Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:416

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
C-13-529428 - HA ZA 12-1326
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Franchiseovereenkomst. Onjuiste omzetprognoses gegeven en onjuiste mededelingen gedaan? Bestuurder franchisegever in persoon zelfstandig aansprakelijk dan wel op grond van bestuurdersaansprakelijkheid? Sprake van een tekortkoming adviseur (zorgplicht) die door franchisegever was ingeschakeld om franchisenemers te adviseren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/529428 / HA ZA 12-1326

Vonnis van 28 januari 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B.D. Bos,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. Straus,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.C. Sauer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2013 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2013,

  • -

    de akte na voorlopig getuigenverhoor van [eiser] met producties,

  • -

    de antwoordakte na voorlopig getuigenverhoor van [gedaagde sub 1] met producties,

  • -

    de antwoordakte na voorlopig getuigenverhoor van [gedaagde sub 2] met producties,

  • -

    de akte uitlating producties van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] exploiteert de onderneming ‘Recruitment First’. Deze onderneming houdt zich bezig met ‘lange termijn recruitment’. Kort gezegd betekent dit dat door een bedrijf een consultant wordt aangesteld (bijvoorbeeld Recruitment First) die volgens een vaste procedure een database van kandidaten voor een bedrijf opbouwt. Het bedrijf heeft daardoor minder kosten voor werving en selectie, omdat de tijd tussen het ontstaan van de vacature en de invulling daarvan wordt ingekort en de consultant minder kost dan reguliere aanbrengpremies.

2.2.

In april 2010 is door [gedaagde sub 1] de besloten vennootschap Yellowberry B.V. (hierna: Yellowberry) opgericht. Yellowberry is bestuurder en enig aandeelhouder in de besloten vennootschappen Proconnext Franchise B.V. (hierna: Proconnext) en Proconnext B.V.

2.3.

Vanuit Proconnext is een franchiseformule en een franchiseconcept opgesteld. Vervolgens heeft Proconnext in de periode van mei 2010 tot en met augustus 2011 franchiseovereenkomsten gesloten met de volgende franchisenemers, waarbij de datum tussen haakjes de datum van ondertekening van de franchiseovereenkomst is:

  • -

    [franchisenemer 1] (17 mei 2010),

  • -

    [franchisenemer 2] (4 augustus 2010),

  • -

    [franchisenemer 3] (26 oktober 2010),

  • -

    [franchisenemer 4] (25 november 2010),

  • -

    [franchisenemer 5] (9 februari 2011),

  • -

    [franchisenemer 6] (1 april 2011),

  • -

    [franchisenemer 7] (14 april 2011) en

  • -

    [franchisenemer 8] (16 augustus 2011).

2.4.

[gedaagde sub 2] is bedrijfsadviseur, verbonden aan [bedrijf]. [gedaagde sub 1] heeft [gedaagde sub 2] opdracht gegeven om de franchisenemers een startersplan met exploitatieprognose aan te bieden, die de franchisenemers zelf konden uitwerken. Voor deze werkzaamheden ontving [gedaagde sub 2] een bedrag van € 250,00 per franchisenemer.

2.5.

Op 22 februari 2011 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [franchisenemer 2] (hierna: [franchisenemer 2]) en (onder meer) [gedaagde sub 1] c.s., waarbij is gesproken over de achterblijvende omzet van [franchisenemer 2]. In een verslag van dat gesprek is – onder meer – opgenomen:

“(…)
Je omzet blijft achter. (…) De promotie van Proconnext is het struikelblok, zo geef he aan. Je weet dat jij zelf moet halen en dat dat moeilijk is. (…)

Ieder werkt voor zich, dat is je [[franchisenemer 2], rb] duidelijk, maar je hebt alles geprobeerd. Je eigen netwerk voor deze toepassing heb je overschat. Het is lastiger binnenkomen dan je van te voren dacht. (…) Je hebt ook gevraagd om landelijk meer body – in termen van publiciteit – aan Proconnext te geven. (…)

Alle partijen delen je zorg over jouw omzetontwikkeling. (…) Met het ontwikkelen van een menukaart / instapmodel gaan we de investeringsdrempel die bij prospect heerst wegnemen en dat levert (meer) omzet van [franchisenemer 2], rb.] én Proconnext op. (…)”

2.6.

Op 18 maart 2011 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [franchisenemer 3] (hierna: [franchisenemer 3]) en [gedaagde sub 1] c.s. in verband met een verdere professionaliseringsslag die Proconnext wenst te maken. In het gespreksverslag van dit gesprek is opgenomen:

“(…) Je bent nu 6 maanden bezig, zegt te hebben geïnvesteerd en bent enthousiast van start gegaan, maar staat nu nog steeds met lege handen. (…)
Je [[franchisenemer 3], rb] gelooft in het product en het concept van Proconnext zoals het op papier staat, maar het blijkt langer te duren om het om te zetten in concrete opdrachten. (…) Je hebt alles financieel op een rijtje gezet, maar als er de komende twee maanden niets veranderd, dan is je onderneming ‘klinisch dood’. Jouw prioriteit ligt nu bij het snel binnen halen van omzet. (…)

Op 7 april 2011 is tussen Proconnext en [franchisenemer 3] een beëindigingsovereenkomst gesloten.

2.7.

[eiser] heeft in mei 2011 contact opgenomen met Proconnext. Op 27 mei 2011 heeft er een eerste gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde sub 1].

Vanaf 31 mei 2011 is [eiser] met [gedaagde sub 2] in contact geweest omtrent het opstellen van zijn ondernemingsplan. Het ondernemingsplan is in eerste instantie door [eiser] ingevuld en vervolgens gecontroleerd door [gedaagde sub 2]. In dat kader heeft [gedaagde sub 2] in een e-mail van 8 juni 2011 onder meer aan [eiser] bericht: ‘Ik heb het plan aangevuld met hoofdstuk 7. (…)”.

2.8.

In het ondernemingsplan van [eiser] is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) 5. EXPLOITATIEPROGNOSE 2010-2014

(…) Op dit moment zijn er 4 franchisenemers actief. Deze franchisenemers hebben voor

2011 gezamenlijk nu al circa € 200.000,00 aan opdrachten binnengehaald.

6. DOELSTELLINGEN KOMENDE 2 JAREN

(…) 1. In de tweede helft van 2011 nog 3 opdrachten te sluiten. In 2012 verwacht ik 7 opdrachten te sluiten. (…)

7. FINANCIERINGSPLAN
(…)

8. CONCLUSIES

(…) Hoewel het Proconnext franchiseconcept nog relatief nieuw is, heeft het zich in de praktijk al ruimschoots bewezen. De franchiseorganisatie biedt de mogelijkheid om het succes van de oprichtster (…) te dupliceren. De formule heeft zich bewezen en betekent dat het ook voor mij als zelfstandig ondernemer een grote kans van slagen heeft. (…)”

In de exploitatieprognose 2011 -2015 die als bijlage aan het ondernemingsplan is toegevoegd is onder meer opgenomen dat in het eerste jaar 6 opdrachten voor een bedrag van € 20.000,00 zullen worden verkregen.

2.9.

Teneinde deel te kunnen nemen aan de franchiseformule, was het voor [eiser] noodzakelijk om externe financiering te regelen. [gedaagde sub 2] heeft [eiser] daarvoor verwezen naar Qredits. Nadat door Qredits om nadere informatie was gevraagd, heeft [gedaagde sub 2] in een e-mail van 29 juni 2011 aan [eiser] geschreven:

“(…) De cashflow voor 2011 is gebaseerd op jouw meewerken aan reeds lopende projecten van Proconnext en ten minste 1 opdracht die je zelf binnenhaalt. (…)

In de bijlage tref je een overzicht aan van de omzetten zoals [gedaagde sub 1] die zelf in de eerste jaren van haar eigen onderneming (…) heeft gerealiseerd. (…) In 2010 heeft [gedaagde sub 1] (…) een omzet van € 141.000,- bereikt. (…) De onderbouwing staat in de jaarverslagen van de betreffende ondernemingen, maar die heb ik niet in digitale vorm. (…)

Over de overige franchisenemers het volgende. Eén van hen is een jaar geleden gestart, de overige 3 begin dit jaar. Gezamenlijk werken zij nu aan 4 opdrachten (Blokker, BaseWare, Nozhup, [hoveniersbedrijf]) met een gezamenlijke omzetwaarde voor 2011 van € 250.000,-. Dat is meer werk dan zij gevieren aankunnen, vandaar dat jij kort na je start ook daarvoor ingezet gaat worden. (…)”

2.10.

Bij e-mail van 30 juni 2011 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser] geschreven:

“(…) Bijgaand de cv van [franchisenemer 6] en [franchisenemer 7] (…) die op het moment succesvolle franchisenemers zijn (…)
We hebben op het moment aantal grote projecten lopen (elk gemiddeld > 40K) (…)
je bent ervan verzekerd dat je komende maanden voor minimaal 2000 euro per maand kan meedraaien. Het werk is er wel nú… (…)”

2.11.

[gedaagde sub 1] heeft bij e-mail van 18 juli 2011 aan [eiser] herhaald dat er een aantal grote projecten van elk meer dan € 40.000,00 loopt en dat [eiser] verzekerd was van minimaal € 2.000,00 in de komende maanden.

2.12.

Tussen [eiser] en Proconnext is op 16 augustus 2011 een voorovereenkomst gesloten. Daarnaast is een franchiseovereenkomst gesloten. In de franchiseovereenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

4.1

Franchisenemer is zelfstandig ondernemer die voor eigen rekening en

risico een onderneming exploiteert. (…)”

Op grond van de franchiseovereenkomst was [eiser] een entree fee van € 20.000,00 exclusief BTW aan Proconnext verschuldigd, die door hem ook is betaald.

2.13.

Op 27 maart 2012 is Proconnext failliet verklaard.

2.14.

Bij brief van 16 juli 2012 heeft de advocaat van [eiser], namens [franchisenemer 7], [eiser], [franchisenemer 8], [naam 1], [naam 2] en [naam 3] [gedaagde sub 1] c.s. aansprakelijk gesteld voor de door de franchisenemers geleden schade als gevolgd van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] c.s. doordat zij een verkeerde c.q. te rooskleurige voorstelling van zaken hebben gegeven teneinde de franchisenemers te doen toetreden als franchisenemers.

2.15.

In het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 26 september 2013 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) [gedaagde sub 2] (…) verklaart:

(…) Dit plan [het startersplan, rb] dienden de betrokkenen grotendeels zelf in te vullen. (…) Ik heb aangegeven dat ze per opdracht konden uitgaan van ongeveer € 20.000,-. Dit baseerde ik op de informatie die ik van mevrouw [gedaagde sub 1] had gekregen. Dit betrof jaarrekeningen over de periode mei 2007 tot en met 2009, alsmede informatie van mevrouw [gedaagde sub 1] zelf over het aantal klanten en dergelijke.

(…) Het is juist dat ik onvoldoende zicht had op de omzetten en opdrachten van andere franchisenemers (…) U vraagt mij of ik de heer [eiser] erop heb gewezen dat ik mijn informatie over behaalde omzetten en opdrachten van Proconnext uitsluitend van mevrouw [gedaagde sub 1] heb verkregen. Nee, dat heb ik niet. (…)

U vraagt mij of ik in het kader van mijn ondersteuningswerkzaamheden aan de franchisenemers garanties heb gegeven over te behalen winsten. Nee. Dat kon ook niet. Want dat was afhankelijk van de inzet en prestaties van de betrokkenen. (…)”

2.16.

In het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor gehouden op 27 januari 2014 is opgenomen:

[gedaagde sub 1] (…) verklaart:

U houdt mij voor een passage uit mijn e-mail aan de heer [eiser] (…) ‘We hebben op het moment een aantal grote projecten lopen (elk gemiddeld > 40k) (…) Het werk is er wel nu’. U vraagt mij of ik bij deze passage blijf. Ja, deze passage is geheel juist. Het representeert de situatie zoals die toen was. De heer [eiser] is uiteindelijk later begonnen. Toen was de situatie anders. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van:

3.1.1. € 16.000,00

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2011 althans vanaf 27 juli 2012,

3.1.2. € 10.492,98

en € 4.787,18 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2012,

3.1.3. € 24.132,00

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf diverse vervaldata [zoals genoemd in de dagvaarding],

3.1.4. € 25.000,00

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2012,

3.1.5. € 6.260,00

en € 808,88 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2012,

3.1.6.

de proces- en beslagkosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – het volgende. [gedaagde sub 1] heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld doordat zij hem middels onjuiste, onvolledige en misleidende informatie een verkeerde dan wel te rooskleurige indruk heeft gegeven van de mogelijkheden die het zijn van franchisenemer van Proconnext hem zouden kunnen bieden. Dit teneinde [eiser] te bewegen toe te treden als franchisenemer. [gedaagde sub 2] is daarnaast primair toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn contractuele zorgplicht, doordat hij niet heeft geadviseerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur verwacht had mogen worden. Subsidiair is ook door [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Dit alles maakt dat [gedaagde sub 1] c.s. gehouden is de door [eiser] als gevolg hiervan geleden schade te vergoeden, aldus – steeds – [eiser].

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank ziet in de stellingen van [eiser] en de juridische grondslagen van zijn vorderingen aanleiding om de vorderingen jegens [gedaagde sub 1] en jegens [gedaagde sub 2] afzonderlijk van elkaar te beoordelen. Daarbij is van belang dat door [eiser] niet aan zijn vordering ten grondslag is gelegd dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de door [gedaagde sub 2] gedane uitlatingen en visa versa. Het gaat bij de beoordeling van de afzonderlijke vorderingen dan ook alleen om de uitlatingen die door de betreffende persoon jegens [eiser] zijn gedaan.

De vordering jegens [gedaagde sub 1]
Zelfstandige onrechtmatige daad
4.2. [eiser] heeft primair aan zijn vorderingen jegens [gedaagde sub 1] ten grondslag gelegd dat sprake is van een zelfstandige onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1] in privé, waarbij het niet noodzakelijk is dat haar een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde sub 1] heeft dit betwist.

4.3.

De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stellingen op dit punt.

4.4.

De uitlatingen van [gedaagde sub 1] moeten immers allen geacht worden te zijn gedaan door [gedaagde sub 1] handelend als (middellijk) bestuurder van Proconnext in het kader van de gesprekken tussen Proconnext (vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1]) en [eiser] omtrent de toetreding van laatstgenoemde als franchisenemer van Proconnext. Dat [gedaagde sub 1] daarbij op enig moment als privépersoon is opgetreden is niet gebleken. Dat maakt dat in beginsel de verantwoordelijkheid voor deze (gestelde) uitlatingen van [gedaagde sub 1] bij Proconnext ligt en dat het ook Proconnext is die daarvoor aansprakelijk gehouden kan worden.

4.5.

Dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] een dusdanige verhouding bestond dat hierdoor voor [gedaagde sub 1] in privé een zorgvuldigheidsverplichting (in de zin van Hoge Raad 23 november 2012, NJ 2013, 302) is ontstaan, is door [eiser] niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. Het enkel poneren van de blote stelling dat dit het geval is, is - mede gelet op de betwisting van de zijde van [gedaagde sub 1] - onvoldoende.

Bestuurdersaansprakelijkheid

4.6.

In het onderhavige geval geldt dus dat [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van Proconnext slechts in uitzonderingssituaties aansprakelijk is te houden, namelijk wanneer haar ter zake een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.7.

[eiser] heeft daartoe – samengevat – het volgende gesteld. [gedaagde sub 1] heeft in de fase voorafgaand aan de ondertekening van franchiseovereenkomst de indruk gewekt dat Proconnext een formule heeft die succesvol in de markt is geïntroduceerd en door de reeds toegetreden franchisenemers aan een groot aantal klanten is verkocht. Daarbij is eveneens de indruk gewekt dat de markt op het product zat te wachten en dat met voldoende inzet en salescapaciteiten er een succesvolle onderneming – met goede omzetten – kan worden opgezet. Dit blijkt achteraf allemaal onjuist te zijn geweest. Deze foutieve uitlatingen zijn door [gedaagde sub 1] bewust gedaan teneinde [eiser] te bewegen om franchisenemer te worden, aldus – steeds – [eiser]. [gedaagde sub 1] heeft dit betwist.

4.8.

De rechtbank zal in het navolgende de specifieke door [eiser] genoemde uitlatingen van [gedaagde sub 1] afzonderlijk beoordelen.

Omzetprognoses

4.9.

Door [eiser] is allereerst gesteld dat door [gedaagde sub 1] onjuiste omzetprognoses zijn genoemd, nu zij te behalen omzetten van één a twee ton per jaar dan wel € 2.000,00 per maand heeft genoemd terwijl dit in de praktijk niet haalbaar bleek te zijn.

4.10.

Zelfs indien [eiser] op dit punt in zijn stellingen wordt gevolgd, geldt dat dit niet maakt dat haar een voldoende ernstige verwijt valt te maken. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.11.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat van [eiser] als toekomstig franchisenemer een kritische houding mag worden verwacht ten aanzien van door de franchisegever verstrekte informatie omtrent toekomstige omzetten. Het doel (en belang) van de franchisegever is immers in beginsel om de potentiële franchisenemer ‘binnen te halen’, en [eiser] had dit moeten onderkennen.

4.12.

Uit de informatie die aan [eiser] is verstrekt blijkt niet waar de genoemde omzetprognoses op zijn gebaseerd. Dat betekent dat [eiser] er niet zonder meer van uit kon gaan dat de genoemde omzetten een realistische prognose bevatten, gebaseerd op verricht onderzoek naar het toekomstig werkgebied van [eiser] of op daadwerkelijk behaalde omzetten door de andere franchisenemers. Dat geldt des te meer nu [eiser] wist dat sprake was van een relatief nieuwe franchiseformule. Hij had daardoor immers moeten begrijpen dat betrouwbare gegevens inzake de te behalen omzet en het aantal binnen te halen opdrachten (nog) niet voorhanden waren. Twijfel had bovendien bij [eiser] moeten ontstaan doordat zowel bedragen van € 2.000,00 per maand (= € 24.000,00 per jaar) en van één a twee ton per jaar (= € 8333,33 / € 16.666,66 per maand) werden genoemd. Deze bedragen zijn immers met elkaar in tegenspraak.

4.13.

Van belang is voorts dat de franchiseformule van Proconnext er uit bestaat dat de franchisenemer gebruik mag maken van het concept en de naam van Proconnext en van de ondersteunende faciliteiten die Proconnext biedt. Het is vervolgens aan de franchisenemer om het concept daadwerkelijk te verkopen. Daarmee is de aard van de franchiseformule dusdanig dat het succes grotendeels afhankelijk is van de inzet, verkoopcapaciteiten en het doorzettingsvermogen van de franchisenemer.

4.14.

Ten slotte geldt dat de genoemde aantallen en bedragen uiteindelijk slechts zien op een verwachting over het verloop van nog onbekende toekomstige gebeurtenissen. De enkele omstandigheid dat de in de praktijk behaalde resultaten sterk afwijken van de genoemde omzetcijfers is derhalve onvoldoende om te kunnen oordelen dat door [gedaagde sub 1] onjuiste informatie is verstrekt.

Bewezen formule

4.15.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 1] voorts dat is gesproken over ‘een bewezen formule’, terwijl de formule in deze vorm nog helemaal niet bewezen was.

4.16.

De rechtbank stelt vast dat door [gedaagde sub 1] met haar eigen onderneming Recruitment First in de jaren 2007, 2008 en 2009 een winst is behaald van respectievelijk
€ 112.698,00, € 164.063,00 en € 104.577,00. Dat deze winst, zoals [eiser] heeft gesteld, behaald zou zijn met werkzaamheden die niet zagen op ‘lange termijn recruitment’, maar juist met reguliere recruitment werkzaamheden, is niet gebleken. [eiser] heeft deze stelling ook niet onderbouwd.

4.17.

Dat betekent dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat met de formule ‘lange termijn recruitment’ de mogelijkheid bestond (bestaat) om aanzienlijke winst te behalen.

Voor zover door [gedaagde sub 1] aan [eiser] te kennen is gegeven dat sprake was van een ‘bewezen formule’ is dan ook geen sprake van onjuiste of misleidende informatie-verstrekking. Dat de formule nog niet in franchisevorm was geëxploiteerd en in de onderneming van [gedaagde sub 1] niet werd aangeboden voor een vast bedrag van € 20.000,00 doet daaraan niet af, nu dit niet de kern van de formule raakt.

Situatie overige franchisenemers

4.18.

Partijen twisten voorts over de vraag of [gedaagde sub 1] gehouden was om [eiser] vóór zijn toetreding op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen die zich vanaf februari / maart 2011 voordeden ten aanzien van de overige franchisenemers.

4.19.

Vastgesteld moet worden dat het in februari / maart 2011 bij Proconnext – en [gedaagde sub 1] – duidelijk was dat de omzetten van (in ieder geval) [franchisenemer 2] en [franchisenemer 3] achter bleven bij de verwachtingen. Beide franchisenemers gaven op dat moment immers aan Proconnext te kennen nog geen omzet te hebben gemaakt. Daarnaast ontstonden er rond die periode ook problemen omtrent (de omzet van) [franchisenemer 4], hetgeen eveneens bij [gedaagde sub 1] bekend was.

4.20.

Tussen partijen is niet in geschil dat door [gedaagde sub 1] over deze problemen voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst geen mededelingen aan [eiser] zijn gedaan. Uit de verslagen van de gesprekken die in februari/maart 2011 met [franchisenemer 2] en [franchisenemer 3] zijn gevoerd blijkt dat die gesprekken constructief van aard zijn geweest, dat er door de franchisenemers en Proconnext gezamenlijk is gezocht naar een oplossing en dat er bij de franchisenemers (in ieder geval bij [franchisenemer 3]) nog wel vertrouwen bestond in het franchiseconcept. Dit heeft uiteindelijk – al dan niet door externe omstandigheden – er in geresulteerd dat de franchiseovereenkomsten met deze franchisenemers in overleg zijn beëindigd. Dat de eerste ervaringen van (een deel van) de eerste franchisenemers niet positief waren dwingt echter nog niet tot de conclusie dat het [gedaagde sub 1] toen al duidelijk had moeten zijn dat er iets mis was met het franchiseconcept. Naar het oordeel van de rechtbank was toen niet sprake van een dusdanige situatie dat voor [gedaagde sub 1] de verplichting ontstond om hierover mededelingen aan [eiser] te doen, laat staan dat haar een ernstig verwijt valt te maken doordat zij dit heeft nagelaten. Daarbij is mede van belang dat onvoldoende is gebleken dat door [naam 4] vóór het toetreden van [eiser] concrete en onderbouwde waarschuwingen zijn geuit jegens [gedaagde sub 1] omtrent de werking van het franchiseconcept.

Genoemde bedragen daadwerkelijk behaalde omzet

4.21.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 1] voorts dat zij onjuiste bedragen heeft genoemd voor zover het gaat om de door haar eigen onderneming Recruitment First en door de andere franchisenemers reeds behaalde omzetten.

4.22.

Dat op enig moment door [gedaagde sub 1] aan [eiser] is gemeld dat de vier franchisenemers die in juni/juli 2011 al actief waren opdrachten hadden lopen met een gezamenlijke omzetwaarde van € 250.000,00 dan wel dat [gedaagde sub 1] een omzet van
€ 200.000,00 had behaald met haar eigen onderneming, zoals [eiser] stelt, is niet gebleken. [gedaagde sub 1] heeft dit betwist en van de zijde van [eiser] is niet toegelicht wanneer dit door [gedaagde sub 1] gezegd zou zijn, zodat hij zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.

4.23.

Wel is door [gedaagde sub 1] bij e-mail van 30 juni 2011 aan [eiser] geschreven dat er op dat moment enkele grote projecten liepen van elk gemiddeld meer dan € 40.000,00 en dat [eiser] de komende maanden voor minimaal € 2.000,00 per maand mee kon draaien. Daarbij is door [gedaagde sub 1] het voorbehoud gemaakt dat dit werk er ‘wel nu is’. [gedaagde sub 1] heeft hieromtrent in deze procedure gesteld dat de inhoud van die e-mail ten tijde van het verzenden daarvan (juni 2011) juist was, maar dat deze projecten op het moment van toetreden van [eiser] (september 2011) al waren afgerond. Op dit verweer is door [eiser] vervolgens niet meer ingegaan. Dat betekent dat er in rechte van uit wordt gegaan dat de inhoud van de e-mail van 30 juni 2011 ten tijde van het schrijven daarvan juist was. In ieder geval geldt dat [eiser] twee maanden later, gelet op het voorbehoud dat [gedaagde sub 1] in die e-mail maakt, geen beroep meer kon doen op de in die e-mail genoemde bedragen. [gedaagde sub 1] valt op dit punt dan ook geen voldoende ernstig verwijt te maken.

Doel toetreden
4.24. Ten slotte geldt dat zelfs indien aangenomen zou worden dat [gedaagde sub 1] onjuiste / misleidende mededelingen aan [eiser] heeft gedaan, in rechte niet vastgesteld kan worden dat zij – zoals [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legt – dit willens en wetens heeft gedaan teneinde [eiser] te bewegen de franchiseovereenkomst te tekenen en de entree fee op te strijken. In zoverre kunnen de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde sub 1] reeds daarom niet worden toegewezen.

Slotsom
4.25. Het bovenstaande betekent dat de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde sub 1] zullen worden afgewezen.

De vorderingen jegens [gedaagde sub 2]


Verhouding [eiser] - [gedaagde sub 2]

4.26.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen jegens [gedaagde sub 2] primair ten grondslag gelegd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de contractuele zorgplicht, nu [gedaagde sub 2] zich presenteerde als adviseur van [eiser] en dat in ieder geval ten aanzien van de financieringsaanvraag ook was.

4.27.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 2] met betrekking tot het verstrekken en controleren van het ondernemingsplan niet in een (directe) contractuele relatie tot [eiser] stond. Het was immers Proconnext die [gedaagde sub 2] hiertoe de opdracht had gegeven. Dat neemt niet weg dat [gedaagde sub 2] door Proconnext naar voren is geschoven als de persoon met wie de franchisenemers, dus ook [eiser], contact moesten opnemen indien zij vragen hadden omtrent het ondernemingsplan. Daarnaast controleerde [gedaagde sub 2] ook het door de franchisenemers ingevulde ondernemingsplan. Tussen [gedaagde sub 2] en de franchisenemers bestond door deze constructie – ondanks dat de formele opdrachtgever Proconnext was – een zekere vertrouwensrelatie, waarbij de franchisenemers mochten aannemen dat [gedaagde sub 2] ook met hun belangen rekening hield.

4.28.

Voorts geldt dat er ten aanzien van de financieringsaanvraag wel degelijk een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde sub 2] [eiser] omtrent deze aanvraag zou adviseren. De (inhoud van de) financieringsaanvraag hing uiteraard zeer nauw samen met (de inhoud van) het ondernemingsplan, nu de financieringsaanvraag was ingediend teneinde de volgens het ondernemingsplan benodigde financiering rond te krijgen.

4.29.

Bovenstaande omstandigheden brengen met zich dat [gedaagde sub 2] op grond van de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid én de zorgplicht die in het kader van zijn contractuele relatie met [eiser] op hem rustte zich de belangen van [eiser] moest aantrekken. Dit geldt zowel ten aanzien van het ondernemingsplan als de financieringsaanvraag.

4.30.

[gedaagde sub 2] heeft ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij de informatie die hij aan [eiser] heeft gegeven van [gedaagde sub 1] had gekregen en dat hij geen onderbouwing (in de vorm van cijfers of opdrachtovereenkomsten) van deze informatie heeft gezien. Hier heeft hij ook niet om gevraagd. Voorts is door hem verklaard dat hij niet aan [eiser] heeft verteld dat hij zijn informatie enkel op de uitlatingen van [gedaagde sub 1] baseerde. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur die zich de belangen van zijn klant aantrekt mag verwacht worden dat hij de cijfers die hij aan zijn klant doorgeeft controleert (dan wel dat hij aan zijn klant te kennen geeft dat hij dit niet heeft gedaan). Dit geldt des te meer in het onderhavige geval, waarbij de adviseur ziet dat de klant deze cijfers gebruikt in zijn ondernemingsplan dat ten grondslag ligt aan de financieringsaanvraag die de klant indient.

4.31.

Ter beoordeling ligt vervolgens – met inachtneming van het bovenstaande – de vraag voor welke uitlatingen door [gedaagde sub 2] aan [eiser] zijn gedaan en of die uitlatingen strijd met de zorgplicht van [gedaagde sub 2] opleveren.

Uitlatingen [gedaagde sub 2]

Omzetprognose

4.32.

Voor zover [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] heeft gezegd dat de gemiddelde opdracht een omzet van € 20.000,00 oplevert en dat een franchisenemer in de eerste twee jaar mag rekenen op drie tot vier opdrachten per jaar wordt hij hierin niet gevolgd. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen in het voorgaande (bij de beoordeling van de vordering jegens [gedaagde sub 1]) onder het kopje ‘omzetprognoses’ is overwogen (zie 4.10 e.v.), met name waar is overwogen dat het gaat om zuiver toekomstige gegevens. Dat sprake was van een (volstrekt) onrealistische prognose is onvoldoende gebleken. Daartoe kan [eiser] niet volstaan met een verwijzing naar de tot dan door de andere franchisenemers behaalde omzetten, nu dit – gelet op de aard van het franchiseconcept – niet per definitie één op één kan worden doorgetrokken op de (verwachte) door [eiser] te behalen omzetten.

Bewezen formule

4.33.

De stelling van [eiser] dat [gedaagde sub 2] ten onrechte heeft verklaard dat de franchiseformule ‘bewezen succesvol’ was wordt, onder verwijzing is naar hetgeen in bovenstaande ten aanzien van [gedaagde sub 1] is overwogen onder het kopje ‘Bewezen formule’, verworpen.

Situatie andere franchisenemers

4.34.

Dat op [gedaagde sub 2] ten tijde van de advisering van [eiser] de verplichting rustte om [eiser] op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen omtrent de andere franchisenemers, zoals [eiser] stelt en [gedaagde sub 2] betwist, is onvoldoende vast komen te staan. Er was op dat moment, zoals in het bovenstaande reeds is overwogen, immers nog geen sprake van een dusdanige situatie dat het voor [gedaagde sub 2] duidelijk had moeten zijn dat het franchiseconcept als geheel niet werkte.

Daadwerkelijk behaalde omzetten andere franchisenemers en [gedaagde sub 1]

4.35.

Terecht is door [eiser] gesteld dat de door [gedaagde sub 2] aan [eiser] gedane mededeling dat [gedaagde sub 1] met haar eigen bedrijf een omzet van € 200.000,00 per jaar heeft behaald feitelijk onjuist is. Uit de overgelegde jaarstukken (zie 4.9) blijkt dat de daadwerkelijke omzet van [gedaagde sub 1] ongeveer de helft daarvan was. Volgens zijn eigen stellingen beschikte [gedaagde sub 2] over deze jaarstukken. Door vervolgens onjuiste gegevens aan [eiser] door te geven is [gedaagde sub 2] dan ook tekortgeschoten.

4.36.

[eiser] stelt voorts dat [gedaagde sub 2] onjuiste mededelingen heeft gedaan over de door de andere franchisenemers reeds behaalde omzetten.

4.37.

Vast staat dat [gedaagde sub 2] op 29 juni 2011 aan [eiser] heeft geschreven dat de vier bestaande franchisenemers op dat moment bezig waren met vier opdrachten met een totale omzet van € 250.000,00 (zie 2.9), hetgeen ook strookt met de door [eiser] in zijn ondernemingsplan genoemde bedragen aan reeds behaalde omzet.

4.38.

Voor zover [gedaagde sub 2] heeft gesteld dat hij in zijn e-mail van 29 juni 2011 heeft bedoeld te benoemen dat de vier franchisenemers bezig waren met het binnenhalen van vier opdrachten met een omzet van € 250.000,00 en dat hij dus geen onjuiste informatie heeft verstrekt, wordt hij hierin niet gevolgd. Dat het ging om vier opdrachten die nog binnengehaald moesten worden blijkt in het geheel niet uit de tekst van de e-mail, waar wordt gesproken over dat de franchisenemers ‘werken aan’ de opdrachten en ‘dat het meer werk is dan de bestaande franchisenemers aankunnen, zodat ook [eiser] hiervoor ingezet gaat worden’. Door [gedaagde sub 2] is ook niet toegelicht waarom [eiser] zijn e-mail anders had moeten begrijpen dan dat er op dat moment volgens [gedaagde sub 2] sprake was van vier opdrachten met een omzetwaarde van € 250.000,00, waar [eiser] zelf ook aan mee zou kunnen gaan werken. Vast staat dat de opdrachten toen nog niet waren binnengehaald. Ook door het doen van deze mededeling is [gedaagde sub 2] derhalve tekortgeschoten jegens [eiser].

Slotsom

4.39.

Slotsom is derhalve dat [gedaagde sub 2] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hem en [eiser] gesloten overeenkomst, in de zin dat hij een onjuist bedrag aan door [gedaagde sub 1] behaalde omzet heeft genoemd en ten onrechte heeft geschreven dat er sprake was van door de reeds actieve franchisenemers binnengehaalde opdrachten met een omzet van € 250.000,00.

4.40.

Deze tekortkoming is – anders dan [gedaagde sub 2] meent – aan hem toe te rekenen, nu hij, zoals hiervoor is overwogen, ten onrechte de cijfers zoals die door [gedaagde sub 1] aan hem werden doorgegeven niet had gecontroleerd noch aan [eiser] heeft gemeld dat hij die cijfers niet had gecontroleerd.

Causaal verband schade

4.41.

De door [eiser] aan schade gevorderde bedragen betreffen de door hem betaalde entree fee, de kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van zijn franchiseonderneming, de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het verwerven van inkomen als freelancer, de gederfde inkomsten uit dienstverband en de rente die hij heeft moeten betalen ten aanzien van de door hem verkregen kredieten. Deze schade is volgens [eiser] door hem geleden doordat hij - als gevolg van de uitlatingen van [gedaagde sub 2] - als franchisenemer is toegetreden. [gedaagde sub 2] heeft betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de tekortkomingen en de gestelde schade.

4.42.

Het is aan [eiser] om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij door de onjuiste uitlatingen van [gedaagde sub 2] (zie 4.33) de beslissing heeft genomen om de franchiseovereenkomst te ondertekenen. Hierin is hij niet geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.43.

De uitlating van [gedaagde sub 2] omtrent de omzet van [gedaagde sub 1] is feitelijk onjuist geweest, in die zin dat [gedaagde sub 1] niet een omzet van € 200.000,00 per jaar, maar van (gemiddeld) ruim € 100.000,00 per jaar heeft behaald. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser], als hij had geweten dat de daadwerkelijk omzet van [gedaagde sub 1] ruim € 100.000,00 per jaar was geweest in plaats van € 200.000,00, zou hebben besloten om de franchiseovereenkomst niet te ondertekenen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom een omzet van € 100.000,00 per jaar voor [eiser] onvoldoende zou zijn geweest. Niet aangenomen kan dus worden dat deze uitlating heeft geleid tot de door [eiser] gestelde schade.

4.44.

Door [eiser] is niet gesteld op welk moment hij de beslissing heeft genomen om franchisenemer te worden, zodat een duidelijke peildatum ontbreekt. Dit komt voor rekening en risico van [eiser]. Nu andere aanknopingspunten ontbreken moet worden aangenomen dat [eiser] op het moment dat [gedaagde sub 2] de e-mail van 29 juni 2011 schreef de beslissing om franchisenemer te worden al had genomen. Deze e-mail is immers geschreven in het kader van een door [eiser] gedane financieringsaanvraag ten behoeve van de betaling van de entree fee (en de opstart van de onderneming). Een dergelijke aanvraag zal in de regel niet plaatsvinden indien de aanvrager nog twijfelt over de vraag of hij wel of niet zijn onderneming zal starten. Het had in ieder geval op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingen hieromtrent nader toe te lichten. Nu hij dit niet heeft gedaan kan niet worden vastgesteld dat de onjuiste informatie van [gedaagde sub 2] in die e-mail heeft bijgedragen aan de beslissing van [eiser] om franchisenemer te worden, en dus aan het ontstaan van de schade (mede) heeft veroorzaakt.

4.45.

De algemene stelling van [eiser] dat hij door de onjuiste uitlatingen van [gedaagde sub 2] (en [gedaagde sub 1]) is bewogen om franchisenemer te worden, is in het licht van de onderbouwde betwisting van het bestaan van causaal verband door [gedaagde sub 2], onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat er sprake is van een dergelijk causaal verband.

4.46.

Het bovenstaande betekent dat in rechte niet vast is komen te staan dat de door [eiser] gestelde schade het gevolg is van de tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde sub 2]. De door [eiser] jegens [gedaagde sub 2] ingestelde vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

Overig

4.47.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.48.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 821,00

- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.056,00

4.49.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- griffierecht € 821,00

- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.056,00

Voor zover door [gedaagde sub 2] vergoeding van de beslagkosten is gevorderd wordt deze vordering afgewezen, nu elke vorm van toelichting dan wel onderbouwing ontbreekt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 3.056,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 3.056,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, rechter, bijgestaan door mr. M.E.A. Möhring, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015. *