Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3797

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
AWB - 13_4674 en 13 _ 4705
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning supermarkt, binnen- en buitenplanse afwijking bestemmingsplan, geen belanghebbende

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/4705 en AMS 13/4674

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juni 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. M.E. Jensen )

de besloten vennootschap Albert Heijn B.V., eiseres 1

de besloten vennootschap Ahold Europe Real Estate & Construction B.V., eiseres 2

de Vereniging van Eigenaars [adres 5] , eiseres 3,

te Amsterdam,

gezamenlijk te noemen eiseressen,

(gemachtigde: mr. H. Doornhof),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het Stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud en mr. M. de Vries).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Credit Suisse Asset Management (CSAM) GmbH, te Frankfurt (Duitsland), vergunninghouder

(gemachtigde: mr. M.C. Brans),

en

de besloten vennootschap Marqt B.V., te Amsterdam,

(gemachtigden: mr. J.A. Tuinman en mr. T.Q. de Booys)

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam verweerder een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van een project ten aanzien van het pand gelegen aan de [adres] (het pand), te Amsterdam.

Eiser en eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Daarnaast hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld de besloten vennootschappen Supermarkt Elandsgracht B.V. en Elandsgracht Holding B.V., vertegenwoordigd door de gemachtigde van eiseressen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 25 maart 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , beide werkzaam bij eiseres 2. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Marqt B.V. is vertegenwoordigd door mr. T.Q. de Booys.

Het beroep is – voor zover ingesteld door Supermarkt Elandsgracht B.V. en Elandsgracht Holding B.V. – ter zitting door de gemachtigde van eiseressen ingetrokken.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

CSAM is vergunninghouder en eigenaar van het pand. Marqt B.V. exploiteert een supermarkt die in het pand is gevestigd. Eiser is eigenaar van een eenmanszaak, [naam bedrijf] , gevestigd aan de [adres 1] te Amsterdam. Eiseres 1 exploiteert supermarkten aan de [adres 2] en aan het [adres 3] in panden die eigendom zijn van eiseres 2. Eiseres 1 is tevens franchisegever, waarbij Supermarkt Elandsgracht B.V., exploitant van een supermarkt gevestigd in een pand aan de [adres 4] te Amsterdam, als franchisenemer is aangesloten. Elandsgracht Holding B.V. is eigenares van het laatstgenoemde pand. De leden van eiseres 3 bewonen het pand aan de [adres 5] te Amsterdam.

1.2

Op 2 augustus 2011 is bij verweerder een aanvraag ingekomen voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de herontwikkeling van panden aan de [adres 6] , in onderdelen aangevraagd.

1.3

De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 5 oktober 2012 ter inzage gelegen. Eiser heeft op 13 november 2012 een zienswijze ingediend. Namens eiseressen is op 15 november 2012 een zienswijze ingediend tegen de ontwerp-omgevingsvergunning. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft de aanvrager op 12 juni 2013 een gewijzigd bouwplan ingediend.

1.4

Bij het bestreden besluit is – met inachtneming van de wijzigingen van 12 juni 2013 – een omgevingsvergunning verleend voor:

- het veranderen en afsplitsen van een gedeelte van de eerste bouwlaag en de kelder van het gebouwgedeelte [adres 6] met bestemming daarvan tot winkel, opslag winkel en fietsparkeren;

- het samenvoegen van een gedeelte van de eerste bouwlaag van [adres] met [adres 6] met bestemming daarvan tot kantoor ten behoeve van de winkel;

- het veranderen van een gedeelte van de kelder van gebouwgedeelte [adres 6] met bestemming daarvan tot opslag ten behoeve van kantoor en fietsparkeren;

- het aanbrengen van een luchtbehandelingskast en een condensor op het dak ten behoeve van de winkel;

- het verwijderen van de fietsenstalling op het binnenterrein behorende bij bovengenoemd gebouwgedeelte;

en hierbij af te wijken van de bepalingen van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning betreft onder andere een ontheffing voor het realiseren van een groter winkeloppervlak dan in het bestemmingsplan is toegelaten.

Belanghebbenden

2.1

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers belanghebbenden zijn in de zin van de artikelen 1:2 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient betrokkene een voldoende objectief en actueel persoonlijk belang te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in de hoedanigheid van eigenaar van een winkel, eenmanszaak [naam bedrijf] , belanghebbende. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat hiervan bij de avondwinkel sprake is. De avondwinkel bevindt zich op een afstand van 91 meter van het pand. De avondwinkel is van 10.00 uur ’s morgens tot 2.00 uur ’s nachts geopend. Zowel Marqt B.V. als [naam bedrijf] verkopen levensmiddelen, deels van dezelfde categorie (verse voedingsmiddelen). Niet uitgesloten is dan ook dat [naam bedrijf] ten gevolge van de besluitvorming in zijn concurrentiepositie wordt geraakt.

2.3

Ten aanzien van Albert Heijn B.V., eiseres 1, en Ahold Real Estate & Construction B.V., eiseres 2, komt de rechtbank tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat de winkels aan [adres 7] en [adres 3] op een afstand van ongeveer 500 meter van het pand zijn gesitueerd. Ten aanzien van deze supermarkten kan – ook gelet op de concentratie van supermarkten in de binnenstad – niet worden gezegd dat zij in hetzelfde verzorgingsgebied opereren. Reeds hierom kan eiseres 2, eigenaar van voornoemde panden, niet als belanghebbende worden aangemerkt. Ten aanzien van de supermarkt aan de [adres 4] , gelegen op een afstand van ongeveer 252 meter, komt de rechtbank tot het oordeel dat deze AH-vestiging weliswaar het zelfde verzorgingsgebied bedient als Marqt, maar dat eiseres 1 in de enkele hoedanigheid van franchisegever slechts een afgeleid belang heeft. De omstandigheid dat de exploitant een aan de winst gerelateerde afdracht aan Albert Heijn B.V. dient te betalen is onvoldoende om een eigen concurrentiebelang aan te nemen (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:828). Het beroep wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit is ingesteld namens eiseressen 1 en 2.

2.4

De rechtbank ziet ten slotte aanleiding om eiseres 3, de VvE, wel als belanghebbende aan te merken. Allereerst acht de rechtbank het aannemelijk dat de VvE optreedt als collectieve belangenbehartiger van de eigenaren van de appartementsrechten van de [adres 5] (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5800). Niet in geschil is dat de afstand tot het pand ca. 130 meter bedraagt. Verder is van belang dat het gaat om een omgevingsvergunning waarbij onder meer een uitbreiding van de winkeloppervlakte mogelijk wordt gemaakt van een pand dat aan dezelfde straat is gelegen als de VvE. De rechtbank acht het – bij deze afstand – niet uitgesloten dat het project van invloed is op het woon- en leefklimaat van de leden van de VvE. Het beroep is dan ook ontvankelijk voor zover dit namens eiseres 3 is ingediend.

Tijdigheid zienswijzen

3. Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. Zowel eiseres 3 als eiser hebben dit tijdig gedaan. Anders dan Marqt B.V. heeft betoogd, wordt de zienswijze van eiseres 3 geacht binnen de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb gestelde termijn van zes weken te zijn ingediend. Op grond van het tweede lid van artikel 3:16 van de Awb vangt deze termijn aan op de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd, te weten 5 oktober 2012. De termijn liep dan ook nog op 15 november 2012, wat de datum is waarop de zienswijze door eiseressen is ingediend.

Wijziging bouwplan

4.1

Eiseres 3 en eiser, hierna gezamenlijk te noemen eisers, voeren beiden aan dat de wijzigingen in het gewijzigde bouwplan van 12 juni 2013 niet van ondergeschikte aard zijn. Er had dan ook een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend, zodat belanghebbenden hiertegen een nadere zienswijze hadden kunnen indienen. In het bijzonder de wijziging van de oppervlaktematen van de winkel- en kelderruimte heeft tot gevolg dat het bouwplan een geheel andere ruimtelijke uitstraling krijgt. Verwezen wordt in dit verband naar een tweetal uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR0485) en 13 april 1995. Daarnaast is blijkens het verkeersonderzoek van 1 mei 2013 door Oranjewoud, dat na indiening van de zienswijzen is verricht en aan de besluitvorming ten grondslag ligt, het aantal laad- en losmomenten toegenomen tot 12 expeditiebewegingen per week, terwijl in een eerder onderzoeksrapport van 9 juli 2012 naar de verkeersaspecten van het bouwplan door Goudappel Coffeng uitgegaan werd van 9 laad- en losbewegingen per week.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijzigingen van het bouwplan niet van ingrijpende aard zijn en dat daarom geen nieuwe aanvraag vereist was. De belangen van eisers zijn hierdoor niet geschaad. De wijziging van de oppervlaktematen van de winkel betrof een verkleining van het winkeloppervlak van 694m2 naar 580m2. Een tweede wijziging betreft het laten vervallen van bebouwing in de binnentuin. Ten aanzien van de verkleining van de opslagruimte in de kelder van 694m2 naar 117m2 heeft verweerder aangevoerd dat Marqt B.V. – en hiermee de aanvrager – nooit heeft beoogd een zo groot deel van de kelder als opslagruimte te gebruiken, omdat Marqt B.V. overwegend met verse producten werkt. Bestreden wordt dat het aantal laad- en losbewegingen toeneemt.

4.3

De vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, dient per concreet geval te worden beantwoord (zie ook de Afdeling van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323). De rechtbank acht het in dit verband van belang dat de wijzingen in het bouwplan slechts inpandig dan wel in de binnentuin plaatsvinden en niet van het invloed zijn op het uiterlijk van het pand. Daarnaast betreft het een verkleining van het winkeloppervlak en opslagruimte in de kelder ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag. Met betrekking tot het aantal expeditiebewegingen per week overweegt de rechtbank dat in het rapport van Goudappel Coffeng een marge wordt gehanteerd van 7 tot 12 expeditiebewegingen per week, al wordt wel opgemerkt dat Marqt B.V. 9 laad- en losmomenten per week voorziet. In het rapport van Oranjewoud wordt ook uitgegaan van een maximum van 12 laad- en losmomenten per week. De rechtbank acht het aannemelijk dat het effect van de wijzigingen van het bouwplan op de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan gering is en dat eisers door de wijzigingen niet worden benadeeld. De wijzigingen worden gelet op het voorgaande van ondergeschikte aard geacht. Het indienen van een nieuwe aanvraag was dan ook niet noodzakelijk. Het betoog faalt.

Ontbreken ruimtelijke onderbouwing

5.1

Eisers voeren verder aan dat een toereikende ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit ontbreekt. De ruimtelijke onderbouwing is niet met het bestreden besluit meegezonden, zodat eisers niet hebben kunnen controleren of aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening is voldaan.

5.2

Op grond van artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geschiedt de mededeling van het besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken en door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. Volgens het tweede lid, aanhef en onder a van artikel 3:44 van de Awb kan worden volstaan met het meedelen van de strekking van het besluit aan een ieder van de hiervoor genoemde personen, als de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval mogen volstaan met de terinzagelegging van de bijlagen bij het besluit. De inhoud van het besluit zelf is wel meegedeeld en in het besluit wordt expliciet verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing als bijlage bij het besluit. Indien eisers eerder de beschikking wilden hebben over de ruimtelijke onderbouwing, hadden zij van de mogelijkheid tot inzage gebruik kunnen maken, te meer nu eisers werden bijgestaan door een professionele gemachtigde. Het betoog faalt.

Binnenplanse afwijking

6.1

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van het bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor voornoemde activiteit slechts worden verleend:

1o met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

2o in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3o indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

6.2

Ter plaatste geldt het bestemmingsplan “Westelijke binnenstad” (het bestemmingsplan). Op het pand rust de bestemming “gemengd-2”.

6.3

Niet in geschil is dat verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 1o van de Wabo is afgeweken van het toegestane maximum bedrijfsvloeroppervlak van detailhandel van 300m2, zoals voorgeschreven in artikel 12.5.2, onder b, van de planregels en de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte ten behoeve van de luchtbehandelingskast en condensor.

6.4

Op grond van artikel 2.6.1 van het bestemmingsplan kan in afwijking van artikel 12.5.2 een omgevingsvergunning worden verleend voor de vestiging van detailhandel met een groter vloeroppervlak dan 300m2, uitsluitend wanneer de vestiging:

- het woon- en leefklimaat niet in onevenredige mate aantast;

- geen overmatige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft; en

- de karakteristiek van het stadsgezicht niet in onevenredige mate aantast en/of in onevenredige mate afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied.

6.5

Overschrijding van de bouwhoogte is op grond van artikel 12.4.5 van het bestemmingsplan mogelijk ten behoeve van – onder andere – koelinstallaties tot ten hoogste vier meter, alleen indien aantoonbare redenen uitwijzen dat deze niet (geheel) inpandig kunnen worden gerealiseerd en onder de voorwaarde dat deze installaties zo klein als technisch mogelijk zijn, zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare ruimte dienen te worden geplaatst en het daklandschap niet onevenredig wordt aangetast.

Overschrijding vloeroppervlak ten behoeve van detailhandel

7.1

Eisers voeren inhoudelijk tegen het bestreden besluit allereerst aan dat verweerder bij het toestaan van een groter winkeloppervlak dan toegestaan in het bestemmingplan onjuiste toepassing heeft gegeven aan de criteria die daarvoor in de planregels zijn opgenomen. Hun woon- en leefklimaat wordt onevenredig aangetast doordat er zich geen doorgaande weg in de negen straatjes bevindt en supermarkten doorgaans aan/bij doorgaande wegen zijn gevestigd. Evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat het plan geen overmatige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft. De parkeerdruk in de buurt neemt toe, alsmede de verkeersonveiligheid. De onderzoeken door Goudappel Coffeng en Oranjewoud die aan de besluitvorming ten grondslag liggen, zijn onvoldoende. Eiseres 3 heeft ter onderbouwing van dit standpunt bij de zienswijze een tegenonderzoek overgelegd van BK Civiele techniek van 13 november 2012. In beroep heeft eiseres een aanvullend advies van 17 september 2013 overgelegd. Bij het onderzoek van Goudappel Coffeng is allereerst met onjuiste oppervlaktematen gerekend voor wat betreft het winkeloppervlak. Er is in het geheel geen onderzoek gedaan naar de toename van de parkeerbehoefte van auto’s. Het onderzoek naar de behoefte aan fietsparkeerplekken en de wijze waarop hierin kan worden voorzien heeft onzorgvuldig plaatsgevonden. Miskend is dat vóór de vergunde situatie er al nauwelijks ruimte was om de bestaande behoefte aan fietsparkeerplekken op te vangen. De situering van de fietsparkeerplekken en de wijze waarop het laden en lossen plaatsvindt leiden tot verkeersonveilige situaties. De fietsers die hun fiets parkeren aan de overzijde van het pand aan de grachtzijde zullen het drukke kruispunt [adres 8] moeten oversteken om het pand te kunnen bereiken. De fietsenstalling tegen de gevel van het pand blokkeert het voetpad, zodat voetgangers gebruik zullen moeten maken van de rijbaan. Verwezen wordt naar het negatieve advies van brigadier van politie [naam 2] van 16 april 2012, die in dit stuk onder meer op dit risico heeft gewezen. De verkeersaantrekkende werking is daarnaast met name ten aanzien van het aantal expeditiebewegingen onvoldoende onderzocht. Ook hier is de verkeersveiligheid in het geding, omdat de laad- en losplek niet geschikt is voor het vrachtverkeer, zodat dit laden en lossen naar verwachting feitelijk in de [adres 8] zal plaatsvinden. Verweerder heeft een convenant afgesloten met Marqt B.V. en met vergunninghouder. Hiermee is echter onvoldoende gewaarborgd dat het aantal laad- en losmomenten maximaal 12 keer per week zal bedragen. Het had volgens eisers op de weg van verweerder gelegen om voorschriften op dit punt in het bestreden besluit op te nemen, om bestuursrechtelijke handhaving mogelijk te maken.

7.2

De rechtbank overweegt als volgt. De door eiseres gestelde omstandigheid dat supermarkten over het algemeen aan doorgaande wegen zijn gevestigd, wat daar overigens ook van zij, betekent niet dat het mogelijk maken van meer winkelruimte op deze locatie per definitie leidt tot een onevenredige aantasting van het woon en leefklimaat. Eisers hebben dit punt ook niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Voor zover eisers doelen op de verkeersaantrekkende werking zal dit hierna worden besproken.

7.4

De rechtbank stelt voor wat betreft de gestelde verkeersaantrekkende werking, parkeerdruk en verkeersonveiligheid vast dat verweerder aan de besluitvorming naast de eerdergenoemde rapporten van Goudappel Coffeng en Oranjewoud de ruimtelijke onderbouwing van 9 juli 2013 en het positief advies van de verkeerspolitie van 4 juli 2013 ten grondslag heeft gelegd. Eiseressen hebben voornoemde tegenadviezen van BK Civiele Techniek overgelegd. Eiser heeft in het geheel geen tegenadviezen overgelegd.

7.5

In de rapportage van Goudappel Coffeng wordt op basis van observaties van twee keer 15 minuten op 17 november 2012 op verschillende tijdstippen op drie vergelijkbare locaties, namelijk bij de Albert Heijn aan de [adres 10] , de Albert Heijn aan [adres 4] en de Marqt aan [adres 9] , aangenomen dat het autogebruik op de locatie van het pand laag is. Voor de Albert Heijn op de [adres 10] geldt dat er geen autoparkeerplaatsen zijn. Bij de Albert Heijn aan [adres 4] zijn autoparkeerplaatsen, maar niet waargenomen kon worden dat bezoekers van Albert Heijn hiervan gebruik maakten. Bij Marqt kon niet worden waargenomen of de gebruikers van de nabij gelegen openbare parkeergarage bezoekers waren van Marqt. Het parkeeraanbod op [adres] is beperkt en stond tijdens de waarneming nagenoeg vol. Op basis van gegevens van de opdrachtgever, observaties en gegevens van CROW concludeert Goudappel Coffeng dat de gemiddelde fietsparkeerbehoefte 17 plaatsen bedraagt en – afhankelijk van de dag – de maximum parkeerbehoefte tussen de 21 en 38 plekken. Goudappel Coffeng adviseert om 28 plekken te realiseren, zo dicht mogelijk bij de ingang van de supermarkt.

7.6

Door het onderzoeksbureau Oranjewoud zijn eveneens observaties verricht, maar dan gedurende twee uur aaneengesloten. Hoewel het rapport voornamelijk ziet op de fietsparkeerdruk, wordt over het autogebruik gemeld dat beperkt waarneembaar was dat bezoekers van de Albert Heijn aan [adres 4] met de auto kwamen. Dit waren er 5, waarvan er 2 werden afgezet door de bestuurder. Opgemerkt wordt dat de observaties door Goudappel Coffeng van 15 minuten aaneen mogelijk te kort waren. In het rapport van Oranjewoud wordt het aantal fietsparkeerplekken op basis van het nieuwe winkeloppervlak van 580m2 en de CROW normen berekend op 31. Oranjewoud berekent daarnaast het aantal benodigde fietsparkeerplekken op basis van eigen observaties en de tellingen die door zowel Goudappel Coffeng als BK Civiele Techniek zijn gedaan. Het maximum aantal benodigde plekken wordt berekend op 21 à 37 plekken. In het licht hiervan komt het aantal geadviseerde plekken van 31 realistisch voor. Omdat het trottoir in de [adres 8] te smal is, dienen deze op het trottoir van [adres] (11 plekken) alsmede aan de overzijde van [adres] (20 à 26 plekken) worden gerealiseerd. Erkend wordt dat ‘wild’ parkeren van fietsen bij ingang niet kan worden vermeden.

7.7

In de rapportage van BK Civiele techniek van 13 november 2012 wordt de betrouwbaarheid van het onderzoek door Goudappel Coffeng betwist, omdat de korte observaties te kort zijn om representatief te kunnen zijn. Dit wordt onderbouwd met observaties die door BK Civiele techniek op 1 en 3 november 2012 zijn gedaan (4 x 15 minuten). Daarnaast is bij een van de supermarkten niet de donderdag, maar de zaterdag de drukst bezochte dag. In de aanvullende rapportage van 17 september 2013 wordt op basis van ‘bevindingen’ geconcludeerd dat de druk op de autoparkeerplaatsen nog verder toeneemt met ca. 10 parkeerplekken.

7.8

Naar het oordeel van de rechtbank geven de tegenrapportages van BK Civiele Techniek onvoldoende aanleiding tot twijfel aan het onderzoek naar de parkeerbehoefte dat aan het besluit ten grondslag ligt. Voor zover de observaties door Goudappel Coffeng (mogelijk) te kort zijn geweest en het onderzoek op dat punt onzorgvuldig zou zijn, merkt de rechtbank op dat dit met het rapport van Oranjewoud is gerepareerd en BK Civiele Techniek ook observaties van 15 minuten aaneengesloten heeft verricht. Ten aanzien van de conclusie van BK Civiele Techniek over de toename van de druk op autoparkeerplaatsen met 10 parkeerplekken, overweegt de rechtbank dat in het rapport geen onderbouwing van deze conclusie is opgenomen. Verweerder heeft zich gezien het voorgaande op de conclusies uit de rapportages van Goudappel Coffeng en Oranjewoud kunnen baseren. Op basis daarvan heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van overmatige verkeersaantrekkende werking. Voor zover eisers hebben betoogd dat in de rapportage van Oranjewoud ten onrechte geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van vóór het bestreden besluit, overweegt de rechtbank dat in het kader van de toetsing van de huidige omgevingsvergunning alleen relevant is in hoeverre sprake is van een toename van de behoefte aan het aantal fietsparkeerplaatsen ten gevolge van de verleende vergunning.

7.9

Met betrekking tot de verkeersveiligheid, welke volgens eisers met name in geding is door het fietsparkeren en de feitelijke onmogelijkheid om te laden en te lossen op de voorziene plek, overweegt de rechtbank dat uit het advies van verkeersadviseur [naam 2] van 4 juli 2013 naar voren komt dat de eerder – in een advies van 16 april 2012 – geuite bezwaren voor het merendeel zijn weggenomen door de maatregelen die door verweerder zijn getroffen. Dit betreffen de maatregelen die in een verkeersbesluit van 9 juli 2013 worden geregeld en in het convenant tussen verweerder en Marqt B.V. waarin wordt vastgesteld dat er maximaal 12 laad- en losbewegingen per week plaatsvinden op de daartoe aangewezen plaats. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder het advies van 4 juli 2013 niet heeft kunnen volgen.

7.10

Voor zover eisers hebben betoogd dat het bestreden besluit een overmatige verkeersaantrekkende werking heeft in de vorm van een toename van het aantal laad- en losmomenten voor de bevoorrading en afvoer van Marqt B.V. overweegt de rechtbank dat verweerder ook hier terecht de conclusies uit de rapporten van Goudappel Coffeng en Oranjewoud heeft overgenomen. Hoewel het aantal laad- en losbewegingen door de komst van de supermarkt naar verwachting zullen toenemen, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat deze toename nog niet leidt tot de conclusie dat de verkeersaantrekkende werking bovenmatig zou zijn.

7.11

Eisers voeren voorts aan dat evenmin is voldaan aan het vereiste dat het grotere winkeloppervlak niet in onevenredige mate afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. Het plangebied kenmerkt zich door kleinschaligheid. Door een grote supermarkt toe te staan wordt hierop inbreuk gemaakt. Het levert strijd op met het conserverende karakter van het op 7 februari 2013 vastgestelde bestemmingsplan. Het rechtzekerheidsbeginsel wordt hierdoor geschonden.

7.12

In de ruimtelijke onderbouwing wordt uiteengezet dat het beleid van de binnenstad er in toenemende mate op is gericht om grotere functies in grotere gebouwen te vestigen. Gelet op de grootte van het gebouw, dat bestaat uit vijf separate panden uit de tweede helft van de 20e eeuw die door een reeks verbouwingen en doorbraken met elkaar verbonden zijn, is de vestiging van een supermarkt van 580m2 passend. Het gebouw leent zich minder voor meerdere kleinere winkels. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat met het toestaan van een supermarkt met een grotere winkeloppervlakte geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. Met betrekking tot de rechtszekerheid overweegt de rechtbank dat het bestemmingsplan door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een supermarkt met meer dan 300m2 mogelijk maakt, mits aan de hierin vermelde voorwaarden wordt voldaan. Van een conserverend karakter is in dit opzicht dan ook geen sprake.

7.13

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de criteria zoals genoemd in artikel 2.6.1 van het bestemmingsplan, om gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid om af te wijken van de in het bestemmingsplan toegestane maximale vloeroppervlakte voor detailhandel. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Bouwhoogte

8.1

Eiseres 3 heeft tegen de overschrijding van de bouwhoogte ten behoeve van de luchtbehandelingskast en condensor aangevoerd dat deze zichtbaar zijn vanuit de keurtuin achter het pand en dat daarom niet is voldaan aan de voorwaarde dat de dakinstallaties niet zichtbaar mogen zijn vanuit de openbare ruimte, namelijk de keurtuin. Daarnaast vormt voornoemde koelinstallatie een onevenredige aantasting van het daklandschap. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor zover de koelinstallaties al zichtbaar zijn vanuit de keurtuin, dit niet maakt dat zij zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. De keurtuin is immers niet een voor ieder toegankelijk gebied.

8.2

Niet in geschil is dat de koelinstallaties niet zichtbaar zijn vanaf de straat en ter zitting heeft eiseres 3 ook niet bestreden dat de keurtuin geen openbare ruimte betreft. Daarmee staat vast dat de installaties uit het zicht van de openbare ruimte zijn geplaatst. Verweerder heeft daarnaast in de ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd uiteengezet dat het inpandig realiseren van de installaties niet mogelijk is. Eiseres heeft dit niet onderbouwd bestreden. De stelling van eiseres 3 dat de koelinstallatie een onevenredige inbreuk op het daklandschap zou vormen is evenmin onderbouwd. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om ten aanzien van de maximale bouwhoogte, met inachtneming van de criteria van artikel 12.4.5 van het bestemmingsplan, af te wijken van het bestemmingsplan.

Buitenplanse afwijking

9.1

Uit artikel 12.2.13 van het bestemmingsplan volgt dat het samenvoegen van gebouwen niet is toegestaan. Verweerder is voor wat betreft de samenvoeging van de percelen en het gebruik van de kelder ten behoeve van de winkel afgeweken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3o van de Wabo.

9.2

Voor zover eisers zich in het algemeen op het standpunt stellen dat een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing ontbreekt, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 5.3 heeft overwogen.

9.3

Inhoudelijk voeren eisers in dit verband aan dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De grootschaligheid van het project doet in onevenredige mate afbreuk aan het plangebied dat zich kenmerkt door kleinschaligheid van de detailhandel. Een grote winkel als Marqt B.V. past hier niet in, zo ook niet de samenvoeging van percelen om dit te realiseren. Eiseressen doen ook in dit verband een beroep op de rechtszekerheid, omdat de afwijking in strijd is met het conserverende karakter van het recente – op 7 februari 2013 – vastgestelde bestemmingsplan.

9.4

De rechtbank verwijst allereerst naar wat zij in 7.12 van deze uitspraak heeft overwogen. Voor zover eisers met het voorgaande hebben betoogd dat het belang van de parcellering in de binnenstad dient te prevaleren, overweegt de rechtbank dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt vermeld dat er in de eerste bouwlaag reeds een doorbraak aanwezig is en dat aansluitend op de supermarktruimte, kantoorruimte en dergelijke zal worden gerealiseerd. Hetgeen eisers hebben aangevoerd over de grootte van de supermarkt doet dan ook niet terzake. De grootte van de supermarkt, die het gevolg is van een vergroting van het winkeloppervlak, is immers niet het gevolg van de samenvoeging. Voor wat betreft de rechtszekerheid overweegt de rechtbank hierbij aanvullend dat de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid af te wijken van een bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, mits hieraan een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. In dit geval is hiervan sprake. Eisers hebben verder geen inhoudelijk relevante argumenten aangevoerd voor het standpunt dat de samenvoeging / gebruik van de kelder ten behoeve van de winkel in strijd zouden zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Slotsom

10. Uit voorgaande overwegingen volgt dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht en in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan gebruik heeft kunnen maken.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak AMS 13/4674 van eiser [naam 1] ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak AMS 14/4705, voor zover dit is ingesteld namens eiseressen Albert Heijn B.V. en Ahold Europe Real Estate en Construction B.V. niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover ingesteld namens de Vereniging van Eigenaars [adres 5] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, en mrs. R.B. Kleiss en M.M. Verberne, leden, in aanwezigheid van mr. F.K. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.