Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4284

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1235
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wwb/gegrond/intrekkingsperiode onvoldoende door verweerder onderbouwd/enkel verklaring eiseres niet voldoende/geen omkering bewijslast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/1235

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2015 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. B. Mous),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Boegborn).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 15 augustus 2011 ingetrokken.

Bij uitspraak van 2 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen (AMS 14/5497).

Bij besluit van 29 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres ontving sinds 11 augustus 2003 een uitkering op grond van de Wwb naar de norm van een alleenstaande en behoort als dakloze tot de Bijzondere Doelgroep van de Dienst Werk en Inkomen (DWI).

1.2

In het kader van het project postadressen, waarbij een onderzoek wordt verricht naar de uitkeringen van klanten die een postadres hebben op het adres van de DWI, Jan van Galenstraat 323 B, heeft verweerder onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen Project Postkamer, met afsluitdatum 7 augustus 2014 (hierna: het rapport).

1.3

Op basis van de onderzoeksbevindingen in het rapport heeft verweerder bij primaire besluit de bijstandsuitkering per 15 augustus 2011 ingetrokken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres, gelet op het op 15 augustus 2011 ondertekende zevendagenformulier, onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herzien voor zover het betrekking heeft op de intrekkingsperiode. Omdat laatstelijk op 5 april 2012 een onderzoek is afgerond naar de woon- en leefsituatie en toen werd geconcludeerd dat eiseres wel op de door haar opgegeven adressen verbleef, heeft verweerder de uitkering bij het bestreden besluit ingetrokken per 6 april 2012. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bevindingen van het onderzoek en de verklaringen van eiseres, in onderlinge samenhang bezien, voldoende zijn om vast te stellen dat eiseres vanaf 6 april 2012 niet op de door haar opgegeven adressen verbleef. Omdat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus verweerder.

2.1

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

2.2

In artikel 54, derde lid, van de WWB is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

3. De rechtbank stelt vast dat, nu de intrekking niet is beperkt tot een bepaalde periode, de beoordeling van de rechtbank de periode bestrijkt vanaf de datum van intrekking tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, dat wil zeggen de periode van 6 april 2012 tot en met 12 augustus 2014.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand een belastend besluit is. Dit brengt met zich mee dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en dat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1258). Het ligt gelet daarop op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres in de periode in geding niet verbleef op de door haar opgegeven adressen en dientengevolge haar inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2

Blijkens de stukken van het dossier heeft eiseres zevendagenformulieren ingevuld, waarop zij heeft vermeld van 8 april 2014 tot en met 9 juni 2014 te verblijven op de adressen [straat 1] te Amsterdam en [straat 2] te Amsterdam. Op 6 juni 2014 is eiseres uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van DWI. In dat gesprek heeft eiseres onder meer verklaard dat zij van maandag tot en met donderdag op het adres [straat 2] te Amsterdam slaapt, dat zij de woning tegelijk met de hoofdbewoner rond 07.00 uur verlaat als hij naar zijn werk gaat en dat zij vrijdag tot en met zondag op het adres [straat 1] te Amsterdam slaapt. Naar aanleiding van deze verklaring heeft verweerder meerdere waarnemingen op het adres [straat 2] te Amsterdam verricht en wel op dinsdag 10 juni 2014, op dinsdag 17 juni 2014 en op donderdag 19 juni 2014, telkens vanaf 06.45 uur tot 07.30 uur. Tijdens de observaties hebben de handhavers van verweerder eiseres het huis niet zien verlaten. Verweerder heeft voorts op woensdag 11 juni 2014 een huisbezoek afgelegd op het adres [straat 1] te Amsterdam. De deur werd geopend door [de persoon 1] die onder meer verklaarde dat eiseres ongeveer twee keer bij hem slaapt, maar dit niet bijhoudt. Aangezien [de persoon 1] naar het ziekenhuis moest, heeft verweerder hem uitgenodigd voor een gesprek dat op 16 juli 2014 heeft plaatsgevonden. Desgevraagd heeft [de persoon 1] onder meer verklaard dat eiseres nooit op het adres [straat 1] te Amsterdam heeft geslapen en dat zij misschien bij de buurman slaapt, maar dat hij dat niet weet. Gelet op deze bevindingen heeft verweerder eiseres opgeroepen voor een gesprek op kantoor op 16 juli 2014. In dat gesprek heeft eiseres onder meer verklaard dat haar vorige verklaring dat zij op het adres [straat 1] te Amsterdam slaapt niet klopt, dat zij dat adres heeft aangehouden omdat zij de adressen van de plaatsen waar zij wel slaapt niet mag geven en dat zij één keer heeft geslapen op het voornoemde adres. Verder heeft eiseres verklaard dat zij ten tijde van de waarnemingen op het adres [straat 2] te Amsterdam ook op andere adressen heeft geslapen die ze niet kon doorgeven omdat de hoofdbewoners dat niet willen, dat zij in de periode voor 29 juni 2014 bij [de persoon 2] was, dat haar woning verderop in de straat ligt en dat zij het adres niet weet. Ook heeft zij verklaard dat zij tussen 6 juni 2014 en 29 juni 2014 heeft geslapen in Osdorp, dat zij wel weet waar het is maar het adres niet weet, dat zij in de voornoemde periode op vier verschillende adressen heeft geslapen bij mensen die hun adres niet willen geven, dat dit al meer dan 3 of 4 jaren zo is, dat zij nu bij haar moeder in Almere is, dat zij niet wist dat zij het adres [straat 1] te Amsterdam niet mocht gebruiken terwijl zij er niet was en dat zij laatstelijk voor 29 juni 2014 heeft geslapen op het adres [straat 2] te Amsterdam. Uit het rapport blijkt ten slotte dat verweerder op 21 juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met de hoofdbewoner van het adres [straat 2] te Amsterdam. Hij heeft verklaard dat eiseres soms drie dagen in de week bij hem slaapt op maandag, dinsdag en woensdag, dat hij niet heeft bijgehouden hoe vaak eisers bij hem heeft geslapen maar dat het niet klopt dat zij van maandag tot donderdag bij hem slaapt.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de hiervoor weergegeven onderzoeksbevindingen, die overigens niet zijn betwist door eiseres, toereikende grondslag voor het standpunt dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de Wwb heeft geschonden door onjuiste dan wel onvolledige informatie te verstrekken over haar woon- en leefsituatie. Gelet op het feit dat de woon- en leefsituatie van een belanghebbende van essentieel belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld als gevolg daarvan haar recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.4

Deze onderzoeksresultaten bieden naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eiseres vanaf 6 april 2012 de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Zo bevat het dossier geen afschriften van de zevendagenformulieren van het jaar 2012 en 2013 waaruit zou kunnen blijken dat haar feitelijke verblijfplaats niet overeenkomt met hetgeen ze destijds zou hebben opgegeven. De enkele verklaring van eiseres dat zij al drie of vier jaar op verschillende adressen slaapt, biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag voor de conclusie dat eiseres haar inlichtingenplicht vanaf 6 april 2012 heeft geschonden waardoor haar recht op bijstand niet is vast te stellen. Het betoog van verweerder ter zitting dat, nu eiseres zelf heeft verklaard dat ze al drie of vier jaar geen juiste opgave heeft gedaan over haar feitelijke verblijfadressen omdat ze deze adressen niet mag opgeven van de hoofdbewoners, het op de weg ligt van eiseres om aan te tonen wanneer welke verandering heeft plaatsgevonden en dit met bewijsmateriaal te ondersteunen, volgt de rechtbank niet. Gelet op de jurisprudentie van de Raad zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.1, rust op verweerder de bewijslast met betrekking tot de stelling dat het recht op bijstand van eiseres sinds 6 april 2012 niet is vast te stellen. Pas als verweerder dit aannemelijk maakt, dan is het vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden is blijven verkeren (zie de jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6669). De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de intrekkingsperiode onvoldoende heeft onderbouwd, althans niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien, omdat ten aanzien van de intrekkingsperiode nader onderzoek door verweerder is vereist. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.