Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4265

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
KG ZA 15-710
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Loonvordering over drie maanden toegewezen. Artikel 7:628 lid 1 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0623
JIN 2015/172 met annotatie van K. Janssens
AR 2015/1256

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/588515 / KG ZA 15-710 PS/MB

Vonnis in kort geding van 3 juli 2015 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser bij dagvaarding van 17 juni 2015,

advocaat mr. W. Schellart te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VIALIS B.V.,

gevestigd te Haarlem, woonplaats gekozen hebbend te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. J.L. van Schouten te Amstelveen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Vialis worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 25 juni 2015 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Vialis heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. [eiser] heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een (overgelegde) pleitnota en Vialis aan de hand van een (op voorhand ingediende) conclusie van antwoord.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Vonnis is (bij vervroe-ging) bepaald op heden.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser]: [eiser] met mr. Schellart;

aan de zijde van Vialis: [naam 1], met mr. Van Schouten.

2 De feiten

2.1.

Vialis (voorheen ‘Nederland Haarlem’) is een onderdeel van VolkerWessels

en houdt zich bezig met mobiliteit op het gebied van rail- en wegverkeer. Zij biedt in dat kader geïntegreerde systemen aan voor een goede mobiliteit en een veilig verkeersnet.

2.2.

[eiser], geboren op [datum], is sinds 7 maart 1988 in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) Vialis, aanvankelijk als Operationeel Inkoper op de afdeling Inkoop, laatstelijk tegen een bruto maandsalaris van € 3.421,- (exclusief emolumenten).

2.3.

In het kader van een reorganisatie van Vialis zijn 60 arbeidsplaatsen vervallen en is de functie van [eiser] gewijzigd. Sinds 3 juni 2013 is hij werkzaam als werkvoorbereider.

2.4.

Op 17 februari 2014 heeft [eiser] aan zijn toenmalige leidinggevende een

e-mail gestuurd met als bijlage een lijst met ‘een aantal verbeterpunten’ die volgens hem moesten worden ‘opgepakt om een goede inkoopafdeling op te zetten.’

2.5.

In een e-mail van 11 juli 2014 heeft [naam 2], net als [eiser] werkvoorbereider bij de Business Unit Beheer & Onderhoud van Vialis, een mailt opgesteld voor een leidinggevende ([leidinggevende], hierna [leidinggevende]), en die mail aan [eiser] gestuurd met als onderwerp ‘Werkdruk’ met de vraag: “[eiser] ([eiser], vzr.), wil jij dit ff doorlezen of het zo kan:

Het mailtje luidt voor zover hier van belang:

“(…) Ik wil toch schriftelijk mijn beklag doen. Toen (…) en ik aan het werk waren, hadden we onze handen vol aan de diversiteit van werkzaamheden en diversiteit van contracten. Hier komen nu de volgende verzwarende feiten bij:

(…)

Punt 5. Nieuw systeem, werktempo wordt vertraagd, processen zijn vertraagd.

Conclusie : We komen minimaal 40 uur in de week 1 persoon te kort (als het niet meer is)

(…)

Hoe gaan we dit bolwerken en inhalen met nog meer werkzaamheden in het verschiet?”

Deze mail is ook daadwerkelijk aan [leidinggevende] gestuurd.

2.6.

In september 2014 heeft een externe audit plaatsgevonden bij de inkoopafdeling van Vialis, in een verslag waarvan onder meer het volgende staat:

Totaalscore 44% Maximale score is 100% (…)

Conclusie: Het inkoopproces is binnen de afdeling (…) onvoldoende geïmplementeerd

Men werkt niet conform de beschreven processen. (…) De bewaking van de inkoopopdrachten is niet gestructureerd en op leverproblemen wordt naar de klant toe reactief gereageerd.”

2.7.

Op 17 september 2014 heeft een voortgangsgesprek met [eiser] plaatsgevonden. In het verslag daarvan is onder meer het volgende vermeld:

[eiser] heeft zich ontwikkeld tot een volwaardig en zelfstandig werkvoorbereider (…). Hij kent de werkzaamheden en contracten en werkt klantgericht en kostenbewust. [eiser] wordt door zijn directe collega’s sterk gewaardeerd om zijn kennis, ervaring en adviezen; zij zien hem als een voorbeeld.

De coördinatie van de verschillende werkzaamheden op de afdeling en het nemen van initiatieven (ondernemerschap) kan echter beter. Met zijn rol in de groep en zijn senioriteit binnen de organisatie kan [eiser] een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van de resultaten en prestaties van de afdeling en het ontwikkelen van initiatieven binnen de groep.(…)

2.8.

Aan het eind van het verslag is bij ‘reactie medewerker’ vermeld:

De afdelingsdoelen kunnen naar mijn mening niet gehaald worden. Het systeem waarop de doelen zijn gebaseerd hebben we niet meer. Het nieuwe systeem is niet goed geïmplementeerd, we ondervinden veel problemen met het systeem.

Door onduidelijke contract afspraken en slechte productinformatie zijn wij te lang bezig om de juiste informatie te vinden om aan onze contractverplichting te voldoen.
Het verloop van collega’s op de afdeling is te hoog, we zijn veel tijd kwijt om nieuwe collega’s in te werken die na een korte tijd weer vertrekken.”

2.9.

In een e-mail van 29 januari 2015 heeft [eiser] aan [naam 1] geschreven:

Ik zou graag een afspraak willen maken om het één en ander te bespreken, ik ben namelijk helemaal niet Happy hier bij B&O en wil daar met jou even over praten.”

2.10.

Onder de gedingstukken bevindt zich een concept voor een vaststellingovereenkomst, gedateerd 3 februari 2015, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt beëindigd ‘op initiatief van Werkgever met ingang van 1 juli 2015’. In dit concept is opgenomen dat ‘Werknemer’ na ondertekening tot einde dienstverband is vrijgesteld van werk, met behoud van salaris, en dat ‘Werkgever’ ten behoeve van ‘Werknemer’ een coachings-/outplacement-traject zal bekostigen voor een maximaal bedrag van € 3.500,-. In het concept is geen beëindigingsvergoeding ten behoeve van de werknemer opgenomen.

2.11.

In een e-mail van 20 februari 2015 heeft [naam 1] het volgende aan [eiser] geschreven:

We hebben elkaar een aantal weken geleden gesproken. Ik heb je daarna een voorstel gedaan van hoe wij als Vialis zijnde hierin zitten. Graag hoor ik van jou een reactie op dit voorstel.”

In een e-mail van diezelfde dag heeft [eiser] teruggeschreven dat hij de week erna met een tegenvoorstel zal komen.

2.12.

Bij brief van 23 februari 2015 heeft de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende geschreven aan Vialis:

Allereerst wenst cliënt te benadrukken dat het hem betreurt dat zijn dienstverband mogelijk zal worden beëindigd. Cliënt streeft dan ook in eerste instantie tot het behouden van zijn huidige functie.

Anderzijds ziet cliënt ook wel in dat als gevolg van de ontstane situatie een verdere voortzetting van zijn dienstverband moeizaam, zo niet onmogelijk zal zijn. Cliënt heeft zich derhalve bereid verklaard om een voorstel tot beëindiging van zijn dienstverband in overweging te nemen.

De inhoud van de vaststellingsovereenkomst is in hoofdlijnen akkoord, maar dient te worden aangepast ten einde cliënt te doen instemmen met de beëindiging van zijn dienstverband.

Cliënt is van mening dat het toekennen van een beëindigingsvergoeding in onderhavig geval zeker op zijn plaats is. Cliënt verzoekt u dan ook om een beëindigingsvergoeding ten bedrage van € 86.844,27 bruto in het vaststellingsovereenkomst op te nemen, hetgeen neerkomt op een beëindigingsvergoeding op basis van de neutrale kantonrechtersformule (C=1). (…)

Verder verzoekt cliënt u om hem te ontslaan van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn concurrentiebeding (…).”

2.13.

Bij brief van 26 februari 2015 heeft (de raadsman van) Vialis op de onder 2.12 genoemde brief gereageerd en meegedeeld het in het geheel niet eens te zijn met de inhoud daarvan. In deze brief staat onder meer:

Recentelijk heeft uw cliënt cliënte benaderd met de mededeling dat hij het niet meer naar zijn zin had. Daarbij stelde hij de vraag of cliënte wilde meewerken aan een beëindigingsregeling. Cliënte heeft direct zeer duidelijk gemaakt dat wat haar betrof een beëindiging geenszins noodzakelijk is. Uw cliënt kan prima zijn carrière verder volvoeren bij cliënte. (…)

Indien uw cliënt een beëindiging van het dienstverband na wenst te streven, is cliënt bereid louter op pragmatische gronden een regeling te treffen waarbij de aangeboden overeenkomst integraal dient te worden aanvaard met daarbij de volgende aanpassing:

1. Cliënte zal als beëindigingsvergoeding over een periode van 3 maanden na einde dienstverband een WW uitkering of lager salaris suppleren tot 100% van het laatstverdiende salaris en vakantiegeld. (…)

2. Uw cliënt wordt na einde dienstverband ontslagen uit het concurrentiebeding.

Tot meer is cliënte geenszins bereid.

2.14.

Op 9 maart 2015 heeft [eiser] zich ziek gemeld.

2.15.

Bij e-mail van 10 maart 2015 heeft de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] aan Vialis meegedeeld dat niet [eiser], maar Vialis heeft aangestuurd op een beëindiging van het dienstverband, door aan [eiser] mee te delen geen passend werk voor [eiser] meer te hebben. Deze e-mail eindigt als volgt:

Cliënt streeft ernaar om tot een goede oplossing te komen van de ontstane situatie. De bedoeling van uw cliënte in deze kwestie is nu volstrekt onduidelijk, en cliënt heeft dringend behoefte aan duidelijkheid. Ik verzoek u dan ook om aan te geven

hoe uw cliënte de ontstane situatie wenst op te lossen en duidelijkheid te verschaffen over de voortzetting van de werkzaamheden van cliënt als werkvoorbereider.”

2.16.

Naar aanleiding van de mail van 10 maart 2015 heeft de raadsman van Vialis in een e-mail van 12 maart 2015 aan de gemachtigde van [eiser] geschreven:

De inhoud van uw mail is werkelijk verbijsterend. Zonder enige onderbouwing worden standpunten ingenomen en/of vermeende feiten weergegeven. (…)

Op basis van de u bekende mail van 29 januari jl.: (…)

en het gesprek wat hierop volgde, heeft uw cliënt rechtstreeks gevraagd om een vertrekregeling en kenbaar gemaakt dat hij graag aanspraak wilde maken op een, niet van toepassing zijnde, Sociaal Plan. (…)

Er is geen enkele sprake van het feit dat uw cliënt zijn werk als werkvoorbereider niet zou kunnen volvoeren.

De daarover ingenomen standpunten zijn voor cliënte evenzeer onbegrijpelijk.

(…)

Kortom uw cliënt kan gewoon zijn werk doen als werkvoorbereider.”

2.17.

[eiser] is op 23 maart 2015 bij de bedrijfsarts van Vialis geweest, [naam 3] van ArboNed. Op 24 maart 2015 heeft hij het volgende aan [eiser] geschreven:

Hierbij doe ik u de tekst toekomen van de brief die ik naar aanleiding van ons gesprek van maandag 23-03-2015 aan uw werkgever stuurde.

Hierbij delen wij u mee dat de heer [eiser] op 23-03-2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts is geweest. (…) Er speelt vooral werkgerelateerde problematiek.

Hoewel de heer [eiser] klachten heeft naar aanleiding van de problemen in de werksituatie ziet de bedrijfsarts bij de beoordeling op 23 -03-2015 geen aanleiding hiervoor ziekte of gebrek in de zin van de ziektewet aan te nemen.

De bedrijfsarts adviseert werkgever en werknemer met elkaar in gesprek te gaan over de bestaande problematiek en hiervoor een oplossing te zoeken. ArboNed kan u hierbij desgewenst van dienst zijn door middel van het inschakelen van bijvoorbeeld mediation. Graag ontvangt ArboNed van de werkgever een volledige herstelmelding per 24-03-2015. Omdat een directe werkhervatting, zonder dat er gesprekken hebben plaatsgevonden, voor de heer [eiser] moeilijk zal zijn, en snel zal leiden tot een toename van de bestaande klachten, adviseert de bedrijfsarts de werkgever een interventieperiode te nemen van tenminste twee weken. In deze tijd kan getracht worden te komen tot een oplossing van de bestaande problematiek.” ”

2.18.

Op 27 maart 2015 heeft Vialis [eiser] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek. In deze e-mail staat onder meer:

De arbo arts heeft geoordeeld dat er geen ziekte of gebrek is in de zin van de ziektewet en u in staat moet worden geacht uw werk te verrichten.

Daarnaast dient er een gesprek plaats te vinden tussen u en ons aangezien er in uw visie werk gerelateerde problematiek speelt. Wij delen die mening overigens niet.

Ook is er een time out geadviseerd.

Zoals u weet kunt u op de normale wijze uw werkzaamheden verrichten binnen onze organisatie.

Hierover willen wij graag met u spreken.

Gisteren heeft er dan ook een telefonisch gesprek plaatsgevonden om u uit te nodigen voor een gesprek op kantoor met uw manager en leidinggevende.

In dit gesprek uitte u zich op een zeer vervelende wijze en u deelde mee niet naar het gesprek te komen en zelfs helemaal niet meer op het werk te willen verschijnen.
Door middel van deze brief nodigen wij u uit om te komen praten (…) a.s. dinsdag 31 maart 2015 om 13.00 uur.

(…)

Mocht u het niet eens zijn met het oordeel van de arbo arts kunt u bij het UWV een deskundigen oordeel aanvragen. Dit doet u alsdan op eigen risico en dit kan consequenties hebben voor uw loon indien u door het UWV in het ongelijk wordt gesteld.

Wij verzoeken u echt om a.s. dinsdag te verschijnen voor het gesprek.

Doet u dit niet, zal dit helaas noodzaken tot het stopzetten van uw loon.”

2.19.

Bij e-mail van 31 maart 2015 11.29 uur heeft [eiser] het volgende aan Vialis meegedeeld:

Zoals vorige week donderdag aan [leidinggevende] aangegeven heb ik vandaag 31 maart om 14.40 uur een afspraak met mijn huisarts, De datum en tijdstip van deze eenzijdige afspraak verbaast mij dan ook, zeker omdat [leidinggevende] akkoord ging dat ik haar na mijn bezoek aan de huisarts zou contacten.

Mijn intentie is om er met Vialis samen uit te komen, dus ik verbaas mij dat er wordt vermeld dat ik niet meer op mijn werk zou verschijnen. Ik kan mij dan ook niet vinden in hoe de woorden hieronder zijn geformuleerd:

In dit gesprek uitte u zich op zeer vervelende wijze (…).

2.20.

Bij e-mail van 31 maart 2015, 15.38 uur, heeft [naam 4] (business Unit Directeur) namens Vialis, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd op de e-mail van [eiser]:

Blijkbaar acht u het niet nodig om eerder dan hedenochtend om 11.30 uur te reageren op onze mail en brief (…)

Daarnaast geeft u de feiten onjuist weer (…)

Het gesprek zal nu plaatsvinden op woensdag 1 april om 11.00 uur te Haarlem

Mocht u niet verschijnen, resteert niets anders dan uw salaris te stoppen.

(…)

Zoals u weet kunt u op de normale wijze uw werkzaamheden verrichten binnen onze organisatie en dit dient u dan ook te doen.”

2.21.

Bij e-mail van 31 maart 2015, 23.05 uur, heeft [eiser] het volgende geschreven aan Vialis:

Mijn afspraak bij de huisarts is vandaag geannuleerd, de huisarts werd naar een terminaal patiënt geroepen, de afspraak is naar morgen verplaatst.
In mijn gesprek met [leidinggevende] heb ik haar verteld dat ik vorige week donderdag formulieren over mijn klachten bij de huisarts heb ingeleverd, morgen worden de resultaten besproken.

Door de houding van Vialis en het continu beschuldigen lijkt het mij niet verstandig om zonder een onafhankelijke persoon een gesprek aan te gaan, zoals geadviseerd door de bedrijfsarts.”

2.22.

Bij aangetekend schrijven van 9 april 2015 aan [eiser] heeft Vialis de gebeurtenissen zoals deze volgens haar hebben plaatsgevonden op een rijtje gezet en [eiser] verzocht om per omgaande op het werk te verschijnen. “Dan kan er eerst een gesprek plaatsvinden en vervolgens kunt u gewoon uw werk verrichten.” Aldus de brief. In de brief staat ook dat het stopzetten van het loon wordt gehandhaafd.

2.23.

Bij (aangetekende) brief van 17 april 2015 heeft de gemachtigde van [eiser] Vialis verzocht om de loonstop op te heffen. In deze brief staat verder onder meer:

Cliënt herkent zich niet in het door u geschetste beeld, namelijk dat cliënt uit zou zijn op het creëren van een arbeidsconflict. (…) Cliënt ziet zich echter – door de door zijn werkgever ingenomen houding in deze kwestie – genoodzaakt om zich ziek te melden. Cliënt ervaart dergelijke stress en spanning, dat hij niet in staat is om zijn werk te hervatten.

In dit kader deel ik u mede dat cliënt inmiddels een deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd, ten einde zijn arbeidsongeschiktheid nader vast te laten stellen.

Daarbij dient te worden aangetekend dat deze handelswijze uwerzijds niet in lijn is met het advies van de bedrijfsarts, inhoudende dat een interventieperiode van ten minste 2 weken dient te worden toegepast, waarbinnen beide partijen gezamenlijk tot een oplossing dienen te komen. (…)

Volledigheidshalve benadruk ik dat cliënt bereid en beschikbaar is om met elkaar in gesprek te gaan, mits dit gesprek wordt geleid door een onafhankelijke derde (mediation). (…) Namens cliënt verzoek ik u (…) een mediator in te schakelen om zodoende tot een deugdelijke oplossing van de ontstane situatie te komen.”

2.24.

[eiser] heeft terzake van de beslissing van de bedrijfsarts dat hij per 24 maart 2015 niet ziek is een deskundigenoordeel (‘second opinion’) aangevraagd bij de verzekeringsgeneeskundige (v.g.) van het UWV. Daartoe is hij op 4 mei 2015 door de v.g. gezien.

In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 4 mei 2015 van het UWV is onder meer het volgende vermeld:

Onderzoeksactiviteiten

(…)

4-5-2015 werd 2x geprobeerd P&O adviseur [naam 1] te bereiken, beide keren voicemail.

4-5-2015 was er telefonisch contact met de bedrijfsarts, [naam 3]

(…)

Dossiergegevens

(…)

Brieven bedrijfsarts 24-3-2015 en 14-4-2015 in dossier

(…)

Beschrijving geschil

Bedrijfsarts: arbeidsconflict, interventieperiode en mediation werden geadviseerd, geen ziekte/gebrek in de zin van de ziektewet.

Werkgever: Volgt advies bedrijfsarts niet op, heeft interventieperiode niet benut want er zijn geen oplossende gesprekken geweest, mediation is niet ingezet en geadviseerde interventieperiode is niet doorbetaald. (…)

3. Beschouwing

3.1.

Overwegingen en functionele mogelijkheden

Het betreft een 49-jarige man die al langdurig spanningen op het werk heeft onder andere door reorganisaties en demoties daardoor, hoge werkdruk en slechte werksfeer. (…)

Manager adviseerde hem met P&O te praten en omstreeks februari vernam hij dat zijn werk zou verdwijnen en dat hij weer naar lagere functie zou moeten en dat er geen ander werk voor hem zou zijn. Ze kwamen overeen dat er een vaststellingsovereenkomst zou komen en dat hij per 1-7-2015 uit dienst zou gaan. De inhoud van de aangeboden vaststellingsovereenkomst viel met 27 dienstjaren tegen en zijn advocaat was ermee bezig en vroeg veel meer. Toen “ontplofte de boel” en kwamen er wederzijdse verwijten van leugens. Hij had zich op 9-3-2015 ziek gemeld met lichamelijke klachten geduid agv een infectie. Later kwamen de klachten agv het arbeidsconflict op de voorgrond en er zijn ook nog lichamelijke klachten die als gevolg van de spanningen worden geduid. (…)

Overwegingen

Er zijn geen verzekeringsgeneeskundige gronden voor volledige arbeidsongeschiktheid. Hij is immers niet opgenomen, niet bedlegerig, niet ADL afhankelijk en er is geen onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op 3 niveaus. Klachten zijn overwegend gerelateerd aan arbeidsconflict. Het is in het belang van zijn herstel dat dit conflict wordt opgelost.

(…)

Helaas volgt de werkgever de adviezen van de bedrijfsarts niet of slechts gedeeltelijk op. (…) Op 2 door de werkgever voorgestelde tijdstippen kon werknemer niet (…). Werknemer stelde voor om dan na het bezoek van de arts te komen, maar daar gaat werkgever niet op in en staakt het loon direct per 1-4-2015. De klachten van werknemer nemen daardoor verder toe. En dat terwijl de bedrijfsarts had voorspeld dat een directe werkhervatting, zonder dat er gesprekken hebben plaatsgevonden voor de heer [eiser] moeilijk zal zijn en snel zal leiden tot toename van bestaande klachten. (…)

Gezien zijn gedrag met pogingen zelf problemen op te lossen, houding van werkgever die hem na zeer lang dienstverband weinig meer te bieden lijkt te hebben is voorstelbaar dat het escalerend arbeidsconflict met veel emoties gepaard gaat en dat mediation nodig is.

Maar dit deskundigenoordeel handelt over datum in geding en dat is 24-3-2015. Uit bovenstaande is genoegzaam duidelijk dat beleid bedrijfsarts akkoord is en dat geldt dus ook voor de geschiktheid eigen werk op die datum.”

2.25.

Volgens een brief van het UWV van 7 mei 2015 is de onder 2.24 aangehaalde ‘second opinion’ ook naar Vialis en naar de bedrijfsarts gestuurd.

2.26.

Bij e-mail van 18 mei 2015 heeft Vialis aan [eiser] het volgende meegedeeld:

In deze kwestie is inmiddels het deskundigenoordeel voorhanden.

(…)

Uw cliënt was arbeidsgeschikt ook naar het oordeel van de deskundige van het UWV. Dit brengt mee dat uw cliënt over de voorliggende periode geen recht op loon heeft gehad. Daarnaast wordt uw cliënt expliciet verzocht thans op het werk te verschijnen en wel morgen (19 mei 2015) om 9.00 uur.

Alvorens hij zijn werkzaamheden aanvangt dient hij zich te melden bij zijn leidinggevende. Mocht uw cliënt niet verschijnen zal dit ernstige arbeidsrechtelijke consequenties hebben.”

Hierop heeft (de gemachtigde van) [eiser] later op de dag als volgt gereageerd:

Cliënt heeft morgen een afspraak staan met zijn psycholoog en is helaas dan ook niet in staat om gehoor te geven aan uw (…) oproep. (…) Uit het advies van de bedrijfsarts blijkt duidelijk dat cliënt niet in staat is zijn werkzaamheden te hervatten, voordat de problemen in een gesprek (onder leiding van een mediator) worden besproken en opgelost.”

Voorts heeft (de gemachtigde van) [eiser] bij separate brief aan Vialis van 18 mei 2015 nog eens zijn visie op de gebeurtenissen uiteengezet en gesommeerd om de loonbetalingen te hervatten.

2.27.

Bij brief van 20 mei 2015 heeft (de raadsman van) Vialis op de brief van 18 mei 2015 gereageerd, onder handhaving van het standpunt van Vialis en nogmaals ‘uitdrukkelijk verzocht te verschijnen om te komen werken’, met de mededeling dat ‘daarbij evenzeer een gesprek (kan) plaatsvinden.

2.28.

In een e-mail van 22 juni 2015 heeft [leidinggevende] met betrekking tot het vertrek van een collega-werkvoorbereider van [eiser] (niet zijnde [naam 2]) aan het personeel van Vialis gemeld:

Op donderdag 18 juni heeft een gesprek plaatsgevonden met (…) waarin Vialis heeft aangegeven het dienstverband met (…) te willen beëindigen en (…) per direct vrij te stellen van werkzaamheden. De reden hiervoor is een structureel verschil in inzicht in de wijze waarop de functie van werkvoorbereider binnen Beheer & Onderhoud vervuld dient te worden en een gebrek aan vertrouwen op verbetering.”

2.29.

In een e-mail van [naam 5], teamleider Business Unit Beheer & Onderhoud van Vialis, van 22 juni 2015 staat onder meer:

Medio februari 2015 heb met (…) [eiser] een informeel gesprek gevoerd. Zelf ben ik geen leidinggevende van hem, echter wel al vele jaren collega en heb ik geregeld een koffiemoment met hem over het wel en wee binnen ons bedrijf.

[eiser] gaf aan dat hij nog steeds op zoek is naar uitdagende functie binnen de logistieke tak. Hij gaf mij aan dat hij binnen Vialis niet de uitdaging kon vinden, er was destijds een functie als logistiek medewerker/inkoper binnen onze Business Unit echter was dit in zijn ogen onder zijn nivo. Voor hem was er maar 1 optie en dat was verder buiten Vialis zijn carrière voort te zetten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van Vialis om binnen twee dagen na de vonnisdatum het volledige salaris aan [eiser] door te betalen vanaf

1 april 2015, onder overlegging van specificaties, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente. Tevens vordert [eiser] veroordeling van Vialis in de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering samengevat ten grondslag gelegd dat Vialis tot doorbetaling van het loon gehouden is primair op grond van artikel 7:628 BW, aangezien de oorzaak van het niet werken in redelijkheid voor rekening van Vialis dient te komen, nu Vialis niet bereid is tot constructief overleg onder leiding van een mediator.

[eiser] blijft erbij dat aanleiding voor het gesprek over een vaststellings-

overeenkomst was dat zijdens Vialis is meegedeeld dat de functie van [eiser] wederom zou worden gewijzigd in een lagere functie en dat er geen passende werkzaamheden meer voor hem beschikbaar zouden zijn. Verder heeft de reorganisatie een enorme wissel getrokken op het personeel, dat daardoor overbelast is en heeft Vialis niets, althans te weinig gedaan aan deze problematiek, die haar wel degelijk bekend was. Met de door [eiser] al in februari en september 2014 gesignaleerde knelpunten, die ook in een externe audit zijn vastgesteld, heeft Vialis niets gedaan. Vialis heeft ook niets gedaan met de suggesties van de bedrijfsarts maar heeft al tijdens de time-out periode het loon stopgezet. Nu pas in de conclusie van antwoord van Vialis heeft [eiser] gelezen dat een functie als Operationeel Inkoper voor hem (weer) beschikbaar zou zijn. Anders dan Vialis stelt, is deze functie hem niet al eerder aangeboden. Wel was sprake van een combinatiefunctie, waarvan de invulling heel onduidelijk was en waarover Vialis geen nadere opheldering kon of wilde geven.

Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat Vialis het loon dient door te betalen, omdat [eiser] zich op 17 april 2015 opnieuw ziek heeft gemeld. Zijn klachten zijn ten gevolge van de opstelling van de werkgever verergerd en [eiser] is thans onder behandeling bij een psycholoog.

3.3.

Vialis voert verweer en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. In verband met de economische crisis heeft Vialis moeten reorganiseren. Er zijn toen zestig arbeidsplaatsen komen te vervallen en voor de betrokkenen was er een sociaal plan. [eiser] is ten gevolge van de reorganisatie gaan werken als werkvoorbereider, met behoud van zijn salaris. Hij functioneerde prima, wat ook blijkt uit het in september 2014 gehouden voortgangsgesprek.

[eiser] zelf heeft in januari 2015 aangekaart dat hij niet meer tevreden was met het werk. Hij was zelf ook degene die heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, reden waarom Vialis de vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld. [eiser] is daarmee alleen niet akkoord gegaan omdat de vergoeding hem tegenviel.

De brief van (de gemachtigde van) [eiser] van 23 februari 2015 viel Vialis dan ook koud op het dak, te meer daar Vialis een zeer sociale werkgever is. Er is voor Vialis geen enkele reden om een hogere vergoeding te bieden dan zij heeft geboden, nu [eiser] van Vialis helemaal niet hoeft te vertrekken en hij een waardevolle medewerker is. De functie van [eiser] blijft gewoon bestaan en hij kan daarin blijven werken. Ook kan hij aan het werk in de functie van operationeel inkoper.

[eiser] was niet ziek op 24 maart 2015 en daarna, zoals zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts hebben vastgesteld. Hij heeft dan ook geen recht op loon als hij zijn werk niet hervat. Van een nieuwe ziekmelding is Vialis niets bekend en bovendien zou die niet worden geaccepteerd, aangezien dit dezelfde ‘ziekte’ betreft, waarvoor de bedrijfsarts en de v.g. hem niet arbeidsongeschikt hebben bevonden. Vialis was wel degelijk bereid tot het houden van gesprekken, maar [eiser] heeft de gesprekken steeds op de valreep afgezegd. Er bestaat geen verplichting voor Vialis om de gesprekken te laten plaatsvinden onder leiding van een mediator, dit is alleen een suggestie geweest van de bedrijfsarts, die Vialis niet hoeft op te volgen. De v.g. heeft geen contact opgenomen met Vialis en geen voice-mails ingesproken, voor zover bekend. De inhoud van de second opinion is ook niet aan Vialis toegezonden, nog daargelaten dat de v.g. alleen is afgegaan op de mededelingen van [eiser]. Maar hoe dan ook, ook de v.g. acht [eiser] niet arbeidsongeschikt, dus er bestaat geen aanspraak op doorbetaling van loon. [eiser] heeft zo lang gewacht met het aanspannen van een procedure, dat hij geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn vordering. Ook om die reden moet de vordering worden afgewezen.

Overigens is Vialis niet verzekerd voor doorbetaling van loon tijdens ziekte.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Anders dan Vialis heeft aangevoerd, vloeit het spoedeisend belang van [eiser] voort uit de aard van de vordering. Vialis heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat [eiser] kostwinner is en voor de voorziening in zijn levensonderhoud en de betaling van zijn vaste lasten direct afhankelijk is van zijn loon. De omstandig-heid dat [eiser] niet direct een procedure aanhangig heeft gemaakt, brengt niet mee dat hij geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn vorderingen. De vraag naar het spoedeisend belang dient immers te worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van het vonnis. Verder heeft [eiser] uitgelegd dat hij enige tijd heeft kunnen overbruggen door van de in mei uitbetaalde vakantietoeslag te leven.

4.2.

De vordering van [eiser] tot doorbetaling van zijn loon is in dit kort geding alleen toewijsbaar, als voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure deze ook zou toewijzen.

4.3.

Niet in geschil is dat [eiser] reeds 27 jaar bij ((de) rechtsvoorganger(s)) van) Vialis in dienst is en dat hij naar behoren, zelfs bovengemiddeld, heeft gefunctioneerd. Dit komt ook tot uiting in het verslag van het meest recente functioneringsgesprek, in september 2014, geciteerd bij 2.7, waarin staat dat [eiser] zijn collega’s tot voorbeeld dient. Ter zitting heeft Vialis ook nog eens de prima staat van dienst van [eiser] benadrukt.

4.4.

Evenmin is in geschil dat bij Vialis een grote reorganisatie heeft plaatsgevonden, waarbij zestig arbeidsplaatsen zijn vervallen en ten gevolge waarvan de functie van [eiser] is gewijzigd alsook de werkwijze op de (gereorganiseerde) afdeling waar [eiser] werkzaam is.

4.5.

Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of sprake is van arbeidsgerelateerde problemen die mogelijk de achtergrond vormen van de klachten van [eiser] en van de mail van 29 januari 2015, waarin hij aangeeft ‘niet happy’ te zijn op zijn huidige werkplek.

Anders dan Vialis meent, is voldoende aannemelijk dat sprake was van knelpunten op de werkvloer. Niet alleen heeft [eiser] deze expliciet aan de orde gesteld in zijn e-mail van februari 2014, ook in het verslag van het voortgangsgesprek is bij de ‘reactie werknemer’ een aantal kritische kanttekeningen van [eiser] op het reilen en zeilen binnen de afdeling na de reorganisatie geplaatst. Niet gesteld of gebleken is dat er iets met deze signaleringen van [eiser] is gedaan en zo ja, wat. [eiser] kan dan ook worden gevolgd in zijn stelling dat de mail van 29 januari 2015 niet uit de lucht kwam vallen, maar te maken had met de situatie op de werkvloer.

4.6.

De door [eiser] gesignaleerde knelpunten komen ook naar voren in het verslag van de externe audit, alsook in de mails van juli 2014 en juni 2015 van twee directe collega’s van [eiser], weergegeven bij 2.5 en 2.28. Weliswaar heeft Vialis de verklaring van 22 juni 2015 afgedaan met de mededeling dat de betrokkene een al jaren beneden de maat functionerende werknemer zou zijn, met wie zelfs een klant geen contact meer wilde hebben, maar dan nog staan de kanttekeningen van [eiser] zelf, die van [naam 2] en het verslag van de externe audit overeind. Voor zover het juist is dat [eiser] zelf degene is geweest die als eerste een mogelijk vertrek bij Vialis heeft aangekaart, hetgeen Vialis stelt en [eiser] betwist, dan is in elk geval aannemelijk dat dit (mede) gerelateerd is aan de arbeidsomstandigheden en niet slechts voortkomt uit een wens van [eiser] om zijn carrière elders voort te zetten.

4.7.

Over wat er vervolgens tijdens het gesprek naar aanleiding van de mail van [eiser] precies is besproken, en op wiens initiatief, zijn partijen verdeeld. Hierover kan in dit kort geding geen uitsluitsel worden gegeven, aangezien dat een nader onderzoek naar de feiten vergt, waarvoor het kort geding zich niet leent.

Vast staat wel dat van de zijde van Vialis op 3 februari 2015 (vijf dagen na de door [eiser] toegezonden mail) een concept-vaststellingsovereenkomst aan [eiser] is voorgelegd. Veronderstellenderwijs er van uitgaand dat dit op initiatief van [eiser] is gebeurd (wat Vialis stelt en [eiser] betwist), dan is in elk geval duidelijk dat Vialis er geen gras over heeft laten groeien en meteen op de (vermeende) wens van [eiser] is ingegaan. Vast staat voorts dat [eiser] niet heeft kunnen instemmen met de vaststellingsovereenkomst, mogelijk omdat de geboden vergoeding hem, met zijn 27 dienstjaren, laag voorkwam.

4.8.

Bij brief van 23 februari 2015 heeft de gemachtigde van [eiser] een tegenvoorstel gedaan, met name op het punt van de vergoeding. Deze brief is Vialis in het verkeerde keelgat geschoten, vooral omdat daarin is vermeld dat het initiatief voor een mogelijke beëindiging van het dienstverband zou zijn uitgegaan van Vialis, terwijl volgens Vialis het omgekeerde het geval is. Wat daarvan ook zij, vast staat dat partijen het over een beëindigingsovereenkomst niet eens zijn geworden.

4.9.

Vervolgens heeft [eiser] zich op 9 maart 2015 ziek gemeld, aanvankelijk met fysieke en vervolgens ook met spanningsklachten. Ondertussen zijn in de correspondentie tussen (de raadslieden van) partijen, de wederzijdse standpunten gehandhaafd en verhard.

4.10.

De bedrijfsarts van ArboNed waarbij Vialis is aangesloten, heeft [eiser] op 24 maart 2015 niet ziek in de zin van de ziektewet geacht, maar wel aangegeven dat

sprake was van arbeidsgerelateerde problematiek, door de raadsman van [eiser] aangeduid als “situatieve arbeidsongeschiktheid”. Een indicatie voor de aanname dat de bedrijfsarts de problematiek serieus nam, kan worden gevonden in diens advies om “werkgever en werknemer met elkaar in gesprek te (laten) gaan”, bijvoorbeeld onder leiding van een mediator, en om een interventieperiode van ten minste twee weken in acht te nemen.

4.11.

Vialis heeft [eiser] vervolgens, bij e-mail van 27 maart 2015 (geciteerd bij 2.18) weliswaar uitgenodigd voor een gesprek (zonder mediator), maar daarbij meteen aangegeven dat zij de mening van [eiser] dat sprake was van een arbeidsgerelateerd probleem niet deelde en dat zij het loon zou stopzetten als een second opinion van het UWV over de ziekte van [eiser] overeen zou komen met het oordeel van de bedrijfsarts. Verder heeft Vialis in deze mail niet zozeer aangegeven een gesprek met [eiser] te willen aangaan over de (volgens [eiser] werkgerelateerde) problemen, maar veeleer over het op normale wijze hervatten van zijn werkzaamheden, alsof er niets aan de hand was. “Zoals u weet kunt u op de normale wijze uw werkzaamheden verrichten binnen onze organisatie. Hierover willen wij graag met u spreken.”, staat immers in de brief. [eiser] kan dan ook worden gevolgd in zijn stelling dat het aangaan van een gesprek meer lijkt op een ‘moetje’ in verband met het oordeel van de bedrijfsarts, dan dat het voornemen daartoe was ingegeven door een constructieve opstelling van Vialis, teneinde de door [eiser] ervaren problemen te bespreken.

4.12.

Vervolgens heeft Vialis [eiser] op stel en sprong tot tweemaal toe opgeroepen voor een gesprek (op 31 maart en op 1 april 2015), waaraan [eiser], naar zijn stelling en zoals hij jegens Vialis ook kenbaar heeft gemaakt, vanwege (uitstel van) bezoeken aan zijn huisarts geen gehoor heeft gegeven. Meteen al na de afzegging van het eerste gesprek heeft Vialis gereageerd met het stopzetten van het loon van [eiser], nog binnen de volgens de bedrijfsarts geïndiceerde ‘interventieperiode’.

Weliswaar staat niet zonder meer op voorhand vast dat [eiser] niet in staat is geweest om aan de oproepen voor 31 maart en 1 april 2015 van Vialis gehoor te geven, maar Vialis heeft de stelling van [eiser] niet weersproken dat zij ([leidinggevende]) er in beginsel mee akkoord was om de uitkomst van het bezoek aan de huisarts af te wachten, alvorens het gesprek aan te gaan. Het in deze omstandigheden en tegen voornoemde achtergrond stopzetten van het loon van [eiser] getuigt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet van goed werkgeverschap aan de kant van Vialis. Een open uitnodiging voor een constructief gesprek is vervolgens uitgebleven. De oproepen/uitnodigingen van 9 april, 18 en 20 mei 2015 kunnen immers niet als zodanig worden aangemerkt, nu daarin het accent niet ligt op het bespreken van de problematiek, maar veeleer op de verplichting van [eiser] om zijn werk te hervatten, onder dreiging van (arbeidsrechtelijke) maatregelen.

4.13.

[eiser] was het niet eens met het oordeel van de bedrijfsarts inhoudend dat hij op 24 maart 2015 niet ziek was en heeft een ‘second opinion’ aangevraagd, waarvan de uitkomst is weergegeven bij 2.24. De v.g. heeft het oordeel van de bedrijfsarts onderschreven, maar ook hij heeft een aantal kanttekeningen bij de situatie geplaatst en onder meer in de rapportage vermeld dat ‘mediation nodig is’. Voorts beperkt de v.g. zijn oordeel uitdrukkelijk tot de situatie op 24 maart 2015.

Daarnaast komt in de rapportage ook aan de orde dat een directe werkhervatting zonder dat gesprekken plaatsvinden mogelijk kan leiden tot toename van de klachten van [eiser], maar omdat het oordeel beperkt is tot de datum van 24 maart 2015, worden daaraan geen gevolgtrekkingen verbonden.

4.14.

Vialis heeft aangevoerd dat het rapport van de v.g. haar niet bekend was en dat deze ook geen boodschap op de voicemail heeft ingesproken. Hoewel de juistheid daarvan niet zonder meer kan worden aangenomen, nu dit haaks staat op de mededelingen van het UWV op dit punt (aangehaald bij 2.24 en 2.25), had het, ook wanneer Vialis de inhoud van het rapport niet kende, op haar weg gelegen om in elk geval de aanbevelingen van de bedrijfsarts serieus te nemen. Uit de gang van zaken in maart en april 2015 blijkt echter niet dat zij dit heeft gedaan. Door direct een loonstop in te voeren, een voor [eiser] bijzonder zware maatregel, en telkenmale vast te houden aan het ingenomen standpunt dat er niets aan de hand was en [eiser] zijn werkzaamheden gewoon kon hervatten, kan de stellingname van [eiser], dat Vialis niet heeft gedaan wat van een goed werkgever mag worden verwacht en dat zij niet openstond voor een constructief gesprek, worden onderschreven. Aannemelijk is voorts vooralsnog dat een werkhervatting door [eiser], zonder voorafgaand gesprek over de werksituatie en de knelpunten daarin, zou kunnen leiden een verergering van zijn spanningsklachten.

Aan de andere kant kan [eiser] niet zonder meer worden gevolgd in zijn standpunt dat van hem alleen kan worden gevergd zijn werkzaamheden te hervatten als daaraan een gesprek met Vialis onder leiding van een mediator vooraf zou gaan. Goed werkgeverschap vereist wel dat Vialis tijd en ruimte uittrekt voor een gesprek met [eiser] om de lucht te klaren. In dit opzicht is Vialis tot op heden tekort geschoten.

4.15.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat (voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat) de oorzaak waardoor [eiser] vanaf 1 april 2015 zijn arbeid niet heeft verricht in redelijkheid voor rekening komt van Vialis. Anderzijds is geen sprake van een situatie die voor onbepaalde tijd kan voortduren, nu Vialis zoals gezegd niet kan worden verplicht tot het aangaan van een mediationtraject. De loonvordering zal daarom – bij wijze van voorschot –, met toepassing van artikel 7:628 BW, worden toegewezen voor de periode van 1 april 2015 tot 1 juli 2015, waarbij het thans op de weg van [eiser] ligt om zich beschikbaar te stellen voor zijn arbeid en op de weg van Vialis om voorafgaand aan de daadwerkelijke werkhervatting door [eiser], tijd en ruimte uit te trekken voor een constructief gesprek, zonder de (onmiddellijke) dreiging van (wederom) een loonstop. Aan Vialis wordt daarbij in overweging gegeven om [eiser] in de gelegenheid te stellen zich daarbij door een derde te laten vergezellen. [eiser] dient vervolgens op zo kort mogelijke termijn zijn werkzaamheden te hervatten.

In de gegeven omstandigheden wordt aanleiding gezien de verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen tot nihil. De toewijzing wordt vooralsnog beperkt tot het loon exclusief emolumenten en vakantietoeslag, aangezien de dagvaarding onvoldoende duidelijkheid biedt over de vraag naar de aard en de verschuldigdheid daarvan op dit moment.

4.16.

Voor een doorbetaling van loon wegens ziekte, op grond van artikel 7:629 BW, de subsidiaire grondslag van de vorderingen van [eiser], (voor de periode vanaf 1 juli 2015) bestaat voorshands geen grond, aangezien [eiser] op basis van de huidige (medische) oordelen van bedrijfsarts en v.g. niet arbeidsongeschikt wegens ziekte wordt geacht. Voor zover [eiser] van mening is dat hij sinds 17 april 2015 of sinds een latere datum wegens toegenomen klachten alsnog arbeidsongeschikt is voor zijn normale werkzaamheden, dient hij zich (wederom) ondubbelzinnig ziek te melden bij Vialis. Ter zitting is gebleken dat Vialis de mededeling in de brief van 17 april 2015 niet als een nieuwe ziekmelding heeft opgevat. Anders dan [eiser] heeft bepleit is dat niet onbegrijpelijk, nu de passage in de brief van 17 april 2015 niet zonder meer als nieuwe ziekmelding valt aan te merken en [eiser] aan een nieuwe ziekmelding in de brief van 18 mei 2015 en/of in antwoord op de brief van Vialis van 20 mei 2015 ook niet heeft gerefereerd. Overigens brengt goed werkgeverschap wel mee dat een nieuwe ziekmelding wegens toegenomen klachten (wederom) aan de bedrijfsarts (en vervolgens desgewenst aan de v.g.) wordt voorgelegd en gaat het niet aan om deze niet in behandeling te nemen, omdat het zou gaan om hetzelfde ziektegeval. Dit betreft immers een medisch oordeel, dat niet is voorbehouden aan de werkgever.

4.17.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Vialis worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Vialis tot voldoening aan [eiser] van het salaris van € 3.421,76 bruto per maand, vanaf 1 april tot 1 juli 2015, onder overlegging van deugdelijke salarisspecificaties, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der voldoening;

5.2.

veroordeelt Vialis in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

– € 93,99 € 93,99 aan explootkosten,

– € 93,99 € 285,- aan griffierecht en

– € 93,99 € 816,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood - Wessels, bijgestaan door

mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.

Bij afwezigheid van mr. Schoonbrood-Wessels, is dit vonnis ondertekend door

mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.