Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3917

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
C/13/461948 / HA ZA 10-1929
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2014:6217
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op de uitspraak van 24 september 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:6217) in de zaak van een advocaat tegen een oud-rechter. Schadeberekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/461948 / HA ZA 10-1929

Vonnis van 17 juni 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna wederom [eiser], [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 september 2014;

- de akte na tussenvonnis tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- de antwoordakte na tussenvonnis, met producties;

- de akte uitlaten producties tevens verzoek pleidooi;

- de antwoordakte verzoek pleidooi;

- de rolbeslissing van 17 december 2014;

- het proces-verbaal van pleidooi van 10 april 2015, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De gewijzigde vorderingen

In de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1]

2.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

(i) voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan [eiser] toegebrachte schade;

(ii) [gedaagde sub 1] veroordeelt:

primair om aan [eiser] te betalen EUR 4.421.995,00 vermeerderd met P.M., te vermeerderen met de wettelijke samengestelde rente vanaf 1 november 2014;

subsidiair om aan [eiser] te betalen een door de rechtbank te begroten bedrag zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

meer subsidiair de aan [eiser] toegebrachte schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en als voorschot daarop aan [eiser] te betalen EUR 1.490.000,00;

(iii) [gedaagde sub 1] veroordeelt in de kosten van het geding.

In de zaak tussen [eiser] en de Staat

2.2.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, subsidiair dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat het door de Staat casu quo de Raad voor de rechtspraak in de brief de dato 4 november 2014 aan [eiser] ingenomen standpunt “dat de vrijwaring niet van toepassing is als onherroepelijk komt vast te staan dat de heer [gedaagde sub 1] willens en wetens schade heeft toegebracht” rechtens onjuist is en de Staat, al dan niet hoofdelijk naast [gedaagde sub 1], veroordeelt de schade van [eiser] aan [eiser] te betalen, zulks op grond van de in augustus 2009 aan [gedaagde sub 1] gegeven vrijwaring voor alle aanspraken van [eiser] die verband houden met de gevoerde procedures.

3 De verdere beoordeling

In de zaak tussen [eiser] en de Staat

3.1.1.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft de advocaat van [eiser] op voorhand aan de rechtbank, de advocaat van [gedaagde sub 1] en de advocaat van de Staat de akte houdende overlegging producties en wijziging c.q. aanvulling van eis toegezonden die ter zitting van 10 april 2015 is genomen. Die akte bevat de hiervoor onder 2.2 vermelde wijziging van eis.

3.1.2.

Bij brief van 7 april 2015 heeft de advocaat van de Staat de rechtbank op de in die brief vermelde gronden verzocht vóór 10 april 2015 te beslissen dat de bedoelde wijziging van eis niet wordt toegelaten. Hij heeft hieraan toegevoegd: “Mocht het niet mogelijk zijn om voor de hiervoor genoemde datum een beslissing te nemen dan zal ik 10 april a.s. verschijnen om te bepleiten dat de aanvulling van eis niet moet worden toegelaten”.

3.1.3.

Bij e-mailbericht van 7 april 2015 heeft de advocaat van [eiser] op die brief van de advocaat van de Staat gereageerd.

3.1.4.

Naar aanleiding van de hiervoor onder 3.1.2 vermelde brief en het hiervoor onder 3.1.3 vermelde e-mailbericht heeft de griffier bij brief van 7 april 2015 aan de advocaat van [eiser] en de advocaat van de Staat medegedeeld dat op de eiswijziging in het eerstvolgende vonnis zal worden beslist en dat de Staat ter zitting van 10 april 2015 niet hoeft te verschijnen.

3.2.1.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser], voor zover hier van belang, bij dagvaarding heeft gevorderd: (i) een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de Staat onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de door hen aan [eiser] toegebrachte schade en (ii) een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de Staat om de aan [eiser] toegebrachte schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. In het tussenvonnis van 9 maart 2011 zijn die vorderingen, voor zover gericht tegen de Staat, volledig behandeld en beoordeeld. Onderdeel 8 van dat tussenvonnis draagt de titel “Onrechtmatig handelen van de Staat”. Rechtsoverweging 8.8 van dat tussenvonnis luidt: “Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eiser] geen sprake is. De vordering van [eiser] op dit onderdeel zal bij eindvonnis worden afgewezen, met zijn veroordeling in de proceskosten van de Staat”. Die conclusie bevat geen enkel voorbehoud. De zaak tussen [eiser] en de Staat is aldus vier jaar geleden feitelijk afgedaan. Overigens geldt hetzelfde voor de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 2].

3.2.2.

[eiser] stelt dat de hiervoor onder 2.2 vermelde brief van 4 november 2014 een “frontverandering” inhoudt die de eiswijziging noodzakelijk maakt. [eiser] betoogt dat de Staat onder alle omstandigheden gehouden is [gedaagde sub 1] te vrijwaren ter zake van de door hem, [gedaagde sub 1], te betalen schadevergoeding en dat hij, [eiser], in dat verband rechtstreekse aanspraken heeft jegens de Staat.

3.2.3.

Wat daarvan ook zij, met de wijziging van eis introduceert [eiser] – ter gelegenheid van de afrondende pleidooien in de zaak tegen [gedaagde sub 1] – vier jaar na de hiervoor onder 3.2.1 bedoelde feitelijke afdoening in de zaak tegen de Staat een nieuw petitum dat gebaseerd is op nieuwe feitelijke en juridische grondslagen. Met andere woorden zet [eiser] in de zaak tegen de Staat, geruime tijd na het feitelijk bereiken van de eindbestemming, te elfder ure een geheel nieuwe koers in. Dat kan, met het oog op de eisen van een goede procesorde, niet worden aanvaard. De door [eiser] gestelde omstandigheid dat de wijziging van eis “ziet op een onderwerp dat in november 2014 reeds bij gelegenheid van een kort geding aan de orde is geweest” (brief van 25 maart 2015 van zijn advocaat) leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal de wijziging van eis dan ook buiten beschouwing laten.

In de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1]

3.3.

[gedaagde sub 1] verzoekt de rechtbank terug te komen van het oordeel dat hij in de door hem tegen [eiser] aangespannen zaak bewust onwaarheid heeft gesproken (te weten: “ik heb niet gebeld met advocaten in de Chipsholzaak”). [gedaagde sub 1] wijst op de volgende passage uit het tussenvonnis van 24 september 2014:

“[gedaagde sub 1] heeft zich zowel in de dagvaarding, waarin hij betwist ‘onderonsjes’ te hebben gehad met advocaten in zaken waarin hij als rechter betrokken is, als in zijn getuigenverklaringen in algemene bewoordingen uitgelaten. Het had op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen zijn stellingen zorgvuldiger te verwoorden als het zijn bedoeling was geweest bepaalde gesprekken niet te willen ontkennen. Door te kiezen voor een algemene formulering, niet toegespitst op een bepaalde periode, kon daaruit in redelijkheid worden afgeleid dat hij beweerde nooit met Chipsholadvocaten te hebben gebeld. [gedaagde sub 1] had kunnen en moeten voorzien dat anderen zijn stellingen deze ruime uitleg zouden geven” (rechtsoverweging 2.9).

[gedaagde sub 1] betoogt vervolgens dat “het (‘culpose’) verwijt dat hij ‘had kunnen en moeten voorzien dat anderen zijn stellingen deze ruime uitleg zouden geven’ (een uitleg waarvan de rechtbank dus mogelijk acht dat [gedaagde sub 1] die zelf niet beoogde!) veel minder ver gaat dan het door de door rechtbank voor het aannemen van een processuele onrechtmatige daad gehanteerde (‘doleuse’) criterium van willens en wetens onwaarheid spreken”.

[gedaagde sub 1] miskent met dit alles echter dat het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op de gebleken feitelijke onjuistheid van zijn stelling over het bellen (met advocaten in de Chipsholzaak in het algemeen en met [eiser] in het bijzonder) en op het verwijt dat [gedaagde sub 1] op dat punt kan worden gemaakt. In het tussenvonnis van 9 maart 2011 is het als volgt verwoord:

“In de loop van de door [gedaagde sub 1] tegen [eiser] aangespannen procedure heeft [gedaagde sub 1] erkend in 1997 rechtstreeks telefonisch contact te hebben gehad met [naam 1], opvolger van [eiser] in de Chipsholzaak. De centrale stelling van [gedaagde sub 1] (“ik heb niet gebeld met advocaten in de Chipsholzaak”) was dus in ieder geval onjuist. Dit kan [gedaagde sub 1] worden verweten. Voorzover hij heeft aangevoerd dat zijn centrale stelling slechts zag op telefoongesprekken in 1994 en/of slechts zag op gesprekken over de inhoud van de zaak, had het op zijn weg gelegen zijn stelling zorgvuldiger te verwoorden, zodat daarover geen misverstand kon bestaan. Door te kiezen voor een algemene formulering, niet toegespitst op een bepaalde periode, kon daaruit in redelijkheid worden afgeleid dat hij beweerde nooit met Chipsholadvocaten te hebben gebeld, met de schadelijke voorzienbare gevolgen voor [eiser] van dien. Indien komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] niet alleen met [naam 1], maar ook met [eiser] heeft gebeld, is de centrale stelling in haar geheel onjuist. Het moet er dan bovendien voor worden gehouden dat [gedaagde sub 1] die onjuiste centrale stelling willens en wetens aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Bij het telefoongesprek met [eiser] was hij immers gesprekspartner. [gedaagde sub 1] heeft op dit punt nooit een slag om de arm gehouden, in die zin dat hij zich mogelijk heeft vergist, of gebeurtenissen is vergeten. Integendeel: vanaf 2004 heeft hij voortdurend en stellig ontkend dat een telefoongesprek tussen hem en [eiser] heeft plaatsgevonden. Mocht dus blijken dat hij wel met [eiser] heeft gebeld, dan moet het ervoor worden gehouden dat hij over dat gesprek bewust onwaarheid heeft gesproken” (rechtsoverweging 5.4).

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de suggestie van [gedaagde sub 1] te volgen.

3.4.

Op zijn beurt betoogt [eiser] dat de rechtbank dient terug te komen van de in het tussenvonnis van 24 september 2014 vervatte beslissing dat de verjaring van zijn rechtsvorderingen jegens [gedaagde sub 1] is aangevangen op 2 februari 2005, niet is gestuit en derhalve vijf jaar later is voltooid (hetgeen tot gevolg heeft dat, toen [eiser] zijn dagvaarding tegen [gedaagde sub 1] uitbracht op 23 april 2010, zijn vordering, voor zover gebaseerd op de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde sub 1] in diens dagvaarding tegen [eiser], verjaard was). [eiser] herhaalt in dit verband echter slechts argumenten die hij al eerder naar voren heeft gebracht, bijvoorbeeld in de nummers 38 tot en met 42 van de ter gelegenheid van de pleidooien van 11 januari 2011 voorgedragen en overgelegde notities van mr. Verhoeven. Die argumenten zijn in de zojuist weergegeven beslissing reeds meegewogen. De rechtbank ziet in hetgeen [eiser] thans naar voren brengt geen aanleiding van die beslissing terug te komen.

3.5.

Met dit alles liggen de uitgangspunten voor de vaststelling van de schade vast. Het gaat om de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de feitelijk onjuiste uitlatingen, vanaf 23 april 2005, van [gedaagde sub 1] over het bellen met advocaten in de Chipsholzaak in het algemeen en met [eiser] in het bijzonder. Zie ook rechtsoverweging 2.11 van het tussenvonnis van 24 september 2014. In dit verband dient de situatie waarin [eiser] feitelijk verkeert te worden vergeleken met de hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd zonder die uitlatingen.

3.6.

[eiser] specificeert het door hem gevorderde bedrag, EUR 4.421.995,00 vermeerderd met P.M., als volgt.

A

Kosten rechtsbijstand [gedaagde sub 1] I (2004-2009) (zoals in 2010 aangeboden door Mr Van den Emster)

EUR 160.000,00

B

Kosten rechtsbijstand [gedaagde sub 1] II (2010-heden)

Kosten Mr A.C.M. Verhoeven 732 uur x EUR 250,00

EUR 183.100,00

Kantoorkosten Verhoeven

EUR 10.986,00

Verschotten Verhoeven

EUR 1.208,00

Prof. dr. P. van Koppen

EUR 14.200,00

Getuige [naam 2]

EUR 125,00

Getuige [naam 1]

EUR 2.600,00

Getuige [naam 3]

EUR 1.200,00

Getuige [naam 4]

EUR 315,00

Reis- en verblijfkosten adviseurs, lunches

EUR 2.675,00

TOTAAL

EUR 216.409,00

C

Immateriële schade, bestaande uit stress, leed, stigmatisering, traumatisering, gederfde levensvreugd, smartengeld

EUR 150.000,00

D

Immateriële schade bestaande uit reputatieschade 5 jaar en 1½ jaar

EUR 250.000,00

E

Wettelijke rente over EUR 776.409,00 (23 april 2010 tot 1 november 2014)

EUR 331.961,00

F

Inkomensverlies 1 mei 2005 t/m 2013 met wettelijke rente over het inkomensverlies, gerekend vanaf ieder jaar tot 1 november 2014

EUR 3.313.585,00

G

Toekomstige schade

P.M.

3.7.

[gedaagde sub 1] betwist al die posten.

3.8.

F: inkomensverlies

Bij post F stelt [eiser] dat [naam kantoor] als gevolg van de dagvaarding van [gedaagde sub 1] niet met hem verder wilde. Onder de door [naam kantoor] uitgeoefende druk om te vertrekken is [eiser], zo stelt hij, uiteindelijk bezweken. Het inkomensverlies bestaat, zo stelt [eiser], uit het verschil tussen het hypothetische inkomen dat hij vanaf 1 mei 2005 bij [naam kantoor] zou hebben verworven en het feitelijke inkomen dat hij vanaf die datum als ‘eenpitter’ heeft verworven.

Post F dient naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen. Redengevend is allereerst het geslaagde beroep van [gedaagde sub 1] op verjaring. [eiser] zelf stelt dat zijn vertrek, per 1 mei 2005, bij [naam kantoor] al geruime tijd vóór 23 april 2005 vaststond. Schade als gevolg van de beslissing om te vertrekken en de door [eiser] gestelde oorzaak van dat vertrek liggen daarmee vóór de datum van verjaring. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [eiser] zelf het initiatief heeft genomen om te vertrekken.

3.9.

C en D: immateriële schade

Bij de posten C en D stelt de rechtbank voorop dat artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW bepaalt dat de benadeelde voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] door de hiervoor onder 3.5 bedoelde uitlatingen van [gedaagde sub 1] lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Post C is daarom niet toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] door de hiervoor onder 3.5 bedoelde uitlatingen van [gedaagde sub 1] wel in zijn eer en/of goede naam aangetast. Die uitlatingen houden immers een rechtstreekse aanval in op zijn geloofwaardigheid, een essentiële waarde voor een advocaat, zowel voor hemzelf als voor degenen met wie hij in zijn beroep van doen heeft. Post D is daarom gedeeltelijk toewijsbaar. [eiser] licht het door hem gevorderde bedrag, EUR 250.000,00, niet nader toe; hij noemt het slechts een “alleszins gerechtvaardigd” bedrag (akte 22 oktober 2014, nummer 14.10). De rechtbank stelt de schadevergoeding die [eiser] toekomt naar billijkheid vast op EUR 10.000,00. Dat bedrag dient, gelet op het bepaalde in artikel 6:83 aanhef onder b BW, te worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2005.

3.10.

A: rechtsbijstand [gedaagde sub 1] I

Bij post A stelt de rechtbank voorop dat de door [gedaagde sub 1] tegen [eiser] aangespannen zaak in het kader van de onderhavige zaak als onrechtmatig kan worden aangemerkt voor zover het de uitlatingen van [gedaagde sub 1] betreft omtrent het bellen met advocaten. Dat het procederen van [gedaagde sub 1] tegen [eiser] op zichzelf genomen niet onrechtmatig was, is reeds uitgemaakt in het tussenvonnis van 9 maart 2011. Voor het hiervoor genoemde onrechtmatige gedeelte komt [eiser] op zichzelf schadevergoeding toe. Voor de vaststelling van de hoogte daarvan geeft [eiser] echter geen enkel concreet aanknopingspunt. [eiser] meent zich te herinneren dat in ieder geval een gedeelte van de kosten is betaald door [naam kantoor]. Of hij die kosten later nog aan [naam kantoor] heeft moeten terugbetalen kan [eiser] zich niet meer herinneren. De omstandigheid dat [eiser] in het kader van onderhandelingen EUR 160.000,00 is aangeboden is niet relevant, reeds omdat [eiser], zoals hij zelf stelt (akte 22 oktober 2014, nummer 3.4), dat aanbod niet heeft aanvaard. Post A zal daarom worden afgewezen.

3.11.

B: rechtsbijstand [gedaagde sub 1] II

Bij post B stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde sub 1] in de onderhavige zaak verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser]. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] daarbij buiten de grenzen van het aanvaardbare is gegaan. Voor een vergoeding van de door [eiser] in het kader van de onderhavige zaak gemaakte werkelijke kosten bestaat dan ook geen grond.

De gestelde kosten van prof. dr. Van Koppen en die van adviseurs doorstaan niet de toets aan artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW.

Voor een vergoeding van kosten van getuigen (anders dan de ter zitting vastgestelde taxen, waarover hierna onder 3.14 meer) bestaat geen grond.

Post B zal daarom worden afgewezen voor zover deze de hierna toe te wijzen proceskosten te boven gaat.

3.12.

G: toekomstige schade

Post G behelst niet meer of andere posten dan hiervoor zijn behandeld en beoordeeld. Deze post zal daarom worden afgewezen.

3.13.

Al met al ligt voor toewijzing gereed EUR 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening. [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld in de aan de zijde van [eiser] gevallen kosten. Doorslaggevend is in dit verband dat [eiser] in het gelijk wordt gesteld op punt van de aansprakelijkheid; de omstandigheid dat slechts een klein deel van de uiteindelijk door hem gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen, weegt hiertegenover minder zwaar. De aan de zijde van [eiser] gevallen kosten worden tot dit vonnis begroot op EUR 8.217,52, welk bedrag wordt gespecificeerd als volgt (waarbij wordt vermeld dat het toepasselijke tarief II is):

Dagvaarding

EUR 91,32

Griffierecht ((263:3) + 1.256,00)

EUR 1.344,00

Comparitie 11 januari 2011 (één punt)

EUR 452,00

Bijwonen enquête [gedaagde sub 1] (drieëneenhalve punt)

EUR 1.582,00

Contra-enquête [eiser] (anderhalve punt)

EUR 678,00

Taxen getuigen [naam 1], [naam 3] en [naam 4]

EUR 1.810,20

Conclusie na enquête (half punt)

EUR 226,00

Pleidooi 26 maart 2014 (twee punten)

EUR 904,00

Akte 22 oktober 2014 (half punt)

EUR 226,00

Pleidooi 10 april 2015 (twee punten)

EUR 904,00

In de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 2]

3.15.

[eiser] zal, zoals in het tussenvonnis van 9 maart 2011 reeds is aangekondigd, worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagde sub 2] gevallen proceskosten. Deze worden begroot op EUR 1.167,00, te weten EUR 263,00 aan griffierecht en EUR 904,00 aan salaris advocaat (twee punten, tarief II).

In de zaak tussen [eiser] en de Staat

3.16.

[eiser] zal, zoals in het tussenvonnis van 9 maart 2011 reeds is aangekondigd, worden veroordeeld in de aan de zijde van de Staat gevallen proceskosten. Deze worden begroot op EUR 1.167,00, te weten EUR 263,00 aan griffierecht en EUR 904,00 aan salaris advocaat (twee punten, tarief II).

4 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1]:

- verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan [eiser] toegebrachte schade;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen EUR 10.000,00 (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van het geding, tot het tussenvonnis van 24 september 2014 aan de zijde van [eiser] begroot op EUR 8.217,52;

- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 2]:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van [gedaagde sub 2] begroot op EUR 1.167,00;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak tussen [eiser] en de Staat:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op EUR 1.167,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, mr. J. Thomas en mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.