Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4073

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
C-13-560483 - HA ZA 14-244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging geldleenovereenkomsten door bank was geoorloofd, toepassing arrest HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/560483 / HA ZA 14-244

Vonnis van 1 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PAX INTRANTIBUS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat: mr. A.V. Paardekooper te Amsterdam,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK AMSTERDAM U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. F.J. Laagland te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Pax Intrantibus en Rabobank worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 februari 2014;

  • -

    de akte overlegging producties van 5 maart 2014, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 25 juni 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 3 november 2014, met de daarin vermelde stukken;

  • -

    de faxbrief van 12 november 2014 van mr. Hagers, raadsman van Pax Intrantibus, met opmerkingen betreffende de inhoud van het proces-verbaal van comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Pax Intrantibus en Rabobank hebben op 28 september 2006 en op 22 oktober 2007 een hypothecaire geldleenovereenkomst gesloten, tot een totaalbedrag van EUR 5.710.000,-.

2.2.

De in 2006 gesloten geldleenovereenkomst diende ter financiering van de koop van een bedrijfspand gelegen aan de [adres 1]. De in 2007 gesloten geldleenovereenkomst diende ter financiering van de koop van een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2]. De beide geldleenovereenkomsten worden hierna gezamenlijk aangeduid als de geldleenovereenkomsten. De hiervoor genoemde bedrijfspanden worden hierna ook wel aangeduid als de bedrijfspanden.

2.3.

Na aankoop van het pand aan de [adres 1] heeft Pax Intrantibus op 1 oktober 2006 een huurovereenkomst gesloten met WebAds B.V. tot verhuur van het pand aan WebAds B.V. voor een huurprijs van EUR 280.000,- per jaar.

2.4.

Pax Intrantibus heeft na aankoop van het pand aan de [adres 2] op 1 december 2007 een huurovereenkomst gesloten met Adsolutions B.V., tot verhuur van de derde etage van het pand aan Adsolutions B.V. voor een huurprijs van EUR 40.000,- per jaar.

2.5.

De (indirecte) aandeelhouders van Pax Intrantibus zijn tevens aandeelhouder in WebAds.

2.6.

Pax Intrantibus heeft ten behoeve van Rabobank, tot zekerheid van betaling van al hetgeen Rabobank van haar te vorderen had of mocht krijgen, hypotheekrechten op de bedrijfspanden gevestigd. Daarnaast heeft zij ten behoeve van Rabobank pandrechten gevestigd op de aan haar toekomende huurpenningen uit de verhuur van de gekochte bedrijfspanden.

2.7.

In de in 2006 gesloten geldleenovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

Hoofdpunten geldlening (…)

Looptijd : tot wederopzegging

Aflossing : Aflossingsvrije lening

(…)

Verdere uitwerking financieringsvoorstel

(…)

Vijf jaar na ondertekening van de akte, en vervolgens iedere vijf jaar, is de bank gerechtigd de leningvoorwaarden aan te passen, waaronder nadrukkelijk wordt begrepen de voorwaarde tot tussentijdse aflossingen. De ontwikkelingen in uw bedrijf of uw bedrijfstak kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de voorwaarden. (…)

Zekerheden

(…)

- Een hypotheek van EUR 3.500.000,--;

(…)

- De verpanding van huurpenningen heeft betrekking op

Pax (…) uit hoofde van [adres 1] (…)

- Voor de te verstrekken lening wordt mede hoofdelijk aansprakelijk: Webads B.V.

(…)

- Vermogensverklaring van 20% wordt afgegeven door [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4]

(…)

Op geldlening(en) respectievelijk rekening(en)-courant zijn – voor zover niet anders overeengekomen – van toepassing:

- de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie 2001;

Op de relatie met de bank zijn van toepassing:

- De Algemene bankvoorwaarden

U verklaart deze voorwaarden te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben.

(…)”

2.8.

In de in 2007 gesloten geldleenovereenkomst staat onder meer het volgende:

Aflossing

Aflossingsvrij Op de geldlening behoeven geen aflossingen plaats te vinden, behalve in gevallen zoals vermeld in artikel 26 van de hierna vermelde Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobank. De geldlening zal in ieder geval 50 jaar na ondertekening van dit financieringsvoorstel in zijn geheel moeten zijn afgelost.

Vijf jaar na ingangsdatum en vervolgens iedere vijf jaar, is de bank gerechtigd de geldleningsvoorwaarden aan te passen, waaronder nadrukkelijk wordt begrepen de voorwaarde tot tussentijdse aflossingen. De ontwikkelingen in het bedrijf of de bedrijfstak van debiteur kunnen onder andere aanleiding geven tot aanpassing van de voorwaarden. (…)

Te stellen zekerheden

Hypotheek Te vestigen hypotheek van EUR 3.000.000,00

(…)

Verpanding Te vestigen pandrecht

als 1e op:

- alle huidige en toekomstige vorderingen uit hoofde van de verhuur van de [adres 2] (…)

Op deze verpanding(en) zijn mede van toepassing de Algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank 2006. (…)

Vermogensverklaring Door [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zal een geconsolideerde vermogensverklaring van 20% worden afgegeven voor debiteur ten behoeve van de bank.

(…)

Op de (kas)geldlening(en) zijn – voor zover niet anders is overeengekomen – van toepassing:

- de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobank 2006.

Op de relatie met de bank zijn van toepassing de Algemene Bankvoorwaarden.

(…)”

2.9.

Op de in 2006 gesloten geldleenovereenkomst zijn de “Algemene Voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie 2001” (hierna: de Algemene Voorwaarden 2001) van toepassing verklaard. Op de in 2007 gesloten geldleenovereenkomst zijn de “Algemene Voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobank 2006” (hierna: de Algemene Voorwaarden 2006) van toepassing verklaard. Zij zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Algemene Voorwaarden.

2.10.

In de Algemene Voorwaarden 2001 staan, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

Onmiddellijke opeisbaarheid

Artikel 16

Het door de debiteur aan de bank verschuldigde is terstond en zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit opeisbaar:

a. wanneer de debiteur of de zekerheidgever nalatig is in de nakoming van of in strijd handelt met een bepaling van de akte of een akte waarbij zekerheid is verleend, daaronder begrepen de algemene voorwaarden die in die akten van toepassing zijn verklaard;

b. wanneer de debiteur of de zekerheidgever:

(…)

- de door de bank tot zekerheid van de geldlening verlangde zekerheid/zekerheden niet(rechtsgeldig) vestigt;

(…)

f. wanneer zich enige omstandigheid voordoet die aanleiding geeft tot gegronde vrees dat het door de debiteur aan de bank verschuldigde niet of niet geheel op de opbrengst van de ten behoeve van de bank verbonden goederen kan worden verhaald, dan wel wanneer ten behoeve van de bank verbonden goederen in waarde zijn verminderd of zijn tenietgegaan. (…)

Aflossingsvrije lening

Artikel 26

Indien overeengekomen is dat op de geldlening geen aflossingen behoeven plaats te vinden, gelden verder de volgende bepalingen:

(…)

b) Indien de waarde van een registergoed naar het oordeel van de bank daartoe aanleiding geeft, kan de bank onverminderd haar bevoegdheden als omschreven in artikel 16, van de debiteur (periodieke) aflossing(en) verlangen. De bank heeft het recht elk registergoed vijf jaren na de datum, waarop de geldlening is verstrekt, en vervolgens telkens na het verstrijken van een periode van ten minste vijf jaren, voor rekening van de debiteur te laten taxeren ter bepaling van de waarde van dat registergoed. (…)”

2.11.

In de Algemene Voorwaarden 2006 staat onder meer het volgende:

16. Onmiddellijke opeisbaarheid

(…)

2. De bank is gerechtigd om met schriftelijke mededeling daarvan aan de debiteur de geldlening met onmiddellijke ingang op te eisen in de volgende gevallen (…):

a. wanneer de debiteur en/of de zekerheidsgever en/of groep naar het oordeel van de bank nalatig is in de (tijdige en/of behoorlijke) nakoming van of in strijd handelt met:

- een bepaling in de akte of een zekerheidsakte, daaronder begrepen de (algemene) voorwaarden die in die akte(n) van toepassing is/zijn verklaard;

- enige andere verplichting tegenover de bank;

(…)

j. wanneer zich enige gebeurtenis, verandering of omstandigheid voordoet of voorzienbaar is, dat zulks zich zal kunnen voordoen, die aanleiding geeft tot gegronde vrees dat de debiteur en/of de zekerheidgever tekort zal gaan schieten in de nakoming van enige verplichting van welke aard dan ook tegenover de bank.

(…)

n. wanneer een (mede) tot zekerheid van de geldlening verbonden goed met toestemming van de bank is verhuurd en de huurprijzen (dreigen te) worden verlaagd;

o. wanneer zich enige gebeurtenis, verandering of omstandigheid voordoet of voorzienbaar is, dat zulks zich kan voordoen, die aanleiding geeft tot gegronde vrees dat het door de debiteur aan de bank verschuldigde niet of niet geheel op de opbrengst van ten behoeve van de bank verbonden goederen of op de zekerheidgever kan worden verhaald, dan wel wanneer ten behoeve van de bank verbonden goederen in waarde zijn verminderd of teniet zijn gegaan of niet of naar het oordeel van de bank onvoldoende zijn verzekerd of zulks naar de mening van de bank voorzienbaar is;

(…)

26 Aflossingsvrije lening

Indien overeengekomen is dat op de geldlening geen aflossingen behoeven plaats te vinden, gelden verder de volgende bepalingen:

(…)

b) Indien de waarde van een registergoed naar het oordeel van de bank daartoe aanleiding geeft, kan de bank onverminderd haar bevoegdheden als omschreven in artikel 16, van de debiteur (periodieke) aflossing(en) verlangen. De bank heeft het recht elk registergoed vijf jaren na datum, waarop de geldlening is verstrekt, en vervolgens telkens na het verstrijken van een periode van ten minste vijf jaren, voor rekening van de debiteur te laten taxeren ter bepaling van de waarde van dat registergoed. (…)”

2.12.

Artikel 20 van de Algemene Bankvoorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De cliënt is verplicht desgevraagd voldoende zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn bestaande verplichtingen jegens de bank. Is een gestelde zekerheid onvoldoende geworden, dan is de cliënt verplicht desgevraagd die zekerheid aan te vullen of te vervangen. (…)”

2.13.

Pax Intrantibus en Rabobank hebben vanaf september 2009 met elkaar gesproken en gecorrespondeerd over door Pax Intrantibus te betalingen tussentijdse aflossingen. Rabobank was van mening dat de financieringsstructuur van Pax Intrantibus niet meer passend was en dat er op de geldleningen moest worden afgelost.

2.14.

Rabobank heeft Pax Intrantibus bij brief van 21 februari 2011 – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“De aan u verstrekte financiering is, op basis van de huidige waarde van de door u afgegeven onderpanden, te hoog. Er is overeengekomen dat op de geldlening geen aflossingen behoeven plaats te vinden, tenzij de waarde van het registergoed (lees: tevens onderpand), naar het oordeel van de bank, daartoe aanleiding geeft.. De verminderde rentabiliteit van Pax Intrantibus B.V., alsmede de waarde van de onderpanden (…) hebben ons doen besluiten de bevoegdheid als omschreven in “artikel 16 van de Algemene Voorwaarden voor Zakelijk Geldlening”, te gebruiken en op grond hiervan aflossing te verlangen. Financieringen dienen op grond van “Bankbeleid” in maximaal 25 jaar plaats te vinden en afgelost te zijn. Dit betekent in uw geval dat er een jaarlijkse aflossing van € 228.000,-- dient te geschieden.

(…)

Ondanks de vele gespreken die ultimo 2009 hebben plaatsgevonden (laatste gesprek op 24 januari jl.), zijn er nimmer andere alternatieven (lees: voor alle partijen aanvaardbare oplossingen) aan uw zijde aangedragen.

Wij dienen u derhalve te verzoeken, en zo nodig te sommeren, om vanaf 1 april aanstaande maandelijks een bedrag ad. € 19.000,-- af te lossen. Deze bevoegdheid wordt ontleend aan hetgeen in “artikel 26 juncto 16 van de Algemene Voorwaarden voor Zakelijke geldenlening” staat omschreven. In de financieringsovereenkomsten (…) staat de bevoegdheid tot aflossing tevens specifiek genoemd. (…)”

2.15.

Pax Intrantibus en Rabobank hebben na deze brief meermaals met elkaar gesproken over de door Rabobank verlangde aflossingen. Zij hebben elkaar in deze gesprekken niet gevonden.

2.16.

Pax Intrantibus heeft op 31 december 2012 huurovereenkomsten gesloten met Adrime Holding B.V. tot verhuur van de eerste en tweede etage van het bedrijfspand aan de [adres 2], voor een huurprijs van respectievelijk EUR 61.200,- en EUR 30.700,- per jaar.

2.17.

Pax Intrantibus en Rabobank hebben op 26 april 2013 opnieuw met elkaar gesproken. Rabobank heeft de inhoud van het gesprek bij brief van 29 april 2013 aan Pax Intrantibus bevestigd. De brief luidt, voor zover hier van belang:

“U verzocht de bank in hoeverre het mogelijk zou zijn om de verplichte maandelijkse aflossingen op de leningen aan Pax Intrantibus vanaf september 2013 aan te laten vangen. Wij hebben u aangegeven dit in overweging te willen nemen nadat de bank eerst de volgende informatie heeft ontvangen en hierover een oordeel heeft kunnen vormen: (…) [rechtbank: volgt een opsomming van de door Rabobank gevraagde stukken]

(…)

Op grond van artikel 26 van de Algemene Bankvoorwaarden bent u verplicht op eerste verzoek van Rabobank aanvullende zekerheid te verstrekken. Zoals reeds in voornoemde bespreking hebben aangegeven doen wij namens Rabobank een beroep op dit artikel en verzoeken u, ter consolidatie en verbetering van de zekerheidspositie van Rabobank, zo spoedig als mogelijk doch vóór 13 mei 2013 een eerste pandrecht op de inventaris, voorraden, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten van (…), Pax Intrantibus, (…) en (…) ten gunste van de bank te vestigen. (…)”

2.18.

Rabobank heeft Pax Intrantibus bij brief van 7 juni 2013 opnieuw geschreven. De brief luidt, voor zover hier van belang:

“Tot op heden hebben wij slechts een PowerPoint overzicht met daarin een (voor de bank onvoldoende concreet) overzicht van de aandeelhoudersstructuur en een A4-tje met daarop een bureauafspraak van WebAds en GroupM van u mogen ontvangen. Beide stukken bieden voor de bank onvoldoende inzicht, zo maakt het aandeelhoudersoverzicht geen melding van aandeelhoudersverhoudingen en geeft het geen duidelijkheid over de juridische benaming van, alsook wie de (uiteindelijke) aandeelhouders zijn in, de door u als ‘Holding Companies A’, ‘Holding Companies B’ en ‘Holding Company C’ getypeerde aandeelhouders. Ons inziens zouden er additionele documenten moeten zijn op basis waarvan de tussen u en uw grootste klanten gemaakte afspraken (waaronder betalingsafspraken) zijn vastgelegd.

De bank merkt op dat zij tot op heden evenmin enig ander, bij brief van 29 april jl., door de bank verzochte document heeft ontvangen terwijl deze documenten helder en duidelijk zijn omschreven en er ook geen onduidelijkheid kan bestaan over wat de bank nu wenst te ontvangen teneinde een gedegen afweging te kunnen maken over de financiële situatie van de desbetreffende entiteiten. Daarnaast constateert de bank dat thans ook sprake is van een additioneel verzuim nu u tot op heden niet heeft voldaan aan het verzoek van de bank om op grond van artikel 26 van de algemene voorwaarden additionele zekerheid te verstrekken, als evenzeer verzocht bij brief van 29 april 2013. (…)”

Rabobank heeft Pax Intrantibus nog tot 17 juni 2013 gegeven om de gevraagde informatie en documentatie aan te leveren, onder aanzegging van opzegging van de geldleenovereenkomsten en opeising van de geleende bedragen, indien zij geen of ontoereikende stukken van Pax Intrantibus zou ontvangen.

2.19.

Pax Intrantibus heeft Rabobank bij e-mail van 13 juni 2013 stukken gezonden. De e-mail luidt, voor zover hier van belang:

“Hierbij mail ik de volgende aanvullende informatie zoals verzocht door RABO. Daarnaast beschikken wij thans over de voorlopige nog niet gecontroleerde jaarrekeningen van MXT en PAX over 2012. Een kopie van beiden tref je hierbij aan.

De bijlagen (in totaal 17 bestanden) bij deze mail betreffen verder de volgende informatie:

[rechtbank: volgt een opsomming van de door Pax Intrantibus toegezonden stukken]

De overige informatie die RABO verzocht in haar brief van 29 april is reeds eerder via email aan RABO toegezonden. Het betreft informatie t.a.v. mogelijke fusiebesprekingen en informatie over de fiscale eenheid situatie van de groep. (…)”

2.20.

Rabobank heeft bij brief van 11 juli 2013 aan Pax Intrantibus laten weten dat de door haar gezonden aanvullende stukken onvoldoende inzicht verschaften. Verder vermeldt de brief, voor zover hier van belang:

“Aan de hand van bovenstaande constateert de bank dat u per heden niet heeft voldaan aan het aanleveren van de, bij brief van 29 april jl., door de bank verzochte informatie. Niet eerder dan na ontvangst van alle gevraagde informatie, kunnen wij deze beoordelen. Daarnaast constateert de bank dat thans ook sprake is van een additioneel verzuim nu u tot op heden niet heeft voldaan aan het verzoek van de bank om op grond van artikel 26 van de algemene voorwaarden additionele zekerheid te verstrekken, als evenzeer verzocht bij brief van 29 april 2013. (…)”

Rabobank heeft Pax Intrantibus tot 25 juli 2013 gegeven om alsnog de gevraagde informatie en documentatie aan te leveren, onder aanzegging van opzegging van de geldleenovereenkomsten en opeising van de geleende bedragen, indien zij geen of ontoereikende stukken van Pax Intrantibus zou ontvangen.

2.21.

Pax Intrantibus heeft Rabobank bij e-mail van 23 juli 2013 aanvullende stukken gezonden.

2.22.

Rabobank heeft bij brief van 7 augustus 2013 de geldleenovereenkomsten met Pax Intrantibus, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, opgezegd. De brief luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Tijdens onze bespreking op vrijdag 26 april jl. en in onze brieven aan u d.d. 29 april jl., 7 juni jl. en 11 juli jl. hebben wij u geïnformeerd dat Pax Intrantibus, MXT en WebAds [rechtbank: aan Pax Intrantibus gelieerde vennootschappen, waaraan Rabobank eveneens gelden had geleend] jegens de bank in verzuim zijn onder de thans vigerende financieringsvoorwaarden.

Dit verzuim bestaat onder meer uit het feit dat:

(1) Pax Intrantibus in strijd met de in 2012 met u gemaakte afspraken, niet de maandelijkse aflossingsverplichting van EUR 19.000 aan de bank voldoet,

(2) MXT en WebAds niet voldoen aan de op hen rustende S(olvabiliteits)-ratio;

(3) Pax Intrantibus in strijd met de financieringsvoorwaarden en zonder toestemming van de bank, aan WebAds een korting heeft verleend van EUR 100.000,00 p/j op de (aan de bank verpande) huurprijs m.b.t. het pand aan dc [adres 1];

(4) (…) Pax Intrantibus, MXT en WebAds naar aanleiding van het door de bank op 26 april jl. gedane verzoek en in strijd met de op hen rustende verplichting ex artikel 26 Algemene Bankvoorwaarden, aan de bank geen additionele zekerheid hebben verstrekt; en

(5) de bank tot op heden evenmin alle door haar verzochte informatie en documentatie heeft ontvangen doch dat uit de wel aangeleverde informatie inmiddels is gebleken dat sprake is van substantiële verliezen zonder dat duidelijk is hoe het tij gekeerd gaat worden.”

Rabobank heeft Pax Intrantibus gesommeerd al hetgeen Rabobank van Pax Intrantibus te vorderen had, aan haar te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

Pax Intrantibus vordert – in de kern – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Rabobank primair veroordeelt tot voortzetting van de geldleenovereenkomsten, althans tot nakoming in die zin dat Pax Intrantibus tot aflossing gehouden zal zijn waarbij de aflossing wordt vastgesteld en afgestemd op de bedrijfsontwikkelingen en wordt bepaald door een door de rechtbank te benoemen deskundige. Pax Intrantibus vordert verder een dwangsom, voor het geval Rabobank niet aan de veroordeling voldoet.

Subsidiair vordert zij een verklaring voor recht dat de geldleenovereenkomsten door Pax Intrantibus bij brief van 10 oktober 2013 (gedeeltelijk) zijn vernietigd. Tot slot vordert Pax Intrantibus, ten aanzien van zowel het primair als subsidiair gevorderde, voor recht te verklaren dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de geldleenovereenkomsten, althans onrechtmatig tegenover Pax Intrantibus heeft gehandeld, met veroordeling van Rabobank tot betaling van een schadevergoeding, op te maken bij staat. Pax Intrantibus vordert een en ander onder veroordeling van Rabobank in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente daarover.

3.2.

Pax Intrantibus legt – onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – aan haar vordering primair ten grondslag dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de geldleenovereenkomsten. In tegenstelling tot hetgeen partijen zijn overeengekomen, heeft Rabobank tussentijdse aflossingen van het krediet gevraagd die niet tijdelijk van aard zijn en die niet zijn gebaseerd op de bedrijfsontwikkelingen. Subsidiair stelt Pax Intrantibus dat zij heeft gedwaald. Rabobank heeft Pax Intrantibus niet medegedeeld dat Rabobanks bankbeleid met zich kon brengen dat tussentijdse aflossingen zouden veranderen in permanente aflossingen. Pax Intrantibus ging ervan uit dat de te betalen aflossing zou worden afgestemd op haar bedrijfsresultaten. Verder is Pax Intrantibus van mening dat Rabobank heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht, door het eenzijdig verhogen van Pax Intrantibus’ maandelijkse lasten, althans heeft Rabobank op die wijze onrechtmatig gehandeld. De hiervoor vermelde grondslagen leiden er volgens Pax Intrantibus tevens toe dat de geldleenovereenkomsten niet door Rabobank konden worden opgezegd, althans dat Pax Intrantibus niet gehouden kan zijn tot betaling van een permanente aflossing van EUR 19.000,- per maand, zonder dat rekening wordt gehouden met haar bedrijfsontwikkelingen. Verder is volgens Pax Intrantibus sprake van onvoorziene omstandigheden.

De opzegging door Rabobank is volgens Pax Intrantibus onrechtmatig gedaan. Rabobank heeft de opzegging gebaseerd op het niet voldoen van de aflossing, terwijl Pax Intrantibus meent dat zij niet tot (de door Rabobank beoogde) aflossing is gehouden. De opzegging is niet in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus Pax Intrantibus.

3.3.

Rabobank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

opzegging geldleenovereenkomsten

4.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of Rabobank de met Pax Intrantibus gesloten geldleenovereenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd. Indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, dan moet de rechtsgeldigheid daarvan worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929).

4.2.

De rechtbank zal in de eerste plaats beoordelen of Rabobank bevoegd was de geldleenovereenkomsten met Pax Intrantibus op te zeggen. Tussen partijen is niet in geschil dat Rabobank bij niet nakoming van de verplichtingen door Pax Intrantibus de geldleenovereenkomsten kan opzeggen. De gronden voor de opzegging van de geldleenovereenkomsten heeft Rabobank vermeld in haar opzeggingsbrief van 7 augustus 2013 (zie hiervoor onder 2.22). Anders dan Pax Intrantibus heeft gesteld volgt uit de inhoud van deze brief reeds dat Rabobank niet (uitsluitend) gewijzigd bankbeleid, volgens Pax Intrantibus inhoudende dat geldleningen binnen 25 jaar dienen te zijn afgelost, aan de opzegging ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of en in welke mate Pax Intrantibus tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de geldleenovereenkomsten.

4.3.

Volgens Pax Intrantibus was zij niet gehouden tussentijds af te lossen, nu de in de geldleenovereenkomsten overeengekomen termijn van vijf jaar nog niet was verstreken op het moment dat Rabobank voor de eerste maal, te weten in september 2009, om tussentijdse aflossingen verzocht. Daarnaast heeft Rabobank de door haar verzochte tussentijdse aflossingen niet gebaseerd op ontwikkelingen in het bedrijf, of de bedrijfstak van Pax Intrantibus. Tevens brengt een taalkundige uitleg, althans een redelijke uitleg, van de geldleenovereenkomsten met zich mee dat aflossingen uitsluitend tijdelijk kunnen worden geëist. Partijen zijn immers aflossingsvrije hypothecaire geldleningen voor onbepaalde tijd overeengekomen. Een (eenzijdige) wijziging van het wezenskenmerk van de geldleenovereenkomsten, waarin de maandlasten voor een periode van 25 jaar met EUR 19.000,- per maand worden verhoogd, valt daarmee niet op één lijn te stellen, aldus Pax Intrantibus.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat Rabobank op grond van artikel 26 van de Algemene Voorwaarden 2001/2006 tussentijdse aflossingen kan eisen, in het geval de waarde van een registergoed naar het oordeel van de Bank daartoe aanleiding geeft.

In artikel 16 sub f van de Algemene Voorwaarden 2001 en artikel 16 lid 2 sub o van de Algemene Bankvoorwaarden 2006 is voorts bepaald dat de geldlening onmiddellijk kan worden opgeëist indien de bank gegronde vrees heeft dat het door de debiteur verschuldigde niet of niet geheel op de opbrengst van zekerheden kan worden verhaald, dan wel wanneer ten behoeve van de Bank verbonden goederen in waarde zijn verminderd. Met de overgelegde taxatierapporten heeft Rabobank voldoende onderbouwd dat de waarde van de zekerheden, waaronder het hypotheekrecht op de bedrijfspanden, aanzienlijk was afgenomen. Uit deze rapporten volgt dat de marktwaarde van de bedrijfspanden de vordering van Rabobank niet dekt. Pax Intrantibus heeft de inhoud van deze taxatierapporten onvoldoende gemotiveerd betwist. Pax Intrantibus heeft ter comparitie – kort gezegd - slechts aangevoerd dat de in de taxatierapporten gestelde waardedalingen van de bedrijfspanden niet realistisch zijn. Pax Intrantibus heeft echter nagelaten, hoewel daartoe meermalen door Rabobank in de gelegenheid te zijn gesteld, zelf taxatierapporten over te leggen. De rechtbank zal de inhoud van de taxatierapporten derhalve als uitgangspunt nemen. Pax Intrantibus heeft desgevraagd geen aanvullende zekerheid verstrekt.

Pax Intrantibus heeft voorts niet betwist dat zij aan WebAds een huurkorting van

€ 100.000,- per jaar heeft verleend. Ook deze huurverlaging brengt een aanzienlijke vermindering mee van de waarde van de zekerheidsrechten van Rabobank, nu de huurpenningen aan Rabobank zijn verpand. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Rabobank heeft Pax Intrantibus haar stelling dat Rabobank bekend was met de door haar aan WebAds verleende huurkorting en daarmee ook heeft ingestemd, onvoldoende nader onderbouwd. Pax Intrantibus heeft immers nagelaten feitelijk en concreet te stellen wanneer zij een en ander aan Rabobank heeft meegedeeld en op welke wijze. Daarnaast blijkt nergens uit dat Rabobank met deze huurverlaging heeft ingestemd. Gelet hierop zal de rechtbank het bewijsaanbod van Pax Intrantibus passeren.

Tenslotte heeft Rabobank er nog op gewezen dat indien de door Pax Intrantibus voorgestane uitleg van de geldleenovereenkomsten zou worden gevolgd, ook de ontwikkelingen in het bedrijf van Pax Intrantibus aanleiding gaven aflossingen te eisen. Door een verminderde rentabiliteit binnen Pax Intrantibus en een verminderde waarde van de onderpanden bestond er geen evenwicht meer tussen de rentabiliteit van de onderneming, de uitstaande financieringen en de onderliggende zekerheden. Pax Intrantibus heeft deze stelling van Rabobank op geen enkele wijze betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan.

4.5.

Gezien het vorenstaande was Rabobank bevoegd op grond van artikel 26 van de Algemene Voorwaarden tussentijdse aflossingen te verlangen, daar de waarde van de bedrijfspanden daartoe aanleiding gaf. De inhoud van de geldleenovereenkomsten staat daar niet aan in de weg. Vast staat dat Pax Intrantibus aan deze verplichting niet heeft voldaan. Daarnaast had Rabobank op grond van artikelen 16 van de Algemene (Bank)voorwaarden de bevoegdheid de geldleenovereenkomsten op te zeggen, daar – kort gezegd – de gestelde zekerheden onvoldoende waren geworden. Pax Intrantibus heeft voorts niet betwist dat het zonder toestemming van Rabobank verlenen van de huurkorting op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden op zichzelf al voor Rabobank grond kan zijn voor rechtmatige opzegging van de geldleenovereenkomsten. Pax Intrantibus heeft evenmin voldoende betwist dat zij de door Rabobank gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd en dat uit de wel overgelegde informatie is gebleken dat sprake is van substantiële verliezen. De enkele verwijzing door Pax Intrantibus naar de door haar bij e-mail van 23 juli 2013 overgelegde stukken is daartoe in ieder geval onvoldoende. Rabobank had, naar zij heeft gesteld, hierdoor gegronde vrees dat Pax Intrantibus ook op andere punten tekort zou gaan schieten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Rabobank, hetgeen Rabobank op grond van artikel 16 lid 2 onder j van de Algemene Voorwaarden 2006 het recht geeft tot het onmiddellijk opeisen van de geldleningsovereenkomsten. Het niet voldoen aan de maandelijkse aflossingen van EUR 19.000,- was dan ook niet de enige reden op grond waarvan Rabobank de bevoegdheid had tot het tussentijds opzeggen van de geldleenovereenkomsten over te gaan.

4.5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Pax Intrantibus onvoldoende omstandigheden aangevoerd die maken dat de opzegging van de geldleenovereenkomsten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Pax Intrantibus heeft weliswaar naar voren gebracht dat het Rabobank bekend was, dan wel bekend moest zijn, dat Pax Intrantibus de aflossingen niet zou kunnen dragen, maar Rabobank heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Zo heeft zij erop gewezen dat Pax Intrantibus haar nimmer heeft medegedeeld dat zij de aflossingen niet zou kunnen voldoen. Rabobank heeft onbetwist gesteld dat de jaarlijkse rentelasten EUR 293.435,- bedroegen en dat de huurinkomsten minimaal EUR 411.900,- bedroegen. Volgens Rabobank kon Pax Intrantibus het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van EUR 118.465,- gebruiken voor de aflossing. Daarnaast gebruikte Pax Intrantibus volgens Rabobank liquiditeiten om de uitbreiding van haar bedrijfsactiviteiten naar het buitenland te financieren. Pax Intrantibus is niet concreet op deze argumenten ingegaan, terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht. Pax Intrantibus heeft ook nimmer een concreet voorstel gedaan welk bedrag aan maandelijkse aflossingen in haar ogen wel aanvaardbaar zou zijn. De rechtbank moet het er daarom, gelet op het gemotiveerde verweer van Rabobank, voor houden dat het voor Pax Intrantibus mogelijk was om de aflossingen te kunnen voldoen. Het enkele feit dat met een maandelijkse aflossing van EUR 19.000,- per maand de geldleenovereenkomsten in 25 jaar geheel zijn afgelost betekent nog niet het opzeggen van de geldleenovereenkomsten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daar komt nog bij dat uit de onder de feiten weergegeven correspondentie tussen partijen blijkt dat partijen al sinds 2009 met elkaar in gesprek zijn om tot een passende oplossing te komen. Zoals hiervoor is overwogen is er sprake van diverse tekortkomingen aan de zijde van Pax Intrantibus en heeft Rabobank Pax Intrantibus diverse malen gewaarschuwd dat deze tekortkomingen konden leiden tot opzegging van de financieringsovereenkomsten hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd.

4.5.2.

De primaire vordering ligt dan ook voor afwijzing gereed. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tevens tot de conclusie dat Rabobank in zoverre niet in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld, dan wel dat Rabobank is tekortgeschoten in het nakomen van haar verplichtingen voortvloeiende uit de geldleenovereenkomsten. De gevorderde verklaring voor recht zal eveneens worden afgewezen.

dwaling

4.6.

Pax Intrantibus heeft gesteld dat Rabobank haar had moeten meedelen dat de desbetreffende bepaling in de geldleningsovereenkomsten, zoals hierboven weergegeven ook kan inhouden dat Rabobank de voorwaarden eenzijdig kan wijzigen, waarbij de ontwikkelingen in het bedrijf juist niet relevant zijn, maar alles is gebaseerd op het gewijzigde Bankbeleid. Toen de crisis in 2008/2009 begon heeft Rabobank besloten haar beleid aan te passen, in die zin dat de financiering binnen 25 jaar geheel afgelost diende te zijn. De geldleenovereenkomsten zijn dan ook onder invloed van dwaling totstandgekomen. Indien Pax Intrantibus hiervan op de hoogte was geweest dan had zij de geldleenovereenkomsten niet gesloten, aldus Pax Intrantibus.

4.7.

De rechtbank overweegt het volgende. Zoals hiervoor onder 4.4 is aangegeven stond zowel in de geldleenovereenkomsten als in de Algemene Voorwaarden vermeld dat Rabobank het recht heeft om tussentijds aflossingen te verlangen. Pax Intrantibus is aan te merken als een professionele partij, van wie – meer nog dan van een consument – mag worden verwacht dat zij alvorens het aanbod van Rabobank te aanvaarden kennisneemt van de inhoud van de geldleenovereenkomsten en de Algemene Voorwaarden en hierover vragen stelt indien de bepalingen haar onduidelijk zijn. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien hoe en waarover Rabobank Pax Intrantibus nog nader had moeten informeren. Uit de inhoud van de opzeggingsbrief blijkt ook duidelijk dat het door Pax Intrantibus genoemde gewijzigde bankbeleid, wat daar verder ook van zij, voor Rabobank niet de (enige) reden is geweest om tussentijdse aflossingen te eisen. Het beroep op dwaling faalt derhalve.

onvoorziene omstandigheden

4.8.

Daargelaten dat Pax Intrantibus haar beroep op onvoorziene omstandigheden niet concreet heeft onderbouwd, zo stelt zij bijvoorbeeld niet waaruit de onvoorziene omstandigheden bestaan, verbindt zij daaraan ook geen vordering. Het beroep op onvoorziene omstandigheden behoeft daarom geen inhoudelijke beoordeling.

onrechtmatig handelen bij afwikkeling opzegging

4.9.

Pax Intrantibus wordt niet gevolgd in haar stelling dat Rabobank bij de afwikkeling van de opzegging onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld. Rabobank behoefde niet zonder meer in te stemmen met het voorstel van Pax Intrantibus tot verkoop van de bedrijfspanden, onder kwijtschelding van de restschuld. Naar Pax Intrantibus stelt zou de verkoopopbrengst tussen EUR 3.550.000,- en EUR 3.900.000,- liggen. Pax Intrantibus is echter aan Rabobank aanzienlijk meer verschuldigd. Van Rabobank behoeft niet te worden verwacht dat zij de restantschuld voor haar rekening neemt. Noch naar hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, noch beoordeeld naar de maatstaven van de bijzondere zorgplicht, heeft Rabobank onrechtmatig gehandeld door niet met het voorstel in te stemmen.

conclusie

4.10.

De slotsom is dat Rabobank gerechtigd was de geldleenovereenkomsten op te zeggen, dat zij niet toerekenbaar tegenover Pax Intrantibus is tekortgeschoten, noch onrechtmatig heeft gehandeld en dat Pax Intrantibus bij het sluiten van de geldleenovereenkomsten niet heeft gedwaald. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.11.

Pax Intrantibus zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Rabobank begroot op EUR 608,- aan griffierecht en op EUR 6.422,- (2 punten x tarief EUR 3.211,-) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Pax Intrantibus in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op EUR 7.030,-;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. A.H.E. van der Pol, rechters, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.1

1 type: ERMcoll: