam, wapens en munitie van categorie(ën) II en/of III voorhanden heeft gehad, te weten:

  1. een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Crvena Zastava en model 57 en

  2. een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Sig Sauer en model 2000 en

  3. een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Röhm en model Little Joe en

een wapen van categorie II, te weten een busje pepperspray, bijzonderheden: zwart kleurig busje en

munitie van categorie III, te weten 8 patronen, kaliber 7.62mm x 25 en bodemstempel diverse en

munitie van categorie III, te weten 12 patronen, kaliber 7.62 mm x 25 en bodemstempel Sellier & Bellot en Prvi Partizan en diverse opdrukken en

munitie van categorie III, te weten 6 patronen, kaliber 9 x 17 mm + 9 x 18 mm en bodemstempel nny 9K en tne 9 x 18 en

munitie van categorie III, te weten 25 patronen, kaliber 7.62 en merk Sellier en Bellot en

munitie van categorie III, te weten 35 patronen, kaliber 9 mm LUGER en met bodemstempel 9mm Luger G.F.L. en 9 mm Luger CBC en

munitie van categorie III, te weten 10 patronen libra, kaliber 9 mm Luger en bodemstempel 9mm Luger Libra en

munitie van categorie III, te weten 1 patroon S&B, kaliber 9mm en bodemstempel 9mm Luger S&B en

munitie van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .22 LR en merk Winchester Ammunition en

munitie van categorie III, te weten 26 patronen, kaliber .22 LR en merk CCI en

munitie van categorie III, te weten 19 patronen, kaliber .22 LR en merk Erich & Graetz en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber .22 LR en merk Sellier & Bellot en

munitie van categorie III, te weten 11 patronen, kaliber 7,65 mm Browning en met bodemstempel 7,65 br S&B en

munitie van categorie III, te weten 49 patronen, waarvan 47 patronen kaliber 7,65 mm Browning en met bodemstempel GFL 7,65 en 2 patronen met bodemstempel nny.32 auto en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 7,65 mm br. en met bodemstempel Geco 7,65 en

munitie van categorie III, te weten 20 patronen, kaliber 6,35 mm br. en met bodemstempel S&B 6,35 en

munitie van categorie III, te weten 50 patronen, kaliber 7,62 x 25 mm en met bodemstempel S&B 7,62 x 25;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

op 18 februari 2014 te Amsterdam en Den Ilp, opzettelijk voorhanden heeft gehad drie valse Sloveense rijbewijzen, eenmaal op naam van [persoon 1] met nummer [nummer 1] en eenmaal op naam van [persoon 2] met nummer [nummer 2] en eenmaal op naam van [persoon 3] met nummer [nummer 3] - elk zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, immers:

  • -

    is het rijbewijs op naam van [persoon 1] een nabootsing van een echt rijbewijs van dit model inclusief de toegepaste productietechnieken, ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken en gebruikt basismateriaal en

  • -

    is op het rijbewijs op naam van [persoon 1] het documentnummer in tegenstelling tot een origineel exemplaar niet uitgevoerd in een druktechniek maar in een printtechniek en

  • -

    fluoresceert het documentnummer op het rijbewijs op naam van [persoon 1] onder ultraviolet licht niet in tegenstelling tot een origineel exemplaar en

  • -

    bevat het basismateriaal van het rijbewijs op naam van [persoon 1] een nagebootst watermerk en

  • -

    wijkt het formaat van het rijbewijs op naam van [persoon 1] af van het formaat van een origineel exemplaar en

  • -

    is het rijbewijs op naam van [persoon 2] een nabootsing van een echt document van dit model inclusief de toegepaste productietechnieken en ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken en

  • -

    zijn op het rijbewijs op naam van [persoon 2] de basisbedrukking en de variabele gegevens middels een printer aangebracht terwijl de basisbedrukking van een origineel exemplaar middels verschillende druktechnieken wordt aangebracht en de variabele gegevens, dus de persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto's van de houder, middels lasergravure en

  • -

    ontbreekt op het rijbewijs op naam van [persoon 2] bij de opdruk op de voorzijde optische variabele inkt die wel aanwezig is op een origineel exemplaar en

  • -

    is het rijbewijs op naam van [persoon 3] een nabootsing van een echt rijbewijs van dit model inclusief de toegepaste productietechnieken en ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken en gebruikt basismateriaal en

  • -

    fluoresceert het documentnummer op het rijbewijs op naam van [persoon 3] onder ultraviolet licht niet in tegenstelling tot een origineel exemplaar en

  • -

    bevat het basismateriaal van het rijbewijs op naam van [persoon 3] een nagebootst watermerk en

  • -

    wijkt het formaat van het rijbewijs op naam van [persoon 3] af van het formaat van een origineel exemplaar;

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

op 18 februari 2014 te Amsterdam en Den Ilp, in het bezit was van twee Sloveense identiteitskaarten, eenmaal op naam van [persoon 2] met nummer [nummer 4] en eenmaal op naam van [persoon 3] met nummer [nummer 5] en twee Sloveense paspoorten, eenmaal op naam van [persoon 1] met nummer [nummer 6] en eenmaal op naam van [persoon 2] met nummer [nummer 7], waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

  • -

    voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 2] een nabootsing is van een echt document van dit model inclusief de toegepaste productietechnieken en ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken en

  • -

    op voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 2] de basisbedrukking en de variabele gegevens middels een printer zijn aangebracht terwijl de basisbedrukking van een origineel exemplaar middels verschillende druktechnieken wordt aangebracht en de variabele gegevens, dus de persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto van de houder, middels lasergravure en

  • -

    op voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 2] bij de opdruk op de achterzijde optisch variabele inkt ontbreekt die wel aanwezig is op een origineel exemplaar en

  • -

    op voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 3] over de voorzijde een folie is aangebracht, dat origineel geen deel uitmaakt van de identiteitskaart en

  • -

    op voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 3] dit niet originele folie eenvoudig van de identiteitskaart kon worden verwijderd en

  • -

    op voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 3] de originele persoons- en afgiftegegevens nog op het onderliggende basismateriaal aanwezig zijn, maar de origineel aangebrachte pasfoto middels snijden en schuren geheel van de identiteitskaart is verwijderd en

  • -

    op voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 3] de thans aangebrachte pasfoto is aangebracht aan de kleefzijde van het niet originele folie en de beschadigingen die zijn ontstaan bij het verwijderen van de origineel aangebrachte pasfoto aan het zicht onttrekt en

  • -

    voornoemde identiteitskaart op naam van [persoon 3] gesignaleerd is in het Schengen Informatie Systeem II als gestolen voorwerpen en

  • -

    op voornoemd paspoort op naam van [persoon 1] de thans op de personaliabladzijde zichtbare pasfoto is aangebracht middels een techniek die afwijkt van een origineel door de autoriteiten van Slovenië afgegeven exemplaar en

  • -

    op voornoemd paspoort op naam van [persoon 1] over het origineel op de personaliabladzijde aangebrachte folie een tweede folie is aangebracht dat origineel geen deel uitmaakt van dit paspoort en

  • -

    op voornoemd paspoort op naam van [persoon 1] na gedeeltelijke verwijdering van dat tweede folie zichtbaar wordt dat de thans aangebrachte pasfoto is aangebracht over de origineel nog aanwezige pasfoto die middels een substantie is gemaskeerd en

  • -

    op voornoemd paspoort op naam van [persoon 2] de thans aangebrachte personaliabladzijde qua detaillering en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken niet overeen komt met een originele personaliabladzijde en

  • -

    op voornoemd paspoort op naam van [persoon 2] die personaliabladzijde een nabootsing betreft die over de daaronder aanwezige originele personaliabladzijde is bevestigd en

  • -

    op voornoemd paspoort op naam van [persoon 2] na verwijdering van de nagebootste personaliabladzijde zichtbaar is dat dit paspoort origineel is voorzien van een pasfoto van een geheel andere persoon en is voorzien van variabele gegevens;

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

op 18 februari 2014 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft voorts de gevangenneming van verdachte gevorderd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de LOVS-richtlijnen. De raadsman heeft verzocht de vordering tot gevangenneming af te wijzen, nu door het Openbaar Ministerie geen nieuwe bezwaren of gronden zijn aangevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan het overdragen en zonder erkenning verhandelen van (vuur)wapens van categorie II en III, bijbehorende munitie, een hulpstuk en een onderdeel en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte gemaakt. Voorts heeft verdachte gepoogd wapens van categorie II en munitie van categorie II en III over te dragen en heeft hij wapens en munitie voorhanden gehad.

Het voorhanden hebben maar bovenal het overdragen/verhandelen van vuurwapens levert een onaanvaardbaar risico op het gebruik daarvan op. Door dergelijk handelen wordt de maatschappelijke veiligheid immers ernstig aangetast, nu deze wapens en de bijbehorende munitie kunnen worden gebruikt voor ernstige criminele activiteiten. Verdachte heeft met deze overdracht een onaanvaardbaar risico opgeroepen voor het leven en de veiligheid van personen.

Verdachte heeft wapens en munitie verkocht en heeft gepoogd wapens en munitie te verkopen aan twee Britten die in Nederland waren om een schuld te innen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich bewust heeft begeven in het criminele circuit. Hij heeft zijn eigen belangen voorop gesteld. Vanwege de ernst van de voornoemde feiten kan niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

Daarnaast heeft verdachte meerdere valse rijbewijzen en identiteitskaarten en paspoorten voorhanden gehad. Met zijn handelen heeft hij schade toegebracht aan het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen. Ook heeft verdachte onwettig in Nederland verbleven.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 april 2015, waaruit blijkt dat verdachte in 2011 is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens wapenbezit en in 1998 is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens het bezit en de handel in wapens. De eerder aan hem opgelegde straffen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich wederom met het bezit en de handel in wapens in te laten.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging mede acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben en/of overdragen van (vuur)wapens varieert van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden tot negen maanden per (vuur)wapen. Voor het voorhanden hebben en/of overdragen van munitie betreft het oriëntatiepunt een geldboete. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van de vrijheidsbenemende straf de overgedragen munitie als strafvermeerderende factor beschouwen evenals de overgedragen loop en geluidsdemper. Voor het onwettig verblijf in Nederland wordt evenals voor het bezit van een vals reisdocument een oriëntatiepunt van 2 maanden gevangenisstraf genoemd.

De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat het ten aanzien van het tweede feit bij een poging is gebleven.

De rechtbank zal het bevel tot gevangenneming afwijzen, nu zij geen reden ziet om verdachte niet in vrijheid het onherroepelijk worden van het oordeel te laten afwachten.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte – in afwijking van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd – partieel wordt vrijgesproken zoals overwogen onder 4.3.1 en gelet op het hiervoor overwogene, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in matigende zin af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht op grond van het hiervoor overwogene dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van te noemen duur passend en geboden is.

9 Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen onder 7 tot en met 10, 16 tot en met 20, 56 tot en met 62, 74 en 75 op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst terug te geven aan verdachte, de geldbedragen onder 1 tot en met 4 en 77 verbeurd te verklaren en de goederen onder 5 en 6, 11 tot en met 15, 21 tot en met 55, 63 tot en met 73 en 76 te onttrekken aan het verkeer.

De raadsman heeft verzocht om teruggave van de onder 1 tot en met 4 en 77 in beslag genomen geldbedragen, nu niet kan worden aangetoond dat dit geld verbonden zou zijn aan enig strafbaar feit.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De in beslag genomen goederen onder 5 en 6, 11 tot en met 15, 21 tot en met 55, 63 tot en met 73 en 76 op de beslaglijst zullen worden onttrekken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De onder 1 tot en met 4 en 77 in beslag genomen geldbedragen, die aan verdachte toebehoren , worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien aannemelijk is dat die geldbedragen geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen onder 7 tot en met 10, 16 tot en met 20, 56 tot en met 62, 74 en 75 op de beslaglijst zal een last worden gegeven tot teruggave aan verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 57, 197, 225 en 231 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het in feit 1 onder k ten laste gelegde nietig.

Verklaart het in feit 1 onder d, f en j, feit 2 onder d en feit 3 onder d en e ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in feit 1 onder a, b, c, e, g, h en i, feit 2 onder a, b, c, e tot en met p, het in feit 3 onder a, b, c en f tot en met v en het in feit 4, 5 en 6, ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in feit 1 onder a, b, c en e bewezen verklaarde:

medeplegen van handelen in strijd met de artikelen 9 en 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 1 onder g, h, en i bewezen verklaarde:

medeplegen van handelen in strijd met de artikelen 9 en 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 2 onder a, b, c bewezen verklaarde:

poging tot handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 2 onder e tot en met p bewezen verklaarde:

poging tot handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van het in feit 3 a, b en c bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 3 f bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

ten aanzien van het in feit 3 g tot en met v bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 4 bewezen verklaarde:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 5 bewezen verklaarde:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in feit 6 bewezen verklaarde:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

de onder 1 tot en met 4 en 77 in beslag genomen geldbedragen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

de in beslag genomen goederen onder 5 en 6, 11 tot en met 15, 21 tot en met 55, 63 tot en met 73 en 76 op de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

de goederen onder 7 tot en met 10, 16 tot en met 20, 56 tot en met 62, 74 en 75 op de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2015.

1 AD06.01.0001 e.v.