Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
3200648 14-18396
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Drie gedaagden hadden hun bankrekening ter beschikking gesteld aan een derde, die betrokken was bij een factuur die door Gemeente Amsterdam ten onrechte aan die derde is betaald. De drie gedaagden hebben door mee te werken aan het wegmaken van giraal geld Gemeente Amsterdam benadeeld en moeten daarom de bedragen die op hun rekening hebben gestaan aan Gemeente Amsterdam terug betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 3200648 \ CV EXPL 14-18396

Uitspraak: 10 juli 2015

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM (BESTUURSCOMMISSIE OOST),

zetelend te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n

[gedaagde sub 1]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. R.P.V.W. Willems,

[gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. F.E.C. Koopman,

[gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. F.E.C. Koopman,

Partijen zullen hierna Gemeente Amsterdam, [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.

Mede ingevolge tussenvonnis van 20 februari 2015 zijn de volgende stukken ingediend:

- de akte na tussenvonnis van Gemeente Amsterdam, met producties,

- de antwoordakte na tussenvonnis van [gedaagde sub 1],

- de antwoordakte van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], met een productie,

- de akte uitlaten producties van Gemeente Amsterdam.

1.2.

Daarna is wederom vonnis bepaald.

2. GRONDEN VAN DE BESLISSING

2.1.

In het tussenvonnis van 20 februari 2015 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens Gemeente Amsterdam en dat het verweer dat Gemeente Amsterdam een gedeelte van haar schade al vergoed heeft gekregen een bevrijdend verweer is, waarvan de gedaagden de bewijslast dragen.

2.2.

Gemeente Amsterdam heeft bij akte een overzicht overgelegd van de bedragen die zij reeds heeft ontvangen en de bedragen die door derdenbeslag zijn getroffen. Door de Gemeente Amsterdam is (ten onrechte) een bedrag van € 186.607,37 aan [naam x] (hierna: [naam x]) overgemaakt. Een gedeelte van dat bedrag is doorgestort naar derden, waaronder gedaagden.

2.3.

Gemeente Amsterdam overlegt ook een verklaring van de Rabobank waaruit blijkt dat de door [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] ten behoeve van Gemeente Amsterdam gestorte bedragen door de bank gehouden worden voor [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] op een tussenrekening ten name van de bank. Die bedragen vallen onder de door Gemeente Amsterdam ten laste van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] gelegde civiele beslagen. Een tweetal betrokkenen die in deze procedure geen partij zijn hebben (in totaal) € 20.000,00 teruggestort.

2.4.

Gedaagden betwisten de juistheid van de opgave tevergeefs. Het is aan hen om te bewijzen dat Gemeente Amsterdam een hoger bedrag dan € 20.000,00 heeft ontvangen.
De uitleg van gedaagden van de brief van 13 mei 2014 van de burgermeester van Gemeente Amsterdam aan de gemeenteraad is onjuist. In die brief, waarop gedaagden zich beroepen, loopt de burgermeester kennelijk vooruit op de veroordeling van onder meer gedaagden, in die zin dat de feitelijke schade – het bedrag waarvoor gedaagden mogelijk geen verhaal bieden – wordt begroot op die bedragen die niet getroffen zijn door de beslagen van Gemeente Amsterdam en de opsporingsdiensten. De schade die Gemeente Amsterdam heft geleden is gelijk aan het bedrag dat zij ten onrechte heeft overgemaakt, verminderd met het bedrag dat reeds is terugbetaald. De door de civiele beslagen getroffen bedragen zijn nog niet terugbetaald. Evenmin onderbouwen gedaagden dat de door de opsporingsdiensten in beslag genomen contante geldbedragen al aan Gemeente Amsterdam zijn terugbetaald.

2.5.

Gelet op het voorgaande zijn [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk jegens Gemeente Amsterdam voor de schade die het gevolg is van hun onrechtmatige daad, namelijk het meewerken aan het wegmaken van giraal geld en het (daardoor) benadelen van schuldeisers van [naam x]. Dat wil zeggen dat [gedaagde sub 1] veroordeeld zal worden tot betaling van € 20.000,00 en [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] ieder veroordeeld zullen worden tot betaling van € 10.000,00 aan Gemeente Amsterdam. Zij zijn niet met [naam x] hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel, omdat niet is komen vast te staan dat gedaagden rechtstreeks betrokken waren bij het plan van de factuurfraude. Bovendien kan jegens de derde die geen partij is in deze procedure geen verklaring voor recht worden gegeven. De daarop gerichte gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

2.6.

Wel geldt dat de schade die het gevolg is van de benadeling van de schuldeisers – in beginsel – dezelfde schade is als de schade die de oorspronkelijk schuldenaar aan de schuldeiser dient te vergoeden. Dat wil zeggen dat – op grond van artikel 6:102 BW – een partij die onrechtmatig heeft gehandeld door schuldeisers van een derde te benadelen, in beginsel hoofdelijk met die derde aansprakelijk is tot de hoogte van het bedrag van de benadeling, zodat in dit geval – en uitgaande van aansprakelijkheid van [naam x] jegens Gemeente Amsterdam – gedaagden ieder voor zich hoofdelijk met [naam x] aansprakelijk zijn tot de hoogte van het bedrag dat zij dienen terug te betalen.

2.7.

Gedaagden zijn de wettelijke rente verschuldigd over de gevorderde bedragen vanaf het moment dat zij de betalingen hebben ontvangen. Dat is 10 januari 2014 voor [gedaagde sub 3] en (voor de eerste € 10.000,00) [gedaagde sub 1] en 12 januari 2014 voor [gedaagde sub 2] en voor [gedaagde sub 1] (voor de tweede € 10.000,00). In het tussenvonnis is al beslist dat de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn. Die kosten zullen worden gematigd tot het thans geldende tarief.

2.8.

Gemeente Amsterdam vordert gedaagden te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Iedere gedaagde zal worden veroordeeld tot betalen van de betekeningskosten ter zake van het onder hem of haar gelegde beslag en hoofdelijk worden veroordeeld in de overige kosten van het beslag, de kantonrechter begroot die overige kosten op € 1.287,42 (1 punt × tarief € 600,00, € 608,00 aan griffierecht en € 79,42 aan kosten van de overbetekening van de dagvaarding aan de derde-beslagene). Dat door de bank bij [gedaagde sub 2] een bedrag in rekening is gebracht is niet relevant. Door Gemeente Amsterdam is terecht ten laste van [gedaagde sub 2] onder de bank derdenbeslag gelegd. Dat de bank haar eigen kosten doorberekent aan [gedaagde sub 2] betekent niet dat de door Gemeente Amsterdam en de deurwaarder gemaakte kosten voor het leggen van het beslag niet door Gemeente Amsterdam zijn gedragen.

2.9.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Amsterdam worden begroot op € 95,77 aan explootkosten per gedaagde en voorts € 315,00 aan griffierecht € 1.500,00 (2,5 punten × tarief € 600,00) aan salaris gemachtigde. Gedaagden zullen hoofdelijk worden veroordeeld in die kosten.

3 BESLISSING

De kantonrechter:

[gedaagde sub 1]

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

- het bedrag van € 10.000,00 met ingang van 10 januari 2014

- het bedrag van € 10.000,00 met ingang van 12 januari 2014

telkens tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 975,00 aan buitengerechtelijke kosten,

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 95,77 aan explootkosten en een bedrag van € 557,99 aan beslagkosten,

[gedaagde sub 2]

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover met ingang van 12 januari 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten,

3.6.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 95,77 aan explootkosten en een bedrag van € 557,99 aan beslagkosten,

[gedaagde sub 3]

3.7.

veroordeelt [gedaagde sub 3] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover met ingang van 10 januari 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.8.

veroordeelt [gedaagde sub 3] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten,

3.9.

veroordeelt [gedaagde sub 3] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 95,77 aan explootkosten en een bedrag van € 557,99 aan beslagkosten,

hoofdelijk

3.10.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de overige proceskosten , aan de zijde van Gemeente Amsterdam tot op heden begroot op € 1.815,00,

3.11.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de overige beslagkosten, aan de zijde van Gemeente Amsterdam tot op heden begroot op € 1.287,42,

en:

3.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Kloosterhuis, kantonrechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.

De griffier De kantonrechter