Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
13/701136-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak heling portemonnee omdat niet bewezen is dat deze van misdrijf afkomstig is. Ook vrijspraak van drugshandel op specifieke datum. Opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs wel bewezen. Geen sprake van detournement de pouvoir bij doorzoeking van auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/701136-13

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2015.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.A.M. ter Haar Romeny-Wijffels, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.A. Jansen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 35,3 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een portemonnee (met daarin o.a. een of meer pasje(s) op naam van [persoon 1]) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 11 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of of vervoerd (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA, en/of/althans (telkens) een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de in zijn huurauto aangetroffen portemonnee van enig misdrijf afkomstig was. Zo blijkt uit de aangifte van [persoon 1] bijvoorbeeld niet dat zijn portemonnee is gestolen. De [persoon 1] heeft verklaard dat de portemonnee in zijn achterzak zat en dat hij geen greep in zijn achterzak heeft gevoeld. Het zou dus ook zo kunnen zijn dat de [persoon 1] de portemonnee is verloren.

Ten aanzien van feit 3 bestaan aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij drugshandel. Dit blijkt uit de tapgesprekken die lijken te gaan over het bestellen van verdovende middelen en de observaties waarbij verbalisanten hebben gezien dat een man die rijdt in een grijze Ford, die door verdachte was gehuurd, vlak na de bewuste tapgesprekken zogenaamd dealergedrag vertoont door te verschijnen op de telefonisch afgesproken plek, iemand in de auto te laten stappen, vervolgens een zeer korte afstand te rijden waarop de passagier weer uit de auto stapt.

Het dossier biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat het verdachte is geweest die op de tenlastegelegde datum, te weten 11 januari 2013 degene was die de bewuste Ford bestuurde en/of toen in de auto aanwezig was. Het enkele feit dat de auto door verdachte was gehuurd levert hiertoe onvoldoende bewijs op. Uit het dossier is evenmin op te maken dat op de tenlastegelegde datum drugsdeals in de auto hebben plaatsgevonden. Verdachte is op de ten laste gelegde datum niet herkend door de politie als zijnde de persoon in de Ford, en ook bevinden zich in het dossier geen getuigenverklaringen van personen die verklaren dat verdachte op die dag de persoon was die drugs kwam afleveren. Integendeel, uit diverse verklaringen van gebruikers kan worden afgeleid dat de drugs door verschillende personen werden afgeleverd. Ook de vele tapgesprekken die zich in het dossier bevinden hebben niet geleid tot een definitieve vaststelling van de identiteit van de dealer die maakt dat bewezen kan worden dat het verdachte was die drugs dealde op de ten laste gelegde datum.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. De raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige doorzoeking van de auto van verdachte op 25 januari 2013. De raadsvrouw heeft hiertoe naar voren gebracht dat er sprake is van detournement de pouvoir en schending van de proportionaliteit en subsidiariteit ten aanzien van het onderzoek naar de identiteit van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting namelijk verklaard dat hij na zijn staandehouding met de betreffende verbalisanten had afgesproken dat iemand binnen tien minuten zijn paspoort zou komen brengen. In de tussentijd bleek kennelijk dat verdachte voorkwam in de politiesystemen. Verbalisanten hebben daarop – in weerwil van de eerder gemaakte afspraak – besloten om niet meer op die persoon te wachten, maar verdachte aan te houden. Volgens de raadsvrouw duidt deze handelwijze van de politie erop dat zij de auto niet hebben doorzocht om de identiteit van verdachte vast te stellen, maar was de grond van de doorzoeking het strafrechtelijk onderzoek dat destijds naar verdachte liep.

De raadsvrouw heeft daarnaast gesteld dat het verhoor van verdachte door de politie een schending van artikel 6 EVRM en de Salduz jurisprudentie oplevert nu hij geen rechtsbijstand heeft genoten en de ontwikkelingen tijdens verhoor niet met zijn raadsvrouw heeft kunnen bespreken.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De verklaring van verdachte dat hij met de politie had afgesproken dat iemand zijn paspoort zou komen brengen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Zo is door verdachte niet verder toegelicht wie deze persoon was, of deze persoon op de afgesproken plaats is geweest en of deze persoon later alsnog het paspoort naar het politiebureau heeft gebracht.

Gelet op de omstandigheden dat verdachte geen enkel identiteitsbewijs kon tonen, hij in een huurauto reed waarvan het contract al vier weken was verlopen en hij, naar verbalisanten mochten aannemen, niet waarheidsgetrouw tegenover hen heeft verklaard over zijn justitiecontacten, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanleiding was om verdachte aan te houden. Dat de verbalisanten hierbij misbruik van hun bevoegdheden hebben gemaakt is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De daarop volgende doorzoeking van de auto van verdachte levert, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet een dusdanige inbreuk op de rechten van verdachte op, dat dit als disproportioneel moet worden aangemerkt. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, het aantreffen van de harddrugs in de huurauto van verdachte, gaat de rechtbank uit van de volgende omstandigheden. Verdachte had de huurauto tijdens de staande houding inmiddels vier weken in zijn bezit. Voorts lag in het dashboardkastje waar de wikkels cocaïne zijn aangetroffen, ook het rijbewijs en mobiele telefoon van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn auto voorafgaand aan 25 januari 2013 heeft uitgeleend aan anderen en dat hij op enig moment zijn rijbewijs in het dashboardkastje heeft gelegd en nooit bemerkt heeft dat daar een zak met harddrugs in lag.

De rechtbank acht het zeer onwaarschijnlijk dat iemand , zonder deze op enige wijze veilig te stellen, een zak met zeer waardevolle harddrugs achterlaat in een dashboardkastje, in de auto van een ander. Dat verdachte dus heeft rondgereden met de auto zonder dat hij heeft gemerkt dat deze drugs in het dashboardkastje lagen en/of dat hij de drugs niet heeft gezien, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Gelet op vorenstaande laat de rechtbank het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de schending van het consultatierecht van verdachte verder onbesproken nu zij de verklaringen van verdachte die hij heeft afgelegd bij de politie niet zal bezigen voor het bewijs.

4.2.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 25 januari 2013 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 35,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 140 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een handelsvoorraad harddrugs bestaande uit materiaal bevattende cocaïne. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid en vormen als zodanig een bedreiging voor de volksgezondheid. De handel in en het gebruik van verdovende middelen leiden tot allerlei vormen van criminaliteit, overlast en andere maatschappelijke problemen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële documentatie van 7 april 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een Opiumwetfeit is veroordeeld.

Nu verdachte van een deel van de ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken acht de rechtbank, anders dan door de officier van justitie gevorderd, een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 uren passend en geboden. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat het bewezen geachte feit inmiddels een oud feit betreft.

Beslag

Onder verdachte is een geldbedrag van € 2820,- in beslag genomen. Verdachte heeft verklaard dat een deel van dat geldbedrag, te weten € 2300,- aan zijn echtgenote toebehoort.

Dit is echter op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt.

De rechtbank kan, op grond van het dossier, niet vaststellen dat een bedrag van € 2300,- daadwerkelijk aan de toenmalige vriendin en thans echtgenote van verdachte toebehoort. Daarom zal de rechtbank bepalen dat dit bedrag bewaard wordt ten behoeve van de rechthebbende. Een bedrag van € 520,- zal aan verdachte worden geretourneerd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

Geld ter waarde van 2300,- Euro (4457383)

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

Geld ter waarde van 520,- Euro (4456713)

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. E.F.A. Buitenen en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2015.