Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 456
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1935, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging inschrijving als cardioloog in het register cardiologie, volgend op de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg waarbij eiser het recht is ontzegd als cardioloog werkzaam te zijn. Onder ‘rechterlijke uitspraak’, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Regeling specialismen en profielen geneeskunst, moet ook een onherroepelijke uitspraak van de tuchtrechter worden verstaan. In die Regeling is voorts niet beoogd onderscheid te maken tussen ‘ontzetting’ en ‘ontzegging’. Met beide termen wordt hetzelfde beoogd, te weten iemand een recht ontnemen. Dit betekent dat artikel 35, tweede lid, van de Regeling ook geldt als iemand het recht om een specialisme uit te oefenen is ontzegd/ontnomen. Geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/456

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Loonstein),

en

de Registratie Commissie Geneeskundig Specialisten (RGS) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), verweerster

(gemachtigde: mr. M.E.F. Bots).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerster de inschrijving van eiser als cardioloog in het register cardiologie per 27 mei 2014 beëindigd.

Bij besluit van 17 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser, conform het advies van de adviescommissie van 18 november 2014, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam] , werkzaam als hoofd stafbureau bij verweerster.

Overwegingen

1.1

Eiser is sinds 15 april 1970 ingeschreven als cardioloog in het register cardiologie. Op 12 juli 2011 heeft de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC) eisers inschrijving als cardioloog in het register voor cardiologie voor de duur van vijf jaar tot 10 juni 2016 hernieuwd. Per 1 januari 2013 is de MSRC, tezamen met twee andere registratiecommissies, samengevoegd tot één commissie, te weten verweerster. Verweerster voert, zover hier van belang, regels uit van het College Geneeskundige Specialismen rond (her)registratie van geneeskundig specialisten.

1.2

Op 14 september 2014 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg eiser een bevel opgelegd dat inhoudt dat hij per die datum zijn werkzaamheden als cardioloog moet neerleggen.

1.3

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) heeft bij beslissing van 12 maart 2013 aan eiser de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving als arts in het register ex artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en zijn inschrijving als arts in het BIG-register met onmiddellijke ingang geschorst. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTC).

1.4

Bij brief van 11 april 2013 heeft verweerster eiser meegedeeld dat zij kennis heeft genomen van de uitspraak van het RTG van 12 maart 2013 en dat, gelet op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de Regeling specialismen en profielen geneeskunst van 1 januari 2013 (de Regeling), de daarin opgenomen schorsing van eisers inschrijving in het BIG-register als arts per 12 maart 2013 leidt tot schorsing van eisers inschrijving in het specialistenregister. Voorts is eiser meegedeeld dat zijn inschrijving als cardioloog in het specialistenregister geschorst blijft totdat de beslissing van het RTG onherroepelijk is geworden, dan wel in beroep door het CTC is vernietigd, hetgeen vooralsnog betekent dat eiser vanaf 12 maart 2013 de wettelijk erkende en beschermde titel cardioloog niet meer mag voeren.

1.5

Bij beslissing van 7 november 2013 heeft het CTC de beslissing van het RTG van 12 maart 2013 vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde maatregel. Het CTC heeft aan eiser de maatregel van gedeeltelijke ontzegging van zijn bevoegdheid als arts opgelegd, hierin bestaande dat hem het recht wordt ontzegd als cardioloog werkzaam te zijn. Van deze maatregel wordt een aantekening in het register, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG, gemaakt.

1.6

Bij brief van 30 januari 2014 heeft verweerster eiser meegedeeld dat zij voornemens is om de inschrijving van eiser als cardioloog in het register cardiologie per

7 november 2013 te beëindigen omdat het CTC eiser vanaf deze datum het recht heeft ontzegd om als cardioloog werkzaam te zijn.

1.7

Bij het primaire besluit heeft verweerster eisers inschrijving als cardioloog per 27 mei 2014 beëindigd. Doorhaling van de inschrijving als cardioloog leidt volgens verweerster niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Na beëindiging van de inschrijving mag eiser niet langer de titel ‘cardioloog’ voeren. Omdat sprake is van een doorhaling op grond van artikel 35, tweede lid, van de Regeling mag eiser, op grond van artikel 36, derde lid, van de Regeling, evenmin de titel ‘cardioloog niet praktiserend’ voeren. De doorhaling van de inschrijving wordt gepubliceerd in Medisch Contact en op de website van de KNMG.

1.8

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het primaire besluit gehandhaafd.

2.1

In beroep heeft eiser allereerst aangevoerd dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Eiser had verzocht om ter vergadering van 23 mei 2014, waarin verweerster over het voornemen tot doorhaling van de registratie van eiser als cardioloog in het specialistenregister een besluit zou nemen, het woord te mogen voeren, maar dit verzoek is ten onrechte afgewezen. Eiser had er belang bij dat hij zijn bezwaren ten overstaan van het voltallige bestuursorgaan uiteen kon zetten. Dit laat zich niet vergelijken met een verslag van een hoorzitting, als gevolg waarvan het orgaan dat beslist slechts indirect kennis kan nemen van hetgeen eiser naar voren wil brengen.

2.2

De rechtbank stelt vast dat er op 23 april 2014 een zienswijzegesprek heeft plaatsgevonden. Eiser is ten overstaan van een door de voorzitter van verweerster gemandateerde commissie, bestaande uit het specialist-lid van verweerster, de secretaris van verweerster en de jurist van het stafbureau Opleiding en Registratie van de KNMG gehoord en heeft een pleitnota overgelegd. Daargelaten de vraag of eiser met het gesprek in de primaire fase niet reeds voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, is van belang dat de door eiser gestelde schending van het beginsel van hoor en wederhoor ziet op de totstandkoming van het primaire besluit. Gesteld noch gebleken is dat eiser, die in de bezwaarfase opnieuw is gehoord, in bezwaar onvoldoende de gelegenheid heeft gehad zijn standpunten voor het voetlicht te brengen. Aangezien in deze procedure het bestreden besluit ter beoordeling voorligt, leiden eisers bezwaren tegen de totstandkoming van het primaire besluit dan ook niet tot een gegrondverklaring van het beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Eiser heeft voorts aangevoerd dat sprake is geweest van onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het primaire besluit. Eiser betwist dat het besluit van 23 mei 2014 daadwerkelijk is genomen. Daarnaast blijkt uit het primaire besluit niet duidelijk dat het besluit overeenkomt met het op de vergadering van 23 mei 2014 door verweerster genomen besluit. Verder vertoont de ondertekening van het primaire besluit gebreken. Ook is niet gebleken dat degenen die de zienswijze van eiser mondeling hebben aangehoord daartoe bevoegdelijk gemandateerd waren. Ten slotte is niet gebleken dat bij de besluitvorming van 23 mei 2014 door verweerster kennis is genomen van hetgeen tijdens de zienswijzefase is aangevoerd.

3.2

Met verweerster is de rechtbank van oordeel dat, voor zover bij de totstandkoming van het primaire besluit sprake zou zijn geweest van eventuele gebreken, waaronder een onjuiste ondertekening, deze gebreken met het bestreden besluit zijn hersteld. Verweerster is in het bestreden besluit uitvoerig op alle door eiser in bezwaar aangevoerde punten ten aanzien van de totstandkoming van het primaire besluit ingegaan. De rechtbank ziet in het door eiser aangevoerde geen aanleiding die reactie van verweerster voor onjuist te houden. Met betrekking tot de mandaatvoering en het besluit van 23 mei 2014 heeft verweerster met stukken eisers stelling dat de ‘commissie’ die hem in het zienswijzegesprek heeft gehoord niet (juist) zou zijn gemandateerd, dan wel dat het primaire besluit niet daadwerkelijk zou zijn genomen, weerlegd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

3.3

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat uit niets blijkt dat het bestreden besluit bevoegdelijk is genomen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de door verweerster overgelegde notulen van de vergadering van verweerster gehouden op vrijdag 12 december 2014 volgt dat de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit zijn besproken, dat toen besloten is dat het primaire besluit zou worden gehandhaafd en dat aldus de doorhaling van de inschrijving van eiser als cardioloog in het specialistenregister in stand zou worden gelaten. In het bestreden besluit is de besluitvorming van verweerster schriftelijk uiteengezet, waarbij ook uitdrukkelijk naar de besluitvorming van de vergadering van 12 december 2014 is verwezen. Hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd, slaagt dan ook niet.

4.1

Verder heeft eiser aangevoerd dat aan het bestreden besluit geen wettelijke basis ten grondslag ligt. Eiser heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat geen sprake is van een rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 35, tweede lid, van de Regeling: een uitspraak van de tuchtrechter kan volgens eiser niet als een zodanige rechterlijke uitspraak worden aangemerkt. Eiser heeft in dit verband opgemerkt dat in de toelichting op de Regeling hierover niets staat en dat verweerster ten onrechte naar (de toelichting bij) artikel 24 van de Regeling Specialismen en Profielen Geneeskunst van 1 januari 2010 (de Regeling 2010) heeft verwezen. Dit artikel ziet niet op het ontnemen van de inschrijving, maar op de voorwaarden voor een inschrijving.

Ten tweede heeft eiser aangevoerd dat geen sprake is van ‘ontzetting’, maar slechts van een ‘ontzegging’ om als cardioloog werkzaam te zijn. Dit is volgens eiser niet hetzelfde. Ten onrechte overweegt verweerster dat in de Regeling niet is beoogd onderscheid te maken tussen ontzetting en ontzegging. De verwijzing naar de toelichting op de Wet BIG gaat niet op, nu het gaat om uitleg van de Regeling. Artikel 48 van de Wet BIG spreekt niet over het specialistenregister, aldus eiser.

4.2

De rechtbank stelt allereerst vast dat de Regeling een regeling is als bedoeld in artikel 14 van de Wet BIG. Anders dan eiser, is de rechtbank met verweerster van oordeel dat, gelet op de toelichting op artikel 24, tweede lid, onder b van de Regeling 2010, onder ‘rechterlijke uitspraak’ in artikel 35, tweede lid van de Regeling ook een onherroepelijke uitspraak van de tuchtrechter moet worden verstaan. De Regeling 2010 is de voorloper van de Regeling. Artikel 24, tweede lid, onder b, van de Regeling 2010 bepaalt dat inschrijving in een specialistenregister alleen mogelijk is indien betrokkene niet bij rechterlijke uitspraak (tijdelijk) is ontzet van het recht het betreffende specialisme uit te oefenen. In de toelichting bij dit artikel wordt overwogen dat dit artikellid zowel betrekking heeft op een in kracht van gewijsde gegane beslissing van een strafrechter, een tuchtrechter, een administratieve rechter of een civiele rechter, uitgesproken in Nederland of daarbuiten. Het feit dat in de toelichting op de Regeling, die de Regeling 2010 heeft vervangen, dienaangaande niets te lezen valt, doet aan het voorgaande niet af. Nu de Regeling geen toelichting bij artikel 35 kent, moet worden aangenomen dat hetgeen in de toelichting bij artikel 24, tweede lid, van de Regeling 2010 staat, nog steeds van toepassing is. Verweerster heeft terecht naar voren gebracht dat, als er een andere invulling aan het begrip rechterlijke uitspraak diende te worden gegeven, dit dan expliciet in de toelichting bij artikel 35 van de Regeling zou zijn vermeld. Nu artikel 24 van de Regeling 2010 naast de inschrijving ook op doorhaling ziet, kan eiser niet in zijn stelling worden gevolgd dat een verwijzing naar (de toelichting bij) bedoeld artikel(lid) niet relevant is.

4.3

Voort is de rechtbank met verweerster van oordeel dat in de Regeling niet is beoogd onderscheid te maken tussen ‘ontzetting’ en ‘ontzegging’. Met beide termen wordt hetzelfde beoogd, te weten iemand een recht ontnemen. Dit betekent dat, anders dan eiser betoogt, artikel 35, tweede lid van de Regeling ook geldt als iemand het recht om een specialisme uit te oefenen is ontzegd/ontnomen. Deze grond van eiser faalt evenzeer.

5.1

Volgens eiser is verder ten onrechte door verweerster verworpen dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de werkzaamheden die hij als basisarts mag uitoefenen, door zijn inschrijving in het specialistenregister konden en ook werden gedeclareerd volgens het specialistentarief. Door de doorhaling is dit niet meer mogelijk, zodat sprake is van een substantieel financieel belang. Eiser is afhankelijk van deze inkomsten. Ter zitting heeft eiser hieraan nog toegevoegd dat hij voornemens is zijn praktijk, waarin hij thans nog slechts werkzaamheden als basisarts verricht, af te bouwen en dat hij te zijner tijd graag behoorlijk afscheid zou willen nemen. Eiser, die gedurende zeer lange tijd werkzaam is geweest als cardioloog, zou, als gevolg van het bestreden besluit, op (de uitnodigingen voor) zijn afscheid hieraan zelfs niet meer mogen refereren. Het wordt hem na de doorhaling uit het specialistenregister, zoals die hier aan de orde is, immers niet langer toegestaan zich cardioloog (ook niet met de toevoeging ‘niet praktiserend’) te noemen. Dit is onnodig leed toevoegend.

5.2

Volgens verweerster dient het algemeen belang van handhaving van de regelgeving en daarmee de bewaking en bevordering van de kwaliteit van de gezondheidszorg zwaarder te wegen dan eisers persoonlijke en financiële belang bij inschrijving in het register van specialisten. De patiënt heeft er belang bij dat hij er van op aan kan dat artsen die in het specialistenregister zijn ingeschreven aan de daarvoor gestelde eisen voldoen en bevoegd zijn om het specialisme uitoefenen. Ook is het patiëntenbelang erbij gediend dat personen zich niet meer kunnen en mogen uitgeven als medisch specialist, als hen het recht daartoe is ontzegd. Verweerster heeft verder betwist dat alle basisarts-handelingen tegen specialistentarief in rekening mogen worden gebracht. Alleen wanneer een specialist in het kader van zijn specialistische werkzaamheden ook een basisarts-handeling verricht kan dat hogere tarief gerechtvaardigd zijn. Het verrichten van dergelijke specialistische handelingen is eiser echter niet langer toegestaan.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank zijn door eiser geen of althans onvoldoende omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de beëindiging van zijn inschrijving onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, noch is anderszins gebleken dat sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard. De enkele omstandigheid dat zorgverzekeraars gedeclareerde basisartswerkzaamheden uitbetalen volgens het specialistentarief zolang iemand als specialist staat ingeschreven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om te spreken van een onbillijkheid van overwegende aard. Ten aanzien van het door eiser naar voren gebrachte leed als gevolg van de doorhaling, te weten dat hij de titel cardioloog niet langer, ook niet met de toevoeging ‘niet praktiserend’, mag voeren, overweegt de rechtbank dat, hoewel invoelbaar, dit evenmin aanleiding is om te spreken van een onbillijkheid van overwegende aard.

6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.