Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4325

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
13-751377-15 15-2977- _
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering aan België toegestaan.

Verweren die betrekking hebben op de weigeringsgrond van artikel 11 OLW zijn verworpen.

Verder overweegt de rechtbank:

De wens van de opgeëiste persoon tot overdracht van de Belgische vervolging aan Nederland vormt geen weigeringsgrond voor de verzochte overlevering en onttrekt zich ook overigens aan de beoordeling van de overleveringsrechter. Het gegeven dat deze wens niet wordt gehonoreerd, zoals uiteengezet door de officier van justitie, kan niet leiden tot een flagrante schending van enig in het EVRM gewaarborgd fundamenteel recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751377-15

RK nummer: 15/2977

Datum uitspraak: 23 juni 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 mei 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 april 2015 door de Onderzoeksrechter, verbonden aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], België, op [geboortedatum] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentie adres],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 juni 2015. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, die heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd namens hem de verdediging te voeren.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel op (de rechtbank leest: bij) verstek, uitgevaardigd door eerdergenoemde rechtbank en gedateerd 27 april 2015.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Standpunt raadsman

In het EAB is sprake van de kwalificatie ‘foltering’ met een strafbedreiging van 20 tot 30 jaar. Deze strafbepaling kent de Nederlandse wet niet. Behoudens contra-indicaties zoals ‘algolagnie aspecten’, valt te denken aan een kwalificatie op grond van artikel 303 Wetboek van Strafrecht met een maximale strafbedreiging van 12 jaar. Dit ‘strafbedreigingsgat’ is onwenselijk groot. Voor een goede beoordeling is het noodzakelijk de omschrijving van het eerste feit nader te duiden.

Standpunt officier van justitie
Het betreft hier lijstfeiten. Voor een onderzoek als gevraagd door de raadsman is geen ruimte.

Oordeel rechtbank
De rechtbank vat het verweer van de raadsman op als een genoegzaamheidsverweer ten aanzien van de omschrijving van het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht.
Bij de beoordeling van de genoegzaamheid van de feitsomschrijving in het EAB gaat de rechtbank uit van de omschrijving van die feiten in het EAB en – voor zover aan de orde – van daarop betrekking hebbende aanvullende informatie en niet van de vermelde kwalificaties naar buitenlands recht. De omschrijving van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd voldoet aan de vereisten van artikel 2, tweede lid onder e OLW. Het verweer faalt om die reden.

Dat bij het eerste feit ‘algolagnie’ een rol zou hebben gespeeld en dat om die reden uitgegaan moet worden van een mate van vrijwilligheid in het kader van een seksspel, waardoor in de opvatting van de raadsman de strafwaardigheid aan het handelen van de opgeëiste persoon kan komen te ontvallen, ligt niet ter beoordeling van de overleveringsrechter.

Indien het verweer wordt gehandhaafd is de beoordeling daarvan opgedragen aan de Belgische rechter bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

Het door de raadsman gesignaleerde ‘strafbedreigingsgat’ kan evenmin tot weigering leiden.
De strafbedreiging voldoet aan de eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef, onder a, 1e OLW: een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan niet leiden tot weigering van de overlevering.

In hetgeen door de raadsman is betoogd ziet de rechtbank evenmin aanleiding om nadere informatie in te winnen over het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen.

De rechtbank concludeert dan ook dat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht achterwege moet blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, 16 en 27, te weten:

14. moord en doodslag, zware mishandeling
16. ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsbeneming en gijzeling
27. verkrachting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 11 OLW

Standpunt raadsman
De raadsman heeft bepleit dat in het kader van goede rechtsbedeling de Belgische strafvervolging zal moeten worden overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten.
Daarvoor heeft hij verschillende argumenten aangevoerd.
Tendentieuze mediaberichtgeving is er de oorzaak van dat de opgeëiste persoon in België geen eerlijk proces kan verwachten, hetgeen een schending oplevert van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Op 10 juni 2015 zal een verhoor plaatsvinden van de opgeëiste persoon in het kader van een Belgisch rechtshulpverzoek. Dit verhoor is geëntameerd door de Onderzoeksrechter mr. P. van Cauteren maar naar inmiddels is gebleken, zal noch de Onderzoeksrechter noch de procureur des Konings bij het verhoor aanwezig zijn. Het is een louter politioneel verhoor. Dit is juridisch onverantwoord en leidt tot het advies om gebruik te maken van het zwijgrecht.
De raadsman acht vóór dit verhoor inzage in het Belgisch strafdossier noodzakelijk en wil beschikken over de door hem aangeduide stukken “signalering c.a.”, subdossier FAST (‘Fugitive Active Search Team’) en de stukken die zijn opgesteld in het kader van het rechtshulpverzoek. De Belgische wet geeft de Belgische raadsman niet de mogelijkheid om inzage te krijgen in de stukken van het strafdossier. Voor de Nederlandse raadsman ligt dit gunstiger.
Nu er nog geen formele inbeschuldigingstelling is, verzet niets zich tegen intrekking van het EAB en de bedoelde overdracht.

De rechtswaarborgen die de opgeëiste persoon op Nederlands grondgebied toekomen, worden geschonden indien de vervolging niet wordt overgenomen door de Nederlandse autoriteiten. Deze overname dient het beginsel van goede rechtsbedeling, is in alle opzichten gunstiger voor de opgeëiste persoon en ligt voor de hand nu er ook in Nederland een vervolging tegen de opgeëiste persoon loopt.

Standpunt officier van justitie
De eventuele overdracht van de strafvervolging is tussen de autoriteiten van Nederland en België onderwerp van overleg geweest en nadrukkelijk is gekozen voor vervolging van de in het EAB omschreven feiten door de Belgische justitiële autoriteiten en vervolging van de Nederlandse strafzaak door de Nederlandse officier van justitie.
Het door de raadsman bedoelde beginsel is niet geschonden; de keuze waar de vervolging plaatsvindt is niet aan de opgeëiste persoon. Het betreft hier een persoon met de Belgische nationaliteit die verdacht wordt van strafbare feiten, gepleegd in België jegens Belgen. Op die feiten heeft het EAB betrekking. Resocialisatie zal in België plaats moeten vinden.
In de overleveringsprocedure is geen sprake van ontbrekende processtukken. Het verhoor dat plaats zal vinden in het kader van het rechtshulpverzoek betreft een andere procedure die wel degelijk met waarborgen is omkleed.
Het is niet aan de Nederlandse autoriteiten om te bepalen hoe de Belgische strafprocedure dient te verlopen. De formele inverdenkingstelling zal in een later stadium worden opgesteld, nadat het onderzoek zal zijn afgerond. Ook in Nederland ligt niet direct een afgewogen tenlastelegging klaar als een zaak nog in de beginfase van het onderzoek verkeert.
De raadsman suggereert dat de Belgische rechter niet meer tot een onafhankelijk oordeel zal kunnen komen door de publicaties over de verdachte. Dat is een boude en ongefundeerde uitspraak. De conclusie van de raadsman dat een schending van het recht op een eerlijk proces dreigt, mist feitelijke grondslag. Ook advocaten manipuleren de media als hen dat uitkomt.
De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet aan de orde. Los daarvan is België partij bij het EVRM en is een effective remedy voorhanden.
Geen van de door de raadsman aangevoerde argumenten raakt enige weigeringsgrond in het overleveringsrecht.

Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de raadsman het aanvankelijke verweer dat artikel 9 lid 1 sub b OLW (de rechtbank begrijpt: sub a) een beletsel vormt voor de overlevering heeft ingetrokken en zijn bezwaren tegen de verzochte overlevering nu heeft geconcentreerd op de in artikel 11 OLW bedoelde weigeringsgrond.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet kan leiden tot weigering van de verzochte overlevering. Dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een dreigende flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, zoals gewaarborgd door het EVRM, is niet gebleken. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarop een dergelijk vermoeden kan worden gegrond.
Niet gebleken is dat de opgeëiste persoon ervoor moet vrezen dat hem in België geen eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wacht. De opgeëiste persoon kan zich bij zijn berechting in België beroepen op elke hem bij wet en verdrag geboden waarborg. Hij heeft zich reeds voorzien van rechtskundige bijstand en wordt bijgestaan door zowel een Nederlandse als een Belgische advocaat.

De wens van de opgeëiste persoon tot overdracht van de Belgische vervolging aan Nederland vormt geen weigeringsgrond voor de verzochte overlevering en onttrekt zich ook overigens aan de beoordeling van de overleveringsrechter. Het gegeven dat deze wens niet wordt gehonoreerd, zoals uiteengezet door de officier van justitie, kan niet leiden tot een flagrante schending van enig in het EVRM gewaarborgd fundamenteel recht.

De verweren slagen niet.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter, verbonden aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België, ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. S. van Eunen en H.E. Spruit, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juni 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.