Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3854

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
13-751645-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

De opgeëiste persoon komt in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

De opgeëiste persoon heeft gedurende de afgelopen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van deze uitspraak, over voldoende bestaansmiddelen beschikt. Hoewel, bij gebreke van een inschrijving in het BPR, het verblijf met andere objectieve stukken kan worden onderbouwd, is het slechts overleggen van salarisspecificaties en jaaropgaven nog niet voldoende om het onafgebroken ver verblijf aan te tonen. Het is immers, zoals door de officier van justitie verwoord, inderdaad mogelijk dat iemand hier slechts als een seizoenarbeider werkzaam is en hier feitelijk niet verblijft. Echter, in dit geval acht de rechtbank ook het onafgebroken verblijf voldoende en genoegzaam aangetoond. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit de maandelijkse salarisspecificaties blijkt dat de opgeëiste persoon steeds in Nederland op een bepaald adres verbleef, dat de hoogte van zijn inkomen en omvang van zijn arbeidsuren erop duiden dat hij hier min of meer full-time heeft gewerkt en dat hij een niet onaannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij zich niet kon inschrijven op het adres waar hij verbleef.

Nu geconstateerd dient te worden dat de opgeëiste persoon in ieder geval voldoet aan de eerste en derde voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, van de OLW en de overlevering in dit geval (namelijk een executie-overlevering) geweigerd dient te worden indien Nederland ook rechtsmacht heeft, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek heropend dient te worden. In de zaak van 12 december 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:9679) heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat Nederland de overlevering niet mag weigeren, ook al is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, vijfde lid, van de OLW, als Nederland niet daadwerkelijk de straf van de uitvaardigende lidstaat kan overnemen. Immers, de opgeëiste persoon zou dan straffeloos blijven. De rechtbank heeft deze zaak aangehouden voor nader onderzoek en overweegt in die zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank zal het onderzoek derhalve heropenen in afwachting van de procedure in de voormelde zaak van 12 december 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751645-14

RK nummer: 14/5078

Datum uitspraak: 19 juni 2015

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2012 (ontvangen op 21 juli 2014) door de Rechter van de Regionale Rechtbank te Częstochowa (Polen), Voorzitter van de IIe Afdeling Strafrecht van de Regionale Rechtbank en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en verblijvend op het adres: [adres, te plaats];

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 23 september 2014 en 13 februari 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. A Cinar, advocaat te Maastricht. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen op de zitting van 13 februari 2015 eerst met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er gelet op de aanhouding van de zaak op de zitting van 23 september 2014 niet in is geslaagd binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Bij tussenuitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank de behandeling van de vordering heropent en voor onbepaalde tijd aangehouden.

De vordering is vervolgens voortgezet op de openbare zitting van 5 juni 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. A Cinar, advocaat te Maastricht. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen van de Districtsrechtbank te Częstochowa, te weten:

  1. een vonnis van 2 februari 2005 (XI K 1366/04)

  2. een vonnis van 13 december 2006 (XI K 480/06).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden (vonnis 1) en een vrijheidsstraf van 1 jaar (vonnis 2), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 6 maanden (vonnis 1) en 9 maanden en 13 dagen (vonnis 2). De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW

Ten aanzien van vonnis 1 (XI K 1366/04)

Zoals reeds in de uitspraak van 27 februari 2015 is geoordeeld is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat gelet op de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte informatie de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW van toepassing is ten aanzien van vonnis 1 en dat hiervoor de overlevering geweigerd dient te worden.

Ten aanzien van vonnis 2 (XI K 480/06)

Zoals reeds in de uitspraak van 27 februari 2015 is geoordeeld is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot vonnis 2 geen sprake is van een versteksituatie als bedoeld in artikel 12 van de OLW.

5 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis 2 – de rechtbank laat de feiten die ten grondslag liggen aan vonnis 1 verder buiten beschouwing nu de overlevering gelet op hetgeen in rubriek 4 is overwogen ten aanzien van die feiten zal worden geweigerd – niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat het feit, waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Dit feit levert naar Nederlands recht op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

6 Heropening van het onderzoek

6.1.

Artikel 6 van de OLW

In haar uitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

Artikel 6, vijfde lid, OLW verklaart artikel 6, tweede lid, OLW van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling, mits aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

(1) de opgeëiste persoon heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde

tijd,

(2) de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het

het EAB ten grondslag liggen en

(3) ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn

verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van de opgelegde straf of

maatregel.

De rechtbank heeft artikel 6, vijfde lid, OLW zo uitgelegd, dat de onderdaan van een andere lidstaat niet aan de eerste – formele – voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW, te weten een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, behoeft te voldoen. In plaats daarvan moet hij aantonen dat hij – behoudens uitzonderingen – vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, teruggerekend vanaf het moment waarop de rechtbank uitspraak doet (zie bijv. Rb. Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5341).

Om een onafgebroken verblijf van vijf jaar aan te tonen is een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens leidend. Een onafgebroken verblijf kan ook worden onderbouwd door andere stukken, maar dan dienen deze voldoende concreet en objectief te zijn.

Om te spreken van een rechtmatig onafgebroken verblijf geldt het volgende.

Op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan er, ten aanzien van het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, een onderscheid worden gemaakt tussen drie hoofdgroepen Unieburgers. Voor deze drie groepen gelden er verschillende vereisten. Economisch niet-actieven (lid 1 onder b) en studenten (lid 1 onder c) dienen over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en daarnaast over een ziektekostenverzekering. Werknemers en zelfstandigen (lid 1 onder a) hoeven echter niet aan te tonen dat zij over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken, maar er moet dan wel sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid.

Het is de verantwoordelijkheid van de verdediging om tijdig en door middel van stukken de ononderbroken duur en de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon aan te tonen (zie Rb. Amsterdam 17 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5992).

In de onderhavige zaak heeft de raadsman onder meer inkomensgegevens van de opgeëiste persoon overgelegd over de jaren 2007 tot en met 2013, waarbij geldt dat over de jaren 2009 tot en met 2013 jaaropgaven zijn overgelegd.

De rechtbank heeft in het dossier ten aanzien van de inkomensgegevens over 2014 slechts salarisspecificaties van de maanden maart en mei aangetroffen, die de raadsman heeft overgelegd bij de rechter-commissaris. De rechtbank ziet met het oog op de toetsing of de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, van de OLW aanleiding de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zijn inkomensgegevens over het gehele jaar 2014 en, voor zover beschikbaar, 2015 te overleggen.

Verder ziet de rechtbank, mede nu zowel de raadsman als de officier van justitie op dit punt nog geen expliciet standpunt hebben ingenomen, op grond van proceseconomische redenen aanleiding de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de IND advies in te laten winnen ten aanzien van de derde voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, van de OLW.”

Bij schrijven van 6 mei 2015 en ter zitting heeft de raadsman de door de rechtbank verzochte salarisspecificaties vanaf januari 2014 tot en met mei 2015 overgelegd.

In haar brief van 16 maart 2015 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) medegedeeld dat de vervolging in Polen er niet toe leidt dat het EU-verblijfsrecht van de opgeëiste persoon wordt beëindigd en dat hij sinds 2010 verblijfsrecht aan het EG-Verdrag ontleent.

6.2.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft ter zitting betoogd, kort samengevat, dat de opgeëiste persoon thans heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid van de OLW. Nu de terugkeergarantie ontbreekt, dient de overlevering te worden geweigerd. De raadsman heeft het evenredigheidsverweer, zoals gevoerd op de zitting van 13 februari 2015, gehandhaafd.

6.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld, samengevat, dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

De opgeëiste persoon heeft slechts een korte tijd in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) ingeschreven gestaan, namelijk van 4 januari 2010 tot 21 juni 2010 en vanaf 22 januari 2014.

In de tussenliggende periode is het EAB uitgevaardigd. Door zijn uitschrijving uit de BRP is hij “ondergronds” gegaan en heeft hij het justitie feitelijk onmogelijk gemaakt om hem te traceren en het EAB uit te voeren. Al die tijd heeft de opgeëiste persoon gesignaleerd gestaan en justitie heeft van alles geprobeerd om hem op te sporen.

In deze tijd heeft de opgeëiste persoon zijn rechtmatige verblijf van vijf jaar in Nederland opgebouwd. Pas nadat de opgeëiste persoon zich weer had ingeschreven, is hij tegen de lamp gelopen. Het kan niet zo zijn dat een persoon die zich, tegen de wettelijke regels in, niet inschrijft, verblijfsrechten opbouwt op grond waarvan hij gelijk gesteld dient te worden met een Nederlander en waardoor het verzoek om overlevering geweigerd dient te worden.

Bovendien heeft de opgeëiste persoon zijn verblijf alleen met inkomstengegevens onderbouwd. Dat hij in Nederland, naast het werk, ook daadwerkelijk hier heeft verbleven, heeft hij niet onderbouwd.

6.4.

Oordeel rechtbank

Zoals de rechtbank in meerdere uitspraken heeft overwogen vormt een inschrijving in de BRP (voorheen Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) de sterkste vorm van onderbouwing voor het onafgebroken verblijf van vijf jaar en is in die zin ‘leidend’.

Het verblijf kan ook worden onderbouwd door middel van andere stukken, mits die stukken voldoende concreet en objectief zijn. Daarnaast dient te worden aangetoond dat het onafgebroken verblijf rechtmatig was.

Hiervoor is in dit geval vereist dat gedurende de gehele periode moet zijn beschikt over voldoende bestaansmiddelen.

De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsman, vast dat de opgeëiste persoon gedurende de afgelopen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van deze uitspraak, over voldoende bestaansmiddelen heeft beschikt, zodat in zoverre aan bovengenoemd criterium is voldaan.

Met betrekking tot het onafgebroken verblijf gedurende de afgelopen vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van deze uitspraak, overweegt de rechtbank als volgt.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij vanaf 2007 onafgebroken in Nederland woonachtig en werkzaam is. De opgeëiste persoon heeft van 4 januari 2010 tot 21 juni 2010 en vanaf 22 januari 2014 ingeschreven gestaan in de GBA, thans BPR.

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon hieromtrent verklaard dat hij zich niet (meer) kon inschrijven bij het GBA. Hij huurde namelijk woonruimte van de uitzendbureaus waar hij voor werkte en het werd hem niet toegestaan zich daar in te schrijven.

Op 6 juni 2014 heeft hij middels een hypotheek een huis in Nederland gekocht. Voorts heeft hij zijn verblijf met salarisspecificaties onderbouwd. Hieruit blijkt dat hij in de jaren 2010 tot en met 2014 steeds een ruim jaarinkomen heeft gehad. Vanaf januari 2015 tot en met mei 2015 verdiende de opgeëiste persoon € 2.089,- per maand. Op deze salarisspecificaties en jaaropgaven is een Nederlands adres vermeld.

Hoewel, bij gebreke van een inschrijving in het BPR, het verblijf met andere objectieve stukken kan worden onderbouwd, is het slechts overleggen van salarisspecificaties en jaaropgaven nog niet voldoende om het onafgebroken ver verblijf aan te tonen. Het is immers, zoals door de officier van justitie verwoord, inderdaad mogelijk dat iemand hier slechts als een seizoenarbeider werkzaam is en hier feitelijk niet verblijft.

Echter, in dit geval acht de rechtbank met de overgelegde stukken ook het onafgebroken verblijf voldoende en genoegzaam aangetoond. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit de maandelijkse salarisspecificaties blijkt dat de opgeëiste persoon steeds in Nederland op een bepaald adres verbleef, dat de hoogte van zijn inkomen en omvang van zijn arbeidsuren erop duiden dat hij hier min of meer full-time heeft gewerkt en dat hij een niet onaannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij zich niet kon inschrijven op het adres waar hij verbleef.

Uit het voorgaande volgt dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn stelling dat de opgeëiste persoon is “ondergedoken” en zich voor justitie heeft schuil gehouden. De opgeëiste persoon heeft immers steeds (al dan niet via uitzendbureaus) legaal gewerkt.

Nu geconstateerd dient te worden dat de opgeëiste persoon in ieder geval voldoet aan de eerste en derde voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, van de OLW en de overlevering in dit geval (namelijk een executie-overlevering) geweigerd dient te worden indien Nederland ook rechtsmacht heeft, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek heropend dient te worden.

In de zaak van 12 december 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:9679) heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat Nederland de overlevering niet mag weigeren, ook al is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, vijfde lid, van de OLW, als Nederland niet daadwerkelijk de straf van de uitvaardigende lidstaat kan overnemen. Immers, de opgeëiste persoon zou dan straffeloos blijven.

De rechtbank heeft deze zaak aangehouden voor nader onderzoek en overweegt in die zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De rechtbank zal het onderzoek derhalve heropenen in afwachting van de procedure in de voormelde zaak van 12 december 2014.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd in afwachting van de procedure in de zaak van 12 december 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:9679).

Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon en een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juni 2015.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.