Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3905

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 870
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1987, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob, misbruik van recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr.drs. J.J.O. Zandt),

en

De Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van de Steeg).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een beslissing genomen op het verzoek van eiseres van 9 juli 2014 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 31 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij aanvraag van 9 juli 2014 heeft (de gemachtigde van) eiseres bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) gevraagd om openbaarmaking van 27 documenten in verband met een beschikking die eiseres heeft gehad in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersboete (Wahv). De gemachtigde van eiseres heeft daarbij verzocht om op elk verzoek afzonderlijk een besluit te nemen.

2. Bij primair besluit van 19 augustus 2014 heeft verweerder twee documenten openbaar gemaakt: het actuele zaakoverzicht (inclusief het proces-verbaal) van de boetebeschikking en het brondocument met betrekking tot die beschikking. Bij deze stukken zijn de persoonsgegevens in de zin van de Wet persoonsgegevens en op grond van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob weggelakt.

Ten aanzien van een aantal documenten heeft het CJIB verklaard dat de verzoeken tot openbaarmaking hiervan buiten de reikwijdte van de Wob liggen, dan wel verwezen naar websites waarop de gevraagde informatie al eerder openbaar is gemaakt. Ten aanzien van stukken die niet in bezit van het CJIB zijn, heeft het CJIB het verzoek van eiseres doorgestuurd aan het Korps Landelijke Politie Diensten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat eiseres de mogelijkheden die de Wob biedt voor een ander doel heeft aangewend en zodoende misbruik van procesrecht heeft gemaakt.

4. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of eiseres de aan haar op grond van de Wob toekomende bevoegdheden op de juiste wijze heeft gebruikt en of dus geen sprake is van misbruik van recht.

5.1

De wettelijke grondslag voor het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep wegens misbruik van recht volgt uit artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129). Ingevolge deze artikelen kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.

5.2

Uit de genoemde uitspraak van 19 november 2014 volgt dat voor het niet‑ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist zijn, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.

5.3

Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Op grond van de Wob heeft een burger de bevoegdheid om een bestuursorgaan te verzoeken om openbaarmaking van (informatie uit) documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Een verzoeker hoeft op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob bij zijn verzoek geen belang te stellen. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat het doel van deze aan de burger toekomende bevoegdheid is dat bepaalde documenten openbaar worden gemaakt. De burger hoeft wanneer hij een Wob-verzoek doet, met andere woorden, niet te specificeren waarom hij openbaarmaking van die documenten wenst, maar zijn doel moet wel zijn dát de documenten openbaar worden gemaakt. Dat betekent dat in het kader van de Wob sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheden, indien een burger verzoekt om documenten met een ander doel dan de openbaarmaking van de in die documenten neergelegde informatie.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dan wel haar gemachtigde misbruik heeft gemaakt van de aan hen op grond van de Wob toekomende bevoegdheden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de volgende aspecten betrokken.

6.2.

De gemachtigde van eiseres heeft in zijn brief van 9 juli 2014 aan het CJIB verzocht om toezending van 27 met name genoemde stukken, waaronder ook kopieën van legitimatiebewijzen van politieambtenaren en keuringsrapporten van snelheidscontrolemeters (flitspalen). In zijn brief schrijft de gemachtigde dat dit verzoek wordt gedaan naar aanleiding van een aan eiseres opgelegde boete vanwege een verkeersovertreding. Verder schrijft de gemachtigde dat de verzoeken gemakshalve in één brief worden gedaan, maar dat wordt verzocht om aan de hand van de nummering van de 27 verzoeken per verzoek een afzonderlijk en volledig besluit te nemen.

6.3.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat hij min of meer gedwongen is de verzochte documenten via de Wob-procedure te verkrijgen, omdat bestuursorganen in de regel weigeren deze over te leggen. Het doel van de Stichting Onafhankelijk Mobiliteitsadvies (hierna: de Stichting), van welke Stichting gemachtigde bestuurder is, is te bewijzen dat (onder andere) het CJIB erop uit is zoveel mogelijk geld binnen te halen aan verkeersboetes. Hiermee is hij al jarenlang bezig. Dat de gemachtigde de onderhavige procedure voor de Stichting voert heeft hij ontkend. Hij treedt uitsluitend op namens, in dit geval, eiseres, die tevens zijn echtgenote is.

Daarnaast heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat het feit dat hij in deze zaak voor zijn vrouw, eiseres, optreedt indirect ook voor de Stichting van belang is.

6.4

Artikel 11, vierde lid, en artikel 19, vierde lid, van de Wet administratieve handhaving verkeersboete (Wahv) voorzien specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende beroep bij de kantonrechter op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen. De gemachtigde van eiseres wordt geacht dit als ervaren advocaat te weten. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat een verzoek op grond van de Wahv niet leidt tot het toezenden van alle verzochte stukken, maar slechts tot een deel ervan. Wat daar ook van zij, het verzoek om stukken behoefde niet als Wob-verzoek te worden ingediend.

6.5

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de gemachtigde van eiseres vaker (vrijwel) identieke verzoeken aan het CJIB en andere verweerders heeft gedaan. Bij deze rechtbank zijn over de periode december 2011 tot mei 2015 in elk geval twintig Wob-zaken van de gemachtigde bekend. Acht van deze zaken betroffen eiseres, vier zaken betroffen de Stichting Onafhankelijk Mobiliteitsadvies, vijf zaken betroffen eiseres Codex Postma B.V. en drie zaken heeft de gemachtigde zelf gevoerd. Zoals de gemachtigde ter zitting heeft aangevoerd, doet hij dit soort Wob-verzoeken al enkele jaren in verband met onderzoek hoe de systemen bij politie en justitie nu werkelijk werken. Dit in aanmerking genomen, moet het de gemachtigde bekend zijn dat niet alle documenten waarom hij heeft verzocht, in het bezit zijn van het CJIB. Een aantal van de door hem verzochte documenten bevinden zich bij het (regionale) politiekorps, andere documenten zijn in het bezit van de instantie die de flitspalen onderhoudt en ijkt. Door toch bij het CJIB een verzoek te doen om documenten die daar niet in bezit zijn, maakt de gemachtigde de procedure nodeloos ingewikkeld. De gemachtigde is hier bovendien in procedures al diverse malen op gewezen door de verschillende verweerders.

6.6

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres verweerder direct na het verstrijken van de vermeende beslistermijn in gebreke stelt. Het is de rechtbank bekend dat de gemachtigde dit in andere zaken die bij deze rechtbank aanhangig zijn (geweest) ook heeft gedaan. Dit heeft in andere zaken geleid tot het verbeuren van dwangsommen.

6.7

Voorts wordt in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiseres bestuurder is van de Stichting. Eiseres, echtgenote van de gemachtigde, is werkzaam voor de Stichting. Het kenteken van de auto, waarmee de snelheidsovertreding is begaan, staat op naam van de Stichting.

6.8

Ondanks toezending van een deel van de verzochte documenten, maakt de gemachtigde van eiseres bezwaar en verzoekt hij om vergoeding van proceskosten in bezwaar en om een dwangsombeschikking. In beroep zijn deze verzoeken gehandhaafd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij als beroepsmatige rechtsbijstandverlener voor zijn echtgenote optreedt, heeft de gemachtigde verklaard dat te zijner tijd weliswaar niet aan zijn echtgenote persoonlijk zal worden gefactureerd, maar wel aan de Stichting.

6.9

Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat op geen enkele wijze is gebleken dat (de gemachtigde van) eiseres de gevraagde stukken op welke wijze dan ook openbaar heeft gemaakt.

7. Al deze omstandigheden in samenhang bekeken, brengen de rechtbank tot de conclusie dat (de gemachtigde van) eiseres met het verzoek van 23 augustus 2012 niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel slechts is geweest het genereren van procedures om hiermee proceskostenvergoeding en dwangsommen te verkrijgen.

8. Uit het voorgaande volgt dat eiseres de haar in de Wob toegekende bevoegdheid bewust heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Aldus heeft eiseres deze bevoegdheid misbruikt.

9. Dat in de bestuurlijke fase sprake was van misbruik van bevoegdheid door eiseres dan wel haar gemachtigde heeft tot gevolg dat alle op die fase volgende handelingen, waaronder de keuze om verder te procederen, delen in dat lot. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Zij zal het beroep niet‑ontvankelijk verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

10. Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb biedt grond om eiseres (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Gesteld noch gebleken is echter dat verweerder dergelijke kosten heeft gemaakt. Daarom zal de rechtbank niet tot een proceskostenveroordeling overgaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.