Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3918

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
4161192 KK EXPL 15-736
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Sociale Verzekeringsbank moet vanwege te late betalingen aan een zorgverlener een wettelijke verhoging van 25 procent van het loon betalen. Normaliter geldt een dergelijke wettelijke verhoging alleen voor werkgevers die te laat betalen. Maar omdat het SVB tegenwoordig rechtstreeks aan zorgverleners moet uitkeren, acht de kantonrechter deze wettelijke bepaling ook van toepassing op de SVB.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 625
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1162
JAR 2015/174
AR-Updates.nl 2015-0581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton, kort geding

zaaknummer: 4161192 KK EXPL 15-736

vonnis van: 19 juni 2015

Vonnis van de kantonrechter in kort geding

Inzake:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres, nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. E.F. van der Goot

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon Sociale Verzekeringsbank

gevestigd te Amstelveen

gedaagde, nader te noemen: SVB

gemachtigde: mr. N.H.A. van Duuren

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding - met producties - van 29 mei 2015 heeft [eiseres] een voorziening gevorderd. Voorafgaand aan de zitting heeft SVB meerdere stukken ingezonden. [eiseres] heeft een akte verandering van eis genomen.

Ter terechtzitting van 5 juni 2015 is de zaak mondeling behandeld. [eiseres] is verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. SVB is verschenen bij mevrouw [naam] en twee belangstellenden. Als gemachtigden van SVB zijn gezamenlijk opgetreden mrs. N.H.A. van Duuren en M. Wijs.

Beide partijen hebben een toelichting verstrekt, mede aan de hand van de overgelegde pleitnotities. De kantonrechter heeft vragen gesteld. Van het besprokene zijn aantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen.

Vonnis is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende:

1.1.

[eiseres] verleent op maximaal drie dagen per week zorg en begeleiding aan mevrouw [naam 1] (verder: [naam 1]). Er is tussen [eiseres] en [naam 1] ter uitvoering daarvan op 1 juli 2013 een overeenkomst gesloten overeenkomstig een voorbeeld van SVB. Uit hoofde van die overeenkomst is [eiseres] bij [naam 1] in dienst getreden; tussen [eiseres] en [naam 1] is sprake van een arbeidsovereenkomst.

1.2.

[eiseres] wordt voor haar werkzaamheden betaald uit het persoons-gebonden-budget van [naam 1] (verder: het pgb). Voor de awbz-uren (de persoonlijke verzorging van [naam 1]) is een bedrag van € 20,00 bruto per uur overeengekomen en voor de wmo-uren (begeleiding) een bedrag van € 24,00 bruto per uur.

1.3.

Tot en met 31 december 2014 was [naam 1] zelf verantwoordelijk voor de uitbetaling van het loon van [eiseres]. Sinds 1 januari 2015 is deze loonbetalingsverplichting op grond van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling WMO 2015 (verder: Uvr WMO 2015) overgedragen aan SVB. SVB dient daarbij de wettelijk verplichte afdrachten voor [eiseres] in te houden.

1.4.

Artikel 2 lid 5 van de Uvr WMO 2015 luidt:
De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, binnen 30 dagen na ontvangst van de declaratie door de Sociale verzekeringsbank, tenzij een betaling geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. Betalingen die [….] zijn geweigerd kunnen na goedkeuring door de Sociale verzekeringsbank binnen 30 dagen alsnog worden verricht.

1.5.

In het kader van deze verplichting dient ([eiseres] voor) [naam 1] maandelijks twee urenbriefjes aan SVB op te sturen; voor de awbz- uren en voor de wmo-uren. [eiseres] heeft dat steeds vrijwel meteen na afloop van de maand gedaan. De door [eiseres] ingediende declaraties zijn door SVB niet binnen de daartoe gestelde termijn geweigerd.

1.6.

In de maanden januari - april 2015 heeft [eiseres] voor [naam 1] steeds per maand 28 uur aan persoonlijke verzorging en tussen de 30,5 tot 51 uur aan begeleiding besteed. [eiseres] heeft een bedrag van € 5.876,00 bruto over de maanden januari tot en met april 2015 gedeclareerd. Omgerekend had [eiseres] recht op een bedrag van € 4.759,43 netto.

1.7.

[eiseres] heeft drie betalingen van SVB ontvangen: op 24 februari 2015
€ 560,00, op 4 maart € 525,00 en op 17 maart 2015 € 315,00 (totaal € 1.400,00 netto). Na dagvaarding, op 3 juni 2015, heeft SVB in vijf delen nog het bedrag van totaal € 3.359,43 netto aan [eiseres] voldaan. Nadien heeft SVB [eiseres] deels dezelfde bedragen nog een keer betaald.

Vordering

2. [eiseres] vordert - na de wijziging van eis - als voorziening veroordeling van SVB tot betaling
I. van de declaraties van [eiseres] uit het pgb van [naam 1], binnen dertig dagen na de door [eiseres] aan te tonen datum van ontvangst van de respectievelijke declaratie, tenzij zij binnen deze termijn geheel of gedeeltelijk door de SVB wordt geweigerd, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat de SVB nalaat aan deze veroordeling te voldoen;
II. van een voorschot op de materiële schade die [eiseres] lijdt en heeft geleden, groot € 1.679,72, althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter in goede justitie juist en redelijk voorkomt;
III. van een voorschot op de immateriële schade die [eiseres] lijdt en heeft geleden, groot € 250,00 althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter in goede justitie juist en redelijk voorkomt;
alles met veroordeling van SVB in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten, met het verzoek die nakosten forfaitair vast te stellen op een bedrag van
€ 131,00 te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening en met € 258,00 in geval van beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente over de gehele proceskostenveroordeling, vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot en met de dag der voldoening.

3. Vordering I - veroordeling tot betaling op straffe van een dwangsom
[eiseres] stelt - verkort weergegeven - met betrekking tot de vordering sub I. dat SVB eerst na dagvaarding [eiseres] het verschuldigde loon over de maanden januari tot en met april 2015 heeft betaald. En hoewel SVB nu eindelijk bij is met de betalingen, wil [eiseres] voorkomen dat zij in de toekomst weer naar de rechter moet om betaling te verkrijgen. Als [eiseres] alleen zou verzoeken SVB te veroordelen tot nakoming van haar wettelijke verplichting, zou die veroordeling een lege huls zijn wanneer daar geen dwangsom aan wordt verbonden. [eiseres] heeft er geen vertrouwen in dat SVB haar wettelijke verplichting stipt zal nakomen.

4. Vordering II - voorschot op materiële schadevergoeding
Met betrekking tot de vordering sub II. stelt [eiseres] dat voor een schade-vergoeding uit hoofde van te late loonbetaling een wettelijke regeling bestaat, namelijk die van artikel 7: 625 BW. Deze wettelijke verhoging kan oplopen tot de helft van het verschuldigde bedrag. In dat verband vordert [eiseres] van SVB betaling van het bedrag van € 1.679,72, te weten de helft van het netto bedrag dat op 1 juni 2015 openstond. SVB kan rechtstreeks voor deze schadevergoeding worden aangesproken, nu juridisch de schade het gevolg is van de onrechtmatige daad, die SVB pleegt jegens [naam 1], wanneer er niet binnen de wettelijke rente termijn tot betaling wordt overgegaan.

5. Vordering III - voorschot op immateriële schadevergoeding
Door de wanbetaling zijdens SVB is [eiseres] aangetast in haar persoon. Zij heeft haar kinderen veel noodzakelijke zaken onthouden en dat kwetst haar zeer. Op grond daarvan is SVB gehouden tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 250,00.

Verweer

6. SVB meent dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen en voert - kort gezegd - daartoe allereerst aan dat de zaak niet meer spoedeisend is, nu [eiseres] inmiddels door de betalingen van 3 juni 2015 al hetgeen waar zij recht op heeft, heeft ontvangen (zelfs meer dan dat door de dubbele betalingen). SVB betreurt dat de uitbetalingen van het pgb niet goed zijn verlopen, maar zij is niet bereid te accepteren dat toekomstige declaraties van [eiseres] dienen te worden voldaan binnen de daartoe voorgeschreven termijn op straffe van een dwangsom. SVB is evenmin bereid materiële en immateriële schade van [eiseres] te vergoeden. Dit vanwege de precedentwerking en de druk op de collectieve lasten.

7. Daarnaast voert SVB nog het volgende aan.

8. Vordering I - veroordeling tot betaling op straffe van een dwangsom
Op grond van artikel 2 lid 5 Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is SVB reeds verplicht betalingen binnen dertig dagen uit te voeren. Veroordeling daartoe hoeft derhalve niet plaats te vinden. Bovendien betreft het feitelijk de betaling van een geldsom, waarvan artikel 611a Rv bepaalt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd.

9. [eiseres] heeft inmiddels dubbel uitbetaald gekregen en SVB laat het aan [eiseres] of zij deze dubbele betaling wil verrekenen met toekomstige betalingen uit hoofde van het pgb van [naam 1] of deze wil retourneren.

10. Vordering II - voorschot op materiële schadevergoeding
SVB stelt dat de vordering van [eiseres] - voor zover deze stoelt op artikel 7: 625 BW - dient te worden afgewezen, nu niet zij maar [naam 1] als werkgever van [eiseres] geldt. SVB kan derhalve niet als werkgever voor een te late loonbetaling worden aangesproken. Bovendien kan [naam 1] van de te late betalingen door SVB geen verwijt worden gemaakt, hetgeen aan toewijzing van de vordering van [eiseres] in de weg staat.

11. Vordering III - voorschot op immateriële schadevergoeding
Niet duidelijk is wie het leed heeft geleden, waarvan [eiseres] vergoeding wil: [eiseres] zelf of haar kinderen. Uit de stellingen van [eiseres] volgt immers dat [eiseres] haar kinderen wil compenseren voor het leed dat zij zouden hebben ondervonden door het feit dat [eiseres] geen betaling ontving. [eiseres] is echter de eisende partij; het leed van haar kinderen kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 BW niet aan [eiseres] worden vergoed. Bovendien is er geen ruimte om een immateriële schadevergoeding in kort geding toe te wijzen. Het rechtvaardigt geen onmiddellijke voorziening.

12. Ook wijst SVB op het restitutierisico als een immateriële schadevergoeding wordt toegewezen.

Beoordeling

13. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerecht-vaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

13. Het meest verstrekkende verweer van SVB is dat de vordering van [eiseres] niet (meer) spoedeisend is. Deze opvatting wordt door de kantonrechter niet gedeeld. Het gaat om de inkomsten van [eiseres] die strekken tot haar levensonderhoud. Dat levert voldoende spoedeisend belang op, ook al is de loonvordering van [eiseres] tot en met april 2015 door SVB daags voor de zitting voldaan.

13. Vordering I - veroordeling tot betaling op straffe van een dwangsom
Vaststaat dat SVB wettelijk gehouden is binnen 30 dagen na ontvangst van de declaratie van [eiseres] tot betaling uit het pgb van [naam 1] over te gaan, tenzij een betaling geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. Evenzeer staat vast dat SVB zich op het moment van dagvaarding niet aan die verplichting heeft gehouden.

13. Nu op SVB reeds wettelijk de verplichting rust voor tijdige betaling zorg te dragen en SVB zulks ook niet ontkent, ziet de kantonrechter geen reden om de vordering tot veroordeling van SVB tot nakoming van haar wettelijke verplichtingen toe te wijzen.

13. De gevorderde dwangsom maakt dat niet anders; de vordering van [eiseres] tot veroordeling van SVB om haar verplichtingen na te komen op straffe van een dwangsom, is de facto een vordering tot betaling van een geldsom (namelijk die van de declaratie van [eiseres]). Daaraan kan ingevolge het bepaalde in artikel 611a Rv geen dwangsom worden verbonden (vgl HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602). Mede van belang hierbij is hetgeen in het hiernavolgende met betrekking tot artikel 7: 625 BW wordt overwogen.

13. Vordering II - voorschot op materiële schadevergoeding
[eiseres] heeft haar vordering ter zake terecht gegrond op het bepaalde in artikel 7:625 BW. Artikel 7:625 BW is immers bedoeld als de prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen. Of de werknemer daadwerkelijk schade heeft geleden door de vertraging in de betaling, is daarbij overigens niet relevant.

13. De kantonrechter is van oordeel dat, daar waar SVB op grond van de wettelijke regeling gehouden is voor [naam 1] het loon van [eiseres] te voldoen, ook op SVB uit hoofde van titel 10 van Boek 7 BW de verplichting rust zulks tijdig te doen. Zij kan zich bij ontijdige betaling niet verschuilen achter het argument dat de werkgever [naam 1] is en evenmin dat [naam 1] de ernstige vertraging in de loonbetaling niet valt toe te rekenen, omdat die verplichting op SVB rust. Voor zover SVB zich voor zichzelf op overmacht heeft willen beroepen, heeft zij dit beroep onvoldoende onderbouwd. Bovendien is reeds sprake van toerekenbaarheid (bij SVB) indien - zoals in casu - de niet tijdige betaling in haar risicosfeer valt. Een (mogelijke) precedentwerking, de bijzondere positie van SVB of een (mogelijke) druk op de collectieve middelen maken immers niet dat de rechten van [eiseres] mogen worden geschonden.

13. SVB heeft tegen de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag, overeen-komend met 50% van het openstaande bedrag op 1 juni 2015, geen inhoudelijk verweer gevoerd. De kantonrechter ziet echter in de omstandigheden van het geval aanleiding om de wettelijke verhoging te beperken tot 25% van het per 1 juni 2015 openstaande bedrag, nu dit haar met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt.

13. Deze wettelijke verhoging dient te worden berekend over het openstaande bruto loon. Aangezien partijen in de stukken slechts het per 1 juni 2015 netto openstaande bedrag noemen zal de kantonrechter toewijzen het bruto equivalent van 25% van het open-staande netto bedrag, hetgeen door de kantonrechter schattenderwijs is vastgesteld op een bedrag van € 1.100,00. Dit bedrag geldt als voorschot op het bedrag dat in de bodemprocedure naar verwachting zal worden bepaald.

13. Vordering III - voorschot op immateriële schadevergoeding
Dit deel van de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. Bij iedere ontijdige betaling geldt dat de wederpartij daarvan (ernstige) hinder en ongemak ondervindt. Voor een immateriële schadevergoeding is meer vereist dan dat en in deze procedure is daarvan (thans nog) niet gebleken.

13. Dit alles betekent dat de vorderingen van [eiseres] worden toegewezen, zoals hieronder bepaald.

13. SVB wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [eiseres], de nakosten daaronder begrepen. De kantonrechter ziet daarbij geen aanleiding om reeds bij voorbaat meer nakosten toe te wijzen dan te doen gebruikelijk.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt SVB tot betaling aan [eiseres] van het bedrag van € 1.100,00 ten titel van voorschot op de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW;

veroordeelt SVB in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op en te betalen als volgt:
€ 78,00 aan [eiseres] voor het griffierecht
€ 400,00 aan [eiseres] voor salaris gemachtigde
€ 23,54 aan [eiseres] voor een deel van de explootkosten
€ 70,64 aan het LDCR voor een deel van de explootkosten na
een daartoe van het LDCR verkregen nota
-----------------
€ 572,18 voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt SVB tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en SVB niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.


Aldus gewezen door mr M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter