Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4094

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
13-710004-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf van 29 maanden opgelegd voor deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank heeft overschrijding van de redelijke termijn aangenomen en op grond daarvan een strafkorting van 20% toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710004-10 (Promis)

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag 1952] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 26 en 28 mei 2015 en 1 en 2 juni 2015. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 16 juni 2015.

De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 2] (13/710005-10), [medeverdachte 1] (13/710003-10) en deels gelijktijdig – maar niet gevoegd – met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 3] (13/710006-10).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. J.F. de Boer en M. Kappeyne van de Coppello, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.C. Meijer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] , welke organisatie het oogmerk had op het plegen van de misdrijven mensenhandel, valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen in de periode van

1 januari 2004 tot en met 20 april 2010.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

Beslissing van de rechtbank ter terechtzitting van 26 mei 2015

Na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 26 mei 2015 is aan verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie onder meer ten laste gelegd dat die organisatie het oogmerk had op het plegen van

mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) Wetboek van Strafrecht en/of artikel 273f Wetboek van Strafrecht, bestaande die mensenhandel uit (onder meer)

o het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van vrouwen (te weten (onder meer): [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] ), werkzaam (geweest) in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ en/of

o het met gebruikmaking van (dwang)middelen vrouwen (te weten (onder meer): [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] ), werkzaam (geweest) in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’, dwingen en/of bewegen een of meer deelnemers aan de organisatie te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die anderen met of voor een derde.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 26 mei 2015 – naar aanleiding van het daartoe gevoerde verweer en anders dan het standpunt van de officieren van justitie – ten aanzien van voormeld onderdeel van het ten laste gelegde de woorden ‘onder meer’ welke twee keer vooraf gingen aan de vier met name genoemde vrouwen nietig verklaard. Met de woorden ‘onder meer’ doelt het openbaar ministerie op vrouwen (werkzaam (geweest) in werkkamers van [kamerverhuurbedrijf 1] ) die niet nader in de tenlastelegging zijn aangeduid. Gelet op het grote aantal prostituees dat in het dossier figureert, was het openbaar ministerie er in de ogen van de rechtbank toe gehouden in de tenlastelegging te benoemen ten aanzien van welke vrouwen uitbuitingshandelingen zouden zijn verricht. Hierbij overweegt de rechtbank dat het openbaar ministerie kennelijk doelt op daadwerkelijk door de organisatie gepleegde misdrijven nu de gestelde misdrijven valsheid in geschrift en witwassen – in tegenstelling tot de mensenhandel – aldus zijn geconcretiseerd. Daarmee is voldoende duidelijk waarvan verdachte als deelnemer aan een criminele organisatie wordt beschuldigd, mensenhandel van de vier genoemde vrouwen. Mede gelet daarop hoefde niet nader te worden gespecificeerd van welke uitbuitingsvormen, naast de twee genoemde vormen, sprake is geweest. Het verweer dat de woorden ‘onder meer’ voorafgaand aan de genoemde uitbuitingsvormen nietig dient te worden verklaard, heeft de rechtbank daarom ter terechtzitting verworpen.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding bij vonnis

De dagvaarding is (voor het overige) geldig.

3.2

Bevoegdheid van de rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten

3.3

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft, zich aansluitend bij het door de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 1] gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer, gepleit voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte, omdat, kort gezegd, sprake is van een door tunnelvisie gemankeerd onderzoek, hetgeen blijkt uit de volgende omstandigheden:

  • -

    het relaas bevat geen objectieve weergave van de bevindingen zoals die blijken uit de processen-verbaal en de weergave van tapgesprekken is voorzien van conclusies van het onderzoeksteam;

  • -

    aan verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd op 16 december 2009 en/of op 11 januari 2011 kleven gebreken ;

  • -

    uit verklaringen die getuigen hebben afgelegd bij de rechter-commissaris blijkt dat de processen-verbaal van de politie geen juiste weergave bevatten van hetgeen de getuigen daar hebben gezegd en van hetgeen de verbalisanten de getuigen hebben voorgehouden alsmede dat de getuigen door de politie zijn beïnvloed, onder meer doordat het onderzoeksteam ook buiten de verhoren met bepaalde getuigen contact heeft onderhouden, zonder daarvan melding te maken in het proces-verbaal.

Volgens de raadsman is met het onderzoek sprake van een onherstelbare inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak te kort is gedaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat, wanneer, in een geval als het onderhavige, verdenkingen van een strafbaar feit zijn gerezen, de politie onder leiding van de officier van justitie een strafrechtelijk onderzoek kan starten dat er op is gericht bewijs voor die verdenking te vergaren. Van belang daarbij is onder meer dat tijdens het strafrechtelijk onderzoek door het onderzoeksteam niet alleen bevestiging wordt gezocht voor de eerder gerezen verdenking, maar ook oog wordt gehouden voor alternatieve scenario’s en ontlastend materiaal. Ook is van belang dat al die bevindingen blijken uit het proces-verbaal en op zodanige wijze zijn gerelateerd dat vermoedens of conclusies niet voor (objectieve) onderzoeksbevindingen kunnen worden aangezien.

Vastgesteld kan worden dat zowel het proces-verbaal van relaas als de weergave van de tapgesprekken conclusies en/of vermoedens bevatten van één of meer leden van het onderzoeksteam. Anders dan de verdediging heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat daarmee in dit geval geen inbreuk wordt gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Niet kan worden gezegd dat deze conclusies of vermoedens zijn gepresenteerd als (objectieve) onderzoeksbevindingen die de lezer van het proces-verbaal, waaronder de rechtbank, op het verkeerde been zouden kunnen zetten. De rechtbank wijst er op dat daar waar weergegeven tapgesprekken zijn voorzien van commentaar van het onderzoeksteam, dat commentaar in rood is weergegeven. Ook uit de bewoordingen van het relaas blijkt afdoende dat het gaat om vermoedens of conclusies van een of meer leden van het onderzoeksteam naar aanleiding van de objectieve bevindingen of de verhoren van verdachten en getuigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog - ten overvloede - dat voor zover de tenlastegelegde feiten bewezen worden verklaard, daartoe wettige bewijsmiddelen zullen worden gebezigd en geen conclusies of vermoedens van het onderzoeksteam.

Voorts kan worden vastgesteld dat in het proces-verbaal van de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd op 16 december 2009 in onderhavig onderzoek, passages voorkomen die overeenkomen met delen uit het proces-verbaal van de verklaring van [getuige 1] op 12 februari 2009, die zij als getuige heeft afgelegd in een ander strafrechtelijk onderzoek. Afgezien van het feit dat omwille van de volledigheid en zorgvuldigheid uit het proces-verbaal van 16 december 2009 had moeten blijken dat de getuige bepaalde passages uit een andere verklaring waren voorgehouden met de vraag of zij bij die verklaring blijft, bestaat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die zich verzet tegen deze werkwijze. Nu bovendien de verdediging in de gelegenheid is geweest deze getuige bij rechter-commissaris te ondervragen en zodoende de betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen, kan niet worden geoordeeld dat de verdachte hierdoor in zijn verdediging is geschaad. De stelling dat de dagtekening van één van de verklaringen van [getuige 1] niet juist is, is niet aannemelijk geworden.

Ook kan worden vastgesteld dat de verklaringen van verschillende getuigen afgelegd bij de rechter-commissaris op sommige punten afwijken van de verklaringen die de getuigen blijkens desbetreffend proces-verbaal hebben afgelegd bij de politie. Daarbij valt op dat de verklaringen van de getuigen bij de rechter-commissaris in het algemeen minder belastend voor verdachte zijn dan de verklaringen van de getuigen bij de politie.

Voor zover verdachte en zijn raadsman van mening zijn dat die verschillen voortkomen uit gebreken die kleven aan de wijze van verhoor door de politie, alsmede aan de processen-verbaal van de verklaringen van die getuigen, waardoor verdachte in zijn verdediging is geschaad, is de rechtbank - daargelaten de vraag of van dergelijke gebreken sprake is - van oordeel dat het niet gaat om onherstelbare gebreken. De door de verdediging in dit verband genoemde getuigen zijn immers allen nader gehoord bij de rechter-commissaris, zodat de verdediging de gelegenheid heeft gehad de betrouwbaarheid van de verklaring die is afgelegd bij de politie, te toetsen.

Gelet op de verschillen, die ook de rechtbank heeft geconstateerd, tussen de verklaringen van de getuigen afgelegd bij de politie en de verklaringen van diezelfde getuigen afgelegd bij de rechter-commissaris, zal de rechtbank bij de beoordeling van de beschuldiging dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met name de verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris in beschouwing nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat noch voor de stelling van de verdediging dat de verschillen voortkomen uit ongeoorloofde verhoormethoden en onjuiste verslaglegging, noch voor de stelling van de officier van justitie dat verdachte de desbetreffende getuigen heeft beïnvloed, voldoende aanwijzingen bestaan.

Het voorgaande brengt de rechtbank, met de officieren van justitie, tot de slotsom dat het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, zoals dat is gevoerd door de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 1] en waarbij de raadsman zich heeft aangesloten, niet kan slagen.

De raadsman van verdachte heeft voorts aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak tegen verdachte behandeld moet zijn, met als gevolg dat verdachte zich niet langer optimaal en adequaat heeft kunnen verdedigen omdat het tijdsverloop ten koste is gegaan van herinneringen van verdachte en zijn medeverdachten aan bepaalde gebeurtenissen of telefoongesprekken. Om die reden moet, bij wijze van uitzondering, de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de strafvervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad (nogmaals) algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Op de voet van dit arrest komt de rechtbank tot het oordeel dat indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn dit niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. Het verweer wordt dan ook verworpen. Nadere bespreking van de vragen of er sprake is van overschrijding en welke gevolgen die overschrijding dan moet hebben komt aan de orde als tot strafoplegging wordt overgegaan.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3.4

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie zijn voor wat betreft de bewezenverklaring tot de volgende conclusies gekomen, welke in het schriftelijk requisitoir uitvoerig zijn onderbouwd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 april 2010 in Amsterdam en Zaandam, welke organisatie werd gevormd door de vier in de tenlastelegging genoemde verdachten en het oogmerk had op mensenhandel, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. Met betrekking tot mensenhandel kan meer specifiek worden bewezen: mensenhandel als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, bestaande die mensenhandel uit (onder meer) het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , werkzaam (geweest) in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ’ en het met gebruikmaking van (dwang)middelen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , werkzaam (geweest) in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’, dwingen en bewegen een of meer deelnemers aan de organisatie te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die anderen met of voor een derde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het door de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 1] gevoerde verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs van de aangifte van [getuige 1] , de politieverklaringen van [persoon 2] , [persoon 1] , [persoon 3] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] en [persoon 8] en de verklaringen van horen zeggen. Uitsluiting zou nodig zijn om een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te garanderen dan wel vanwege de onbetrouwbaarheid van de verklaringen.

De raadsman heeft zich, deels in aansluiting bij de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 2] , op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuige [getuige 2] en de politieverklaringen van getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad deze getuigen te ondervragen.

Voor het overige heeft de raadsman het dossier uitvoerig beschouwd en geconcludeerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor bewezen verklaring van de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank zal verdachte vrijspreken ten aanzien van deelneming aan een criminele organisatie met betrekking tot het oogmerk op het plegen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 9 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte of zijn medeverdachten dwangmiddelen hebben toegepast als bedoeld in artikel 273f, lid 1, onder 9, Sr.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken ten aanzien van deelneming aan een criminele organisatie met betrekking tot het oogmerk op het plegen van valsheid in geschrifte ten aanzien van kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 2] , omdat het dossier daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt.

4.3.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 maart 2010 te Amsterdam en/of Zaandam, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie welke werd gevormd door hem,

verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

namelijk

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, bestaande die mensenhandel uit

o het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van vrouwen, te weten: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] , werkzaam in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ en

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die valsheid bestond uit het valselijk opmaken van geschriften die betrekking hadden op de exploitatie van en/of vergunningen voor kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ’ te weten:

o de ‘aanvraag vergunningen horecabedrijf /prostitutiebeleid’ op naam van [medeverdachte 3] betreffende de percelen [adressen] d.d. 6 december 2006 en

o de inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 18 september 2009, waarmee de rechtsvorm van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] van een eenmanszaak naar een Vennootschap onder Firma (met vennoten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) werd omgezet en

o de inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 19 september 2009, waarmee de rechtsvorm van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] van een Vennootschap onder Firma (met vennoten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) werd omgezet naar een eenmanszaak, waarbij [medeverdachte 2] werd geregistreerd als eigenaar en

o de inschrijving (met terugwerkende kracht) bij de Kamer van Koophandel met ingang van 19 september 2009, waarmee als eigenaar van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] [medeverdachte 3] werd geregistreerd en

o de jaarrekening van ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ over het jaar 2009 en

o de ‘aanvullende aanvraagformulieren Natuurlijke Personen voor de prostitutiebranche (inclusief Bibob-vragen)’ op naam van [medeverdachte 2] betreffende de percelen [adressen] d.d. 10 januari 2010 en

o de overeenkomst “Overdracht onderneming [kamerverhuurbedrijf 1] ” d.d. 20 januari 2010 en

- gewoonte witwassen, als bedoeld in artikel 420bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders geldbedragen, te weten huurbedragen ten behoeve van de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ verworven en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

4.3.3

Nadere bewijsoverwegingen

4.3.3.1 Ten aanzien van de verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

De rechtbank ziet geen aanleiding de door de verdediging genoemde verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

De door de verdediging aangevoerde onregelmatigheden bij (de verslaglegging van) de politieverhoren zijn reeds besproken in het kader van het (grotendeels) op dezelfde grondslag gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Gelet op hetgeen de rechtbank in dat kader heeft overwogen, bestaat evenmin aanleiding tot uitsluiting van het bewijs van de door de verdediging genoemde politieverklaringen op voormelde grondslag.

Voor categoriale uitsluiting van het bewijs van verklaringen van horen zeggen ziet de rechtbank, anders dan de verdediging, evenmin aanleiding aangezien geen enkele rechtsregel zich tegen het gebruik daarvan verzet.

Ten aanzien van het gebruik van deze verklaringen zal de rechtbank de vereiste behoedzaamheid in acht nemen.

Tot slot geldt ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en

[getuige 5] dat deze getuigen niet door de verdediging zijn ondervraagd. Het horen van voornoemde [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] bij de rechter-commissaris is niet gelukt. Ten aanzien van [getuige 2] geldt dat de verdediging zowel bij de rechter-commissaris (op 19 november 2010) als ter terechtzitting (op 28 mei 2015) wel in de gelegenheid gesteld deze getuige te ondervragen. Doordat de getuige bij voormelde gelegenheden een beroep heeft gedaan op haar verschoningsrecht heeft de verdediging haar ondervragingsrecht echter niet daadwerkelijk kunnen uitvoeren. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer heeft te gelden dat de verklaringen van voormelde getuigen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank zal ten aanzien van de door deze getuigen afgelegde verklaringen als uitgangspunt hanteren dat daarvan zo nodig slechts gebruik wordt gemaakt voor het bewijs als die verklaringen, meer in het bijzonder de door de verdediging betwiste onderdelen daarvan, in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

4.3.3.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende (onbetwiste) feiten vast.
[verdachte] en [medeverdachte 1] (hierna ook: [verdachte en medeverdachte 1] ) waren in de periode van belang respectievelijk eigenaar van en barman/bedrijfsleider in café [café naam] (later genaamd [café naam] of [café naam] ) gevestigd op de [adres 1] in Amsterdam. Verder werden in de periode van belang via het bedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] , gevestigd op de [adres 2] , acht werkkamers (op de [adressen] , steeds twee ramen per huisnummer) verhuurd aan prostituees, onder wie de in de tenlastelegging vermelde vrouwen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Zes werkkamers, op de [adressen] , lagen tegenover café [café naam] en twee werkkamers, op de [adres 3] , lagen nagenoeg naast het café.

In 1998 had [verdachte] (een deel van) voormelde kamers in de [adressen] verhuurd aan prostituees. Bij besluit van 24 december 1998 is hem door de Burgemeester van Amsterdam echter de vereiste gedoogbeschikking geweigerd omdat bij controle een minderjarige was aangetroffen in één van de werkkamers. [medeverdachte 3] stond vanaf 8 april 2004 gedurende het grootste deel van de periode van belang geregistreerd als eigenaar van (eenmanszaak) [kamerverhuurbedrijf 1] en de vereiste exploitatievergunning stond op zijn naam. Hij had het bedrijf ‘ [bedrijf] ’ overgenomen [naam] . [medeverdachte 2] was sinds 2003 werkzaam voor [kamerverhuurbedrijf 1] als beheerder. Hij zou het bedrijf op 19 september 2009 ‘ [bedrijf] ’ overnemen van [medeverdachte 3] . Tijdens de doorzoeking van het adres [adres 2] , het kantoor van [kamerverhuurbedrijf 1] én de woning van [medeverdachte 2] , op 9 maart 2010, zijn administratieve bescheiden op naam van café bar [café naam] en op naam van [verdachte] en [medeverdachte 1] aangetroffen. Tijdens de huiszoeking op 20 april 2010 zijn op het woonadres te Zaandam van [verdachte] administratieve bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op [kamerverhuurbedrijf 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] . Op het adres van de bar en de etage erboven zijn tijdens de huiszoeking eveneens administratieve bescheiden op naam van [kamerverhuurbedrijf 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] aangetroffen. Uit deze administratieve bescheiden blijkt onder meer dat er regelmatig met geld van [kamerverhuurbedrijf 1] betalingen werden gedaan ten behoeve van café [café naam] . Ook gingen er regelmatig contante geldbedragen van [kamerverhuurbedrijf 1] naar [medeverdachte 1] en [verdachte] als privépersonen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verder activiteiten verricht in het kader van verbouwing/opknappen van voormelde werkkamers. Ook schoot [medeverdachte 1] te hulp als prostituees lastige klanten hadden.

Uit voormelde feiten blijkt een bepaalde verwevenheid tussen café [café naam] , [verdachte] en [medeverdachte 1] enerzijds en [kamerverhuurbedrijf 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] anderzijds. Gelet op het ten laste gelegde is de centrale vraag hoe die verwevenheid, bezien in het licht van het dossier, —moet worden geduid. De verdediging heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat sprake was van het als goede buren over en weer verrichten van vriendendiensten. De officier van justitie is tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van het bedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] sprake was van ‘schijnbeheer’; feitelijk exploiteerden [verdachte en medeverdachte 1] naast café [café naam] ook [kamerverhuurbedrijf 1] en

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] fungeerden in [kamerverhuurbedrijf 1] slechts als stromannen en waren ondergeschikt aan [verdachte en medeverdachte 1] .

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat [verdachte en medeverdachte 1] in werkelijkheid het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] exploiteerden. Naast de hiervoor genoemde feiten is daarbij het volgende van belang.

Uit opgenomen telefoongesprekken volgt dat [verdachte en medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] instructies gaven in het kader van de kamerverhuur, bijvoorbeeld wat betreft het schoonmaken van de kamers en het installeren van een cv-ketel in één van de kamers. Verder besprak [verdachte] met de boekhouder zaken met betrekking tot [kamerverhuurbedrijf 1] . Ook werden bij [verdachte en medeverdachte 1] thuis en in (het kantoor van) café [café naam] vele administratieve bescheiden en digitale bestanden aangetroffen met betrekking tot [kamerverhuurbedrijf 1] .

Verder duidt de overname ‘ [bedrijf] ’ van het kamerverhuurbedrijf door [medeverdachte 3] en

de (geplande) overname ‘ [bedrijf] ’ door [medeverdachte 2] erop dat voormelde personen

slechts op papier eigenaar werden van het bedrijf. Niet aannemelijk is dat bij een

daadwerkelijke overname van een dergelijk winstgevend bedrijf geen overnamesom zou

hoeven worden betaald. In dit kader merkt de rechtbank op dat bij een volledige kamerbezetting, waarvan volgens verdachten overigens niet steeds sprake was, een omzet kon worden behaald van bijna 50.000 euro per maand. Ook de verklaring van de moeder van [medeverdachte 3] , die uit bezorgdheid over haar zoon op enig moment navraag heeft gedaan bij [verdachte] , duidt er op dat [medeverdachte 3] door [verdachte en medeverdachte 1] werd gebruikt als stroman. Overigens volgt uit haar verklaring ook dat haar zoon niet in staat zou zijn een kamerverhuurbedrijf te runnen. Bovendien is gebleken dat [medeverdachte 3] in de jaren 2004 en 2005, naast zijn werk voor [kamerverhuurbedrijf 1] ook een volledig dienstverband had bij een pannenkoekenhuis ( [Pannenkoekenhuis] ), wat er op wijst dat de inkomsten uit de kamerverhuur niet naar [medeverdachte 3] gingen. Daar komt nog bij dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de geldbedragen die blijkens de door [medeverdachte 2] opgestelde bezettings –en uitgavenoverzichten van [kamerverhuurbedrijf 1] aan

[verdachte] en [medeverdachte 1] (persoonlijk) werden betaald, leningen waren die werden afbetaald, zoals de verdediging heeft gesteld. Ook van belang is dat [verdachte] sinds 1998 de kamers van [kamerverhuurbedrijf 1] enige tijd exploiteerde, maar vanwege het aantreffen van een minderjarige prostituee in één van de werkkamers hem de vereiste bestuursrechtelijke gedoogverklaring werd geweigerd. Hieruit kan worden afgeleid dat [verdachte] de intentie had prostituees werkkamers te verhuren, en een stroman heeft ingeschakeld omdat hij dat niet meer onder zijn eigen naam kon doen. Gelet op het voorgaande bezien in samenhang met verklaringen van verschillende getuigen dat [verdachte en medeverdachte 1] het daadwerkelijk voor het zeggen hadden in het kamerverhuurbedrijf en de opbrengsten daarvan genoten, is de rechtbank van oordeel dat het [verdachte en medeverdachte 1] waren die [kamerverhuurbedrijf 1] daadwerkelijk exploiteerden. Verdachte, noch zijn medeverdachten hebben aannemelijk kunnen maken dat al deze bevindingen slechts moeten worden gezien in het licht van een vriendschappelijke relatie die men als goede buren met elkaar onderhoudt. Evenmin hebben zij (met stukken) aannemelijk gemaakt dat gezamenlijke contacten met de boekhouder slechts betrekking hadden op het zakelijke plan van [verdachte en medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] om met elkaar de verderop gelegen [bar] te kopen.

Uit het voorgaande volgt dat [verdachte en medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gezamenlijk betrokken waren bij kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] . [verdachte en medeverdachte 1] hadden hierbij leidinggevende rollen. [medeverdachte 3] heeft zijn medewerking verleend, met name door het bedrijf en de vereiste vergunning op zijn naam te laten zetten. Daarnaast verrichte hij, al dan niet in opdracht van [medeverdachte 2] , werkzaamheden in het kader van de verhuur van de kamers. [medeverdachte 2] verrichtte onder leiding van [verdachte en medeverdachte 1] werkzaamheden als beheerder van de kamers, en hield de administratie bij. In 2009 en 2010 heeft hij zich ook bereid getoond het bedrijf (mede) op zijn naam te zetten.

Bovenomschreven samenwerking tussen [verdachte en medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kan

naar het oordeel van de rechtbank gelet op de vastgestelde rollen worden aangemerkt als gestructureerd en, gelet op de jarenlange samenwerking, als duurzaam. Nu de strafbare ‘schijnconstructie’ die als het misdrijf valsheid in geschrifte nader is omschreven in de tenlastelegging, ten grondslag lag aan de samenwerking, die samenwerking in stand heeft gehouden en jaren heeft voortgeduurd, is het oogmerk op het plegen van dat misdrijf door de organisatie gegeven. Gelet op het voorgaande is sprake van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en zijn verdachte en zijn medeverdachten daaraan de deelnemers gezien hun respectievelijke rollen in deze samenwerking.

Ten aanzien van alle deelnemers geldt voorts dat zij ondersteunende gedragingen hebben verricht ten aanzien van het innen (en weer in omloop brengen) van de (opbrengsten van de) kamerverhuur, wat het misdrijf witwassen oplevert. De inkomsten werden immers verkregen door middel van voormelde ‘schijnconstructie’, en waren daarmee afkomstig uit het misdrijf valsheid in geschrifte. Dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van mensenhandel ten aanzien van de vier met name genoemde vrouwen, in de zin van het opzettelijk voordeel trekken van de uitbuiting van de vrouwen, kan eveneens worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de vier vrouwen werden uitgebuit door [getuige 2] gedurende de periode dat zij kamers huurden bij [kamerverhuurbedrijf 1] en dat tenminste [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten van de uitbuiting. Zij hebben zich dus schuldig gemaakt aan mensenhandel door voordeel te trekken uit de uitbuiting van de vrouwen. Overigens hebben zij dit niet slechts gedaan door huur van de vrouwen te innen, maar ook door (betaalde) seks met hen te hebben. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet is vereist dat alle deelnemers aan de criminele organisatie deelnemen aan de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk heeft. Evenmin is vereist dat alle deelnemers enige vorm van opzet hadden op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Voor zover ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 3] moet worden geconcludeerd dat zij niet hebben deelgenomen aan voormelde mensenhandel en evenmin enig opzet hadden op dit beoogde misdrijf, staat dit niet in de weg aan bewezenverklaring van hun deelname aan de criminele organisatie.

5 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor het door hen bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 20.000, -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 135 dagen.

Zij hebben hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.

Verdachte en medeverdachten hebben deel uitgemaakt van een organisatie die evident gericht was op winstbejag ten koste van menselijke waardigheid, vrijheid van handelen en lichamelijke integriteit van veelal jonge vrouwen. Zij hebben profijt getrokken van uitbuiting, terwijl zij door hun positie de plicht hadden in te grijpen. Verdachte is duidelijk de initiator, bedenker en leider; uiteindelijk bepaalt en stuurt hij en belegt hij besprekingen. De organisatie vindt zijn ontstaan bij de problemen die verdachte eind jaren negentig had bij het exploiteren van raamprostitutie; er was destijds al sprake van wanbeheer. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden en daarom 10% strafkorting toegepast.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank zou komen tot strafoplegging heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met het volgende.

Verdachte is first offender met betrekking tot feiten als het onderhavige en eerdere veroordelingen ten aanzien van andersoortige feiten zijn van lang geleden. Hij is op leeftijd, onder behandeling bij een psychiater, heeft veel schulden en heeft geleden onder de aandacht in de media voor zijn zaak, waarbij hij met naam en toenaam is genoemd. Verder is sprake van excessieve overschrijding van de redelijke termijn. Alles overziend, is het niet passend aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan zijn voorarrest. Eventueel zou daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden opgelegd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft ruim zes jaar deel uit gemaakt van een criminele organisatie waarin hij een leidinggevende rol had. Ten aanzien van verdachte en zijn zoon en medeverdachte [medeverdachte 1] was in het verleden gebleken dat zij ongeschikt waren een prostitutiebedrijf te exploiteren. Omdat het voor hen daardoor onmogelijk was geworden op legale wijze een prostitutiebedrijf te exploiteren, hebben zij dat “op papier” [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] laten doen, terwijl zij wel de leiding hadden en de hoge inkomsten uit het bedrijf ontvingen.

De exploitatie van raambordelen in Amsterdam is echter nu juist aan een vergunningstelsel onderworpen, om van een exploitant en beheerder(s) vooraf de geschiktheid en integriteit te kunnen beoordelen, teneinde onder meer misstanden zoals dwang en uitbuiting tegen te gaan. Door de schijnbeheerconstructie op te zetten hebben verdachte en zijn zoon zich aan de beoordeling door de gemeente van hun geschiktheid en integriteit onttrokken. Voorgaande is des te kwalijker nu ten aanzien van verdachte al was gebleken dat hij ongeschikt was, en vast is komen te staan dat in de kamers van [kamerverhuurbedrijf 1] vrouwen werkten die door een ander werden uitgebuit.

De rechtbank houdt voorts rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 3 jaar passend. Het daarnaast opleggen van een geldboete, zoals gevorderd door de officier van justitie, acht de rechtbank niet opportuun.

De rechtbank ziet echter aanleiding tot een strafkorting vanwege het volgende.

In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad (nogmaals) algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Op de voet van dit arrest beoordeelt de rechtbank of sprake is van overschrijding, in welke mate dat heeft plaatsgevonden en wat daarvan het gevolg moeten zijn.

Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid waarvan de redelijkheid van de duur afhankelijk is, is onder meer de ingewikkeldheid van de zaak. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

Verdachte is op 20 april 2010 in verzekering gesteld; in dit geval het moment waarop verdachte de verwachting kon hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld en de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak sprake van een bijzondere omstandigheid, die gelegen is in de ingewikkeldheid van de zaak, met name de omvang van het onderzoek en het grote aantal getuigen dat bij de rechter-commissaris is gehoord. Daarnaast gaat het om vier verdachten van wie gelijktijdige berechting gewenst is. Nu de laatste getuige is gehoord op 9 juni 2012 en daarna geen onderzoekshandelingen meer hebben plaatsgevonden is de rechtbank is van oordeel dat een periode van twee jaar en zeven maanden als redelijke termijn dient te worden beschouwd. Dat brengt met zich mee dat op het moment van het eindvonnis de redelijke termijn is overschreden met 33 maanden.

De rechtbank ziet gelet op de ruime mate waarin de redelijke termijn is overschreden, deze te compenseren met een vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden van 20%.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officieren van justitie heeft gevorderd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart ten aanzien van de na toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging ter terechtzitting van 26 mei 2015 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie nietig de met betrekking tot het oogmerk op het plegen van mensenhandel ten laste gelegde woorden ‘onder meer’ welke twee keer vooraf gaan aan de vier met name genoemde vrouwen.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 29 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en C.A.E. Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2015.