Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4077

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
KK EXPL 15-622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. CAO geeft grenzen aan reden voor bt-contracten. Werkgever houdt zich daar niet aan. Wedertewerkstelling en loondoorbetaling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 667
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1221
JAR 2015/193
AR-Updates.nl 2015-0609
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 4101522 KK EXPL 15-622

vonnis van: 24 juni 2015

func.: 583

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. G.J. Mers

t e g e n

de coöperatie Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A.

gevestigd te Utrecht

gedaagde

nader te noemen: Rabobank Nederland

gemachtigde: mr. I.L. Gerrits

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 12 mei 2015, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 17 juni 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Rabobank Nederland is verschenen in persoon van [naam 1], [naam 2] en [naam 3], vergezeld door de gemachtigde. Beide partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[eiseres] is op 1 december 2011 in dienst getreden als [functie 1] bij Rabobank [locatie]. De arbeidsovereenkomst had een looptijd van een jaar en is na ommekomst daarvan verlengd voor dezelfde periode.

1.2.

[eiseres] heeft haar arbeidsovereenkomst met Rabobank [locatie] opgezegd tegen 14 april 2013.

1.3.

Per 15 april 2013 is [eiseres] in dienst getreden bij Rabobank Nederland in de functie van [functie 2]. Ook hier werkte zij op basis van een arbeidsovereenkomst voor een jaar, die na afloop van die periode is verlengd voor weer een jaar, derhalve tot 15 april 2015.

1.4.

De laatste arbeidsovereenkomst van [eiseres] is niet verlengd, na aanzegging door Rabobank Nederland.

1.5.

Op de hiervoor genoemde arbeidsovereenkomsten is de Rabobank CAO van toepassing. Artikel 1.2 van de Rabobank CAO 2013-2015 luidt als volgt:

In de regel wordt een vast dienstverband aangegaan, dat wil zeggen: een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. (…). Tijdelijke contracten worden maximaal twee keer verlengd (...). Is de totale looptijd van deze contracten langer dan drie jaar of wordt een derde keer verlengd, dan wordt het laatste contract gezien als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook als de medewerker tussentijds naar een andere werkgever gaat die onder deze CAO valt en daar dezelfde of soortgelijke werkzaamheden verricht.

1.6.

In de door Rabobank Nederland aan [eiseres] bekend gemaakte toelichting op de CAO staat onder meer het volgende:

Op grond van de Rabobank CAO (…) is de hoofdregel dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan. Mogelijke redenen om toch een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden zijn:

opvangen van piek/seizoensdrukte;

vervanging van medewerkers die gedurende een langere periode afwezig zijn;

vervulling van tijdelijke werkzaamheden.

1.7.

Door Rabobank Nederland is ten behoeve van het aanvragen van een Nationale Hypotheek Garantie een werkgeversverklaring ingevuld. Hierbij is aangekruist de voorgedrukte tekst “Bij gelijkblijvend functioneren en ongewijzigde bedrijfsomstandigheden wordt de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij beëindiging daarvan opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd”.

Vordering

2. [eiseres] vordert dat de Rabobank Nederland bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om:

2.1.

haar binnen 48 uur na betekening van dit vonnis weer toe te laten tot haar werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2.2.

haar salaris, vermeerderd met wettelijke rente en verhogingen, vanaf 15 april 2015 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan haar door te betalen;

2.3.

op straffe van verbeurte van een dwangsom de personeelscondities binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht vanaf 15 april 2015 weer van toepassing te verklaren, met vergoeding van de schade tot op heden ad € 105,-;

2.4.

vergoeding van de proceskosten;

2.5.

betaling van de nakosten.

3. [eiseres] stelt hiertoe dat haar op grond van de CAO Rabobank een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden had moeten worden. Dat is immers volgens de tekst van die CAO de hoofdregel en er zijn geen redenen voor een uitzondering daarop. De in de toelichting genoemde voorbeelden dan wel daarmee gelijk te stellen omstandigheden zijn op haar situatie niet van toepassing. Ook anderszins waren er volgens haar geen redenen om af te wijken van de hoofdregel dat werknemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangeboden. Hieruit volgt dat de Rabobank haar voor onbepaalde tijd in dienst had moeten nemen. [eiseres] beroept zich onder meer op het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 28 februari 2013, JOR 2012/108. Daarnaast doet [eiseres] een beroep op de ketenregeling van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1.2 van de CAO Rabobank. Haar laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was de vierde. Zij heeft ter uitvoering van die arbeidsovereenkomsten steeds dezelfde althans soortgelijke werkzaamheden verricht. Tot slot beroept [eiseres] zich op opgewekt vertrouwen, gelet op de door Rabobank Nederland ingevulde werkgeversverklaring en het feit dat zij in december 2014 nog een intensieve cursus heeft moeten volgen.

Verweer

4. Rabobank Nederland voert aan dat de CAO Rabobank slechts aangeeft dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd regel is en dat de bepalingen van de CAO Rabobank ruimte laten voor beleidsvrijheid. Termen als “In de regel” in de tekst van de CAO en “hoofdregel” en “Mogelijke redenen” in de toelichting geven reeds aan dat de mogelijkheid bestaat om, ook om andere redenen dan de voorbeelden genoemd in de toelichting, de keus te maken voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In dit geval was er reden voor een uitzondering. [eiseres] beschikte niet over ervaring voor de functie van [functie 1]. Om die reden bood Rabobank [locatie] haar een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan, waarbinnen haar geschiktheid voor de functie kon worden beoordeeld. Omdat daarover na een jaar nog onvoldoende duidelijkheid was is haar opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden. Evenmin had [eiseres] ervaring voor de functie van [functie 2]. Daarom heeft ook Rabobank Nederland haar een contract voor bepaalde tijd aangeboden en, wegens onvoldoende duidelijkheid over geschiktheid, dit contract verlengd voor bepaalde tijd. Volgens Rabobank Nederland omvatten de functies van [functie 1] en [functie 2] zodanig verschillende taken dat niet van soortgelijke werkzaamheden kan worden gesproken. Het beroep op de ketenregeling en de regeling in de CAO gaat daarom niet op. De werkgeversverklaring is naar zijn aard bedoeld ter ondersteuning van een hypotheekaanvraag en daaraan kan geen gerechtvaardigd vertrouwen omtrent het aanbieden van een contract voor bepaalde tijd worden ontleend, aldus de Rabobank.

5. Los van het voorgaande betwist Rabobank Nederland dat [eiseres] op grond van de CAO Rabobank aanspraak kan maken op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het rechtstreeks afdwingen van nakoming van een CAO-bepaling is naar de mening van de Rabobank voorbehouden aan de contractsluitende vakbonden. En voor zover sprake is van een van de CAO Rabobank afwijkend handelen kan dat slechts aanleiding zijn voor een schadevergoedingsvordering op grond van handelen in strijd met goed werkgeverschap, en niet tot een aanspraak op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Beoordeling

6. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

7. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen in niet in geschil dat de CAO Rabobank van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [eiseres]. Partijen verschillen wel van mening welke betekenis de in deze CAO gebruikte term “In de regel” dient te hebben.

8. Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van een CAO geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (vgl. Hoge Raad 17 september 1993 NJ 1994,173). De toepassing van de CAO-norm leidt niet tot een louter taalkundige uitleg. Er dient sprake te zijn van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. Hoge Raad 31 mei 2002 JAR 2002,153). Indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting – zodat zij voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest kenbaar is – kan daaraan ook bij de uitleg betekenis worden gegeven.

9. Uit de bewoordingen in de tekst van de CAO Rabobank en de daarbij behorende schriftelijke toelichting leidt de voorzieningenrechter af dat uitgangspunt is dat een werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangeboden. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn mogelijk. In de toelichting bij de CAO Rabobank worden een aantal situaties benoemd waarin van de regel zou kunnen worden afgeweken. Deze opsomming is, gelet op de woorden “Mogelijke redenen” niet limitatief bedoeld. Zonder betekenis zijn zij daarom echter niet. Alle voorbeelden zien op een situatie waarin sprake is van een tijdelijke disbalans tussen de hoeveelheid te verrichten werk en de beschikbaarheid van vast personeel. De situatie van [eiseres] valt hier niet onder de scharen.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aanbieden van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd teneinde gedurende die bepaalde tijd te kunnen vaststellen of een werknemer de voor de functie vereiste kwalificaties heeft niet zonder meer in strijd met de CAO Rabobank kan worden geacht. Dat [eiseres] op 15 april 2013 geen contract voor onbepaalde tijd is aangeboden wordt daarom in beginsel niet in strijd met de CAO Rabobank geacht. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat zij het voorshands met Rabobank Nederland eens is dat de functie van [functie 2] andere kennis en vaardigheden vergt dan de functie [functie 1]. De vraag of [eiseres] bij Rabobank [locatie] recht had op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan hier verder buiten beschouwing blijven, nu [eiseres] deze overeenkomst zelf heeft opgezegd.

11. Bij het voorgaande wordt evenwel opgemerkt dat het de voorkeur verdient dat bij het aangaan van een eerste arbeidsovereenkomst duidelijk wordt vastgelegd wat de reden is om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan en aan welke voorwaarden dient te worden voldaan om vervolgens in aanmerking te komen voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit uitgangspunt geldt des te meer na ommekomst van het eerste jaar dat [eiseres] werkzaamheden bij Rabobank Nederland had verricht.

12. De vraag is bovendien of het na een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wederom aangaan van een (tweede) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in overeenstemming is met de CAO Rabobank. In zodanig geval wordt immers ten opzichte van de betreffende werknemer ten tweede male afgeweken van de hoofdregel. Een dergelijke afwijking dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval te worden voorzien van een deugdelijke, tijdig aan de betreffende werknemer meegedeelde, motivering.

13. Rabobank Nederland voert in dit verband aan dat een tweede arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangewezen was omdat er nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de vraag of [eiseres] de voor de functie van [functie 2] vereiste competenties bezat. [eiseres] heeft ter terechtzitting gesteld dat zij aanvankelijk goede beoordelingen kreeg. Vragen omtrent haar competenties zijn pas na de verlenging aan de orde gekomen.

14. De voorzieningenrechter stelt op grond van het voorgaande vast dat zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet kan worden vastgesteld of en op welke wijze met [eiseres] is gecommuniceerd over de verlenging van haar contract voor (opnieuw) bepaalde tijd. Gezien het feit dat het hier gaat om een afwijking van een in de CAO Rabobank opgenomen uitgangspunt had het op de weg van Rabobank Nederland gelegen ervoor zorg te dragen dat de feiten en omstandigheden die aan deze afwijking ten grondslag liggen duidelijk aan [eiseres] zouden zijn meegedeeld en dat deze communicatie schriftelijk zou zijn vastgelegd. Nu Rabobank Nederland dit heeft nagelaten kan de voorzieningenrechter niet vaststellen of aan de afwijking van het in de CAO Rabobank opgenomen uitgangspunt een gerechtvaardigde reden ten grondslag heeft gelegen en of Rabobank Nederland in zoverre heeft gehandeld overeenkomstig artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Derhalve moet er in het kader van dit kort geding vanuit worden gegaan dat dit niet het geval is.

15. Vervolgens dient te worden ingegaan op het door Rabobank Nederland gevoerde verweer dat [eiseres] geen nakoming van de betreffende CAO-bepaling kan afdwingen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit, nu [eiseres] dat desgevraagd heeft verklaard, dat [eiseres] geen lid is van een bij de CAO Rabobank betrokken vakbond. De toepasselijkheid van de CAO Rabobank vindt haar grond in het van toepassing verklaren hiervan in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Daarmee zijn de bepalingen van de CAO Rabobank en de toelichting onderdeel geworden van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. [eiseres] kan hierop derhalve een beroep doen. Een oordeel dat alleen Rabobank Nederland (rechtstreeks) een beroep kan doen op de inhoud van de betreffende CAO zou in strijd zijn met de incorperatie van de CAO en evenmin in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 3:35 en artikel 7:611 BW.

16. Nu de vorderingen van [eiseres] reeds op deze grond toewijsbaar zijn behoeven de overige door haar aangevoerde gronden geen bespreking. De vordering zal als volgt worden toegewezen.

17. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat het mislopen van de personeelskorting op haar hypotheek leidt tot een maandelijks extra te betalen bedrag van € 105,-. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen als voorschot op en ter verrekening met hetgeen Rabobank Nederland haar ten gronde zal blijken schuldig te zijn. Nu [eiseres] een bedrag aan schadevergoeding zal worden toegekend zal worden afgezien van het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling tot het opnieuw van toepassing verklaren van personeelscondities.

18. Rabobank Nederland dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 78,- aan griffierecht, € 101,96 aan kosten dagvaarding en € 400,- aan salaris voor de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Rabobank Nederland om [eiseres] binnen zeven werkdagen na betekening van dit vonnis toegang te verlenen, te doen of te laten verlenen tot haar eigen werkzaamheden als [functie 2];

veroordeelt Rabobank Nederland aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 350,- voor iedere dag dat zij niet aan de onder I. bepaalde voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

veroordeelt Rabobank Nederland tot betaling van het loon van [eiseres] ad € 5.148,82 bruto per maand en emolumenten vanaf 15 april 2015 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, verhoogd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente telkens wanneer het loon niet tijdig, dat wil zeggen de laatste dag van de maand waarover het loon is verschuldigd, is voldaan;

veroordeelt Rabobank Nederland om binnen twee weken na betekening van dit vonnis ervoor zorg te dragen dat de toepassing van de personeelscondities op [eiseres] weer wordt hersteld;

veroordeelt Rabobank Nederland om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 105,- voor iedere maand dat [eiseres] niet (alsnog) aanspraak op de personeelscondities kan maken;

veroordeelt Rabobank Nederland in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 579,96;

veroordeelt Rabobank Nederland tot betaling van een bedrag van € 50,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en Rabobank Nederland niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.E.B. Terwee , kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.