Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3700

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
C-13-508997 - HA ZA 12-120
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzerkeringsrecht. Beurspolis. Geschil over schade door kruip en een losgeraakt onderdeel in warmtekrachtcentrales.

De rechtbank stelt vast wie de risicodragende verzekeraars zijn.

De vordering is gedeeltelijk verjaard. Ontstaansmoment van vordering is moment van (ontdekking van) de schade, niet de opeisbaarheid van de verzekeringspenningen. Stuitingsbrieven niet conform de polisvoorwaarden verzonden.

Het beroep op benadeling van de verzekeraars is een beroep op verrekening. De rechtbank passeert dat beroep.

De rechtbank komt op basis van de rapportage van de oorspronkelijk door partijen benoemde deskundige tot het oordeel dat er voor een (gedeelte van) de schade dekking bestaat. De intrekking van de opdracht aan de gezamenlijk door partijen benoemde deskundige door de verzekeraars is zonder werking gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vonnis van 17 juni 2015

in de zaken met zaaknummers / rolnummers C/13/508997 / HA ZA 12-120 en

C/13/514249 / HA ZA 12-423 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT POWER B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen

1. de buitenlandse vennootschap

IF SKADEFORSAKRINGS AKTIEBOLAG,

gevestigd te Stockholm (Zweden),

2. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

3. de buitenlandse vennootschap

AIG EUROPE LIMITED

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

4. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

5. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

6. de naamloze vennootschap

GENERALI SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Diemen,

(en uitsluitend in de zaak C/13/514249 / HA ZA 12-423:)

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALLIANZ EUROPE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

Partijen zullen hierna Essent en respectievelijk If, Reaal, AIG, Allianz, Delta Lloyd, Generali en Allianz BV (gezamenlijk: de verzekeraars) worden genoemd, met dien verstande dat onder de verzekeraars in de zaak met rolnummer HA ZA 12-120 Allianz B.V, niet is begrepen.

1. De procedures

1.1. Het verloop van de procedures blijkt uit:

in de zaak C/13/508997 / HA ZA 12-120

- de dagvaarding van 16 januari 2012, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 13 juni 2012 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2012, met de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brief van 27 november 2012 van mr. Baetsen naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de beslissing van 4 december 2012 van de rechtbank, dat het proces-verbaal niet zal worden aangepast,

  • -

    het verzoek van 18 december 2012 van mr. Baetsen om de brieven van 27 november 2012 en 18 december 2012 aan het proces-verbaal te hechten,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties tevens akte overlegging producties, van Essent, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties van de verzekeraars.

in de zaak C/13/514249 / HA ZA 12-423

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2012, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 18 juli 2012 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2012, met de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brief van 27 november 2012 van mr. Baetsen naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de beslissing van 4 december 2012 van de rechtbank, dat het proces-verbaal niet zal worden aangepast,

  • -

    het verzoek van 18 december 2012 van mr. Baetsen om de brieven van 27 november 2012 en 18 december 2012 aan het proces-verbaal te hechten,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties tevens akte overlegging productie, van Essent met een productie,

  • -

    de akte uitlating producties van de verzekeraars.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in beide zaken

2.1. Essent is de rechtsopvolger van (onder meer) Gas Edon v.o.f.

2.2. Essent exploiteert twee warmtekrachtcentrales (hierna: WKC’s) in Drenthe, één in Erica en één in Klazienaveen. In april 1994 is gestart met de bouw van beide WKC’s. De WKC in Erica (hierna: WKC Erica) is opgeleverd op 8 maart 1996. De WKC in Klazienaveen (hierna: WKC Klazienaveen) is opgeleverd op 9 mei 1996.

2.3. Essent heeft met betrekking tot de twee WKC’s een All Risks Object en Objectbedrijfsschadeverzekering (hierna: de verzekering) gesloten. De tekst van de desbetreffende polis luidt:

Wij, ondergetekenden (hierna te noemen: “de verzekeraars”), nemen hierbij op ons te verzekeren:

1. GasEdon Emmen VoF en/of N.V. Edon Electriciteitsmaatschappij Oost en Noord Nederland en/of N.V. Nederlandse Gasunie

-zijnde- en in de polis zo nodig tevens aangeduid als -“de verzekeringneemster”-, ten deze optredende zowel voor eigen rekening als voor rekening van de sub 2. Genoemde verzekerden en medeverzekerden, zulks met of zonder lastgeving;

2a. Asea Brown Boveri, als medeverzekerde.

(…)

tegen de risico’s, voor de bedragen en op de condities, zoals hieronder gemeld.

I. MATERIELE SCHADE aan de verzekerde objecten (…)

IV. BEDRIJFSSCHADEVERZEKERING (…)

Verzekeraars

via Funk International Nederland via [bedrijf x]

Skandia Insurance Company*) 35,00% AIG Europe (Netherlands) N.V.*) 30,00%

Sun Alliance Verzekering 10,00% Allianz Nederland N.V. 13,50%

Wintherthur Verzekeringen 5,00% [bedrijf y]

2,50%

Avero Schadeverzekeringen N.V. 2,50%

Nederlandse Assurantie groep B.v. 1,50%

50,00% 50,00%

*) bovenstaande verzekeraars.

2.4. De algemene voorwaarden (hierna: AVW) die deel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst luiden:

1. Definities

1.1 Onder “materiële schade”, als bedoeld in deze polis, wordt verstaan:
Iedere objectieve aantasting van de stoffelijke structuur van een zaak die naar verkeersopvattingen de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt.

(…)

1.2 Als “schadegeval” resp. “het schadegeval” in de zin deze polis c.a. wordt beschouwd een gebeurtenis, resp. een complex van gebeurtenissen voortvloeiende uit één en dezelfde oorzaak.

(…)

3.5. “TO FOLLOW CLAUSE” - Mededelingen omtrent uitbreiding van de dekking en/of verhoging van de verzekerde sommen boven de huidige polislimieten zullen aan alle ondertekenaars van de polis worden gedaan. Alle overige mededelingen omtrent deze verzekering zullen worden gedaan aan Skandia Insurance Company en AIG Europe (Netherlands) N.V. handelend als bovenstaande verzekeraars welke zullen worden geacht namens alle ondertekenaars van de polis te zullen optreden. (…)

6. Schaderegeling

(…)

AFSTAND VAN REGRES - De verzekeraars verbinden zich hierbij om ingeval van een door hen onder deze verzekering gedane betaling, geen gebruik te maken van een eventueel door hen krachtens subrogatie overeenkomstig art. 284 W.V.K. of anderszins verkregen recht van verhaal, hetwelk zij zouden kunnen uitoefenen, tegenover enige andere verzekerde, een en ander met dien verstande dat zij hun recht van verhaal behouden op die verzekerde, (….) die op grond van de garantieverplichtingen met betrekking tot de oorspronkelijke levering van beide installaties, welke onderdeel vormen van zijn leveringsvoorwaarden, aansprakelijk is.

7. Schadevaststelling

Als uitsluitend bewijs van de hoegrootheid – en waar mogelijk de oorzaak van de schade zal gelden een taxatie opgemaakt door een nader door partijen te benoemen expert.

8. Tijdstip van schadebetaling

De verschuldigde schadevergoeding zal worden voldaan binnen vier weken na ontvangst door verzekeraars van het afsluitend rapport van de schadeexpert.

(…)

14. Mededelingen

Alle mededelingen van de verzekeraars aan een verzekerde of van een verzekerde aan verzekeraars, de onderhavige verzekeringsovereenkomst betreffende zullen rechtsgeldig kunnen geschieden aan Funk (…).

2.5. De bijzondere voorwaarden (hierna: BVW) die deel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst luiden:

1.4. Uitsluitingen

Van de verzekering is uitgesloten:

(…)

1.4.2. Normale slijtage, normale corrosie, en enig ander geleidelijk bederf (voorzover geen invloed op de verwachte levensduur/standtijd van de verzekerde objecten hebbend) met uitzondering van de gevolgschade daardoor veroorzaakt.

(…)

1.4.3. Kosten en/of uitgaven in verband met verbeteringen en/of veranderingen in het ontwerp en/of in enig onderdeel van het object in verband met het gebruik en/of de toepassing van verbeterde en/of veranderde werkwijze, constructie e.d. zijn van de dekking uitgesloten voorzover die kosten en/of uitgaven de normale kosten van reparatie, vervanging e.d. te boven gaan.

(…)

1.5. Basis schadevergoeding

(…)

1.5.3. Schadevergoeding voor gasturbineschoepen zal voor alle beschadigde schoepen plaats vinden op basis van dagwaarde. (…) De dagwaarde van een rij is gelijk aan de nieuwwaarde minus 0,25% van deze waarde per 100 EOH. Als de technische levensduur van een bepaalde rij volgens de leverancier kleiner is dan 40.0000 EOH, wordt afgeschreven in verhouding van het verbruikte EOH tot de door de leverancier opgegeven EOH.

2.6. Het 1ste aanhangsel bij de verzekeringsovereenkomst luidt:

(…)

3. verzekeraarsverdeling

De verzekeraarsverdeling zal met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum als volgt zijn vastgesteld:

via Funk International Nederland via [bedrijf x]

Skandia Insurance Company*) 45,00% AIG Europe (Netherlands) N.V.*) 30,00%

Wintherthur Verzekeringen 5,00% Allianz Nederland N.V. 13,50%

[bedrijf y]

2,50%

Avero Schadeverzekeringen N.V. 2,50%

Nederlandse Assurantie groep B.v. 1,50%

50,00% 50,00%

*) bovenstaande verzekeraars.

2.7. De verzekeringsovereenkomst was voor verzekeraars jaarlijks opzegbaar. Een aantal verzekeraars heeft tegen 16 mei 1998 om 12:00 opgezegd. De gezamenlijke verzekeraars vóór deze zogenoemde panelwissel worden hierna (ook) aangeduid als “Groep 1”, en na deze panelwissel als “Groep 2”.

2.8. If, Reaal, AIG, Allianz en Delta Lloyd zijn (rechtsopvolgers van) de verzekeraars van Groep 1.

2.9. Op 30 mei 1998 is tijdens routineonderhoud schade aan de gasturbine van de WKC te Erica ontdekt. Het gaat daarbij om – kort gezegd – (1) een gebroken omloophuls en (2) om slijtage aan honingraatafdichtingen.

2.10. Essent vordert vergoeding van (onder meer) de schade als gevolg van het afbreken van de omloophuls (in de stukken ook aangeduid als “schnapsglass” in verschillende spellingen) in de procedure met nummer 12-423. Deze schade zal hierna ook als omloophulsschade worden aangeduid. De slijtage aan de honingraatafdichtingen (ook: “honeycombs”) hangt, volgens Essent, samen met het metallurgisch fenomeen “kruip”. De vergoeding van de daardoor geleden schade vordert Essent in de procedure met nummer 12-120. De rechtbank zal, met partijen, daarom spreken van “kruipschade”.

2.11. Een derde juridische procedure tussen enerzijds Essent en anderzijds If, (de rechtsvoorganger van) Reaal, Allianz Finance BV, Chartis, Delta Lloyd, Generali en verzekeraars van Groep 2 ziet op zogenoemde nitraatspanningscorrosie in de WKC’s. Daarin is door de rechtbank op 7 december 2011 eindvonnis gewezen. Er is appel ingesteld.

2.12. Bij brief van 2 juni 1998 schreef Essent aan Funk International Nederland (hierna: Funk):

Hierbij delen wij u mede dat, met betrekking tot de schade aan ketel 1 te Erica, de bellow tussen het kanaal en de ketel is gerepareerd. (…) Tijdens het vervangen van de veren van bypass nozzles van de verbrandingskamer van gasturbine nr. 1 is een tweede schade ontdekt. Er is een geheel gebroken onderdeel uit de machine gehaald.

2.13. Bij fax van 3 juni 1998 schreef Funk aan (onder meer) If:

Verzekerde deelde ons mede dat op respectievelijk 29 mei 1998 en zaterdag 30 mei 1998 reparaties hebben plaatsgevonden met betrekking tot de schade aan ketel 1 te Erica. Tijdens het vervangen van de veren van de bypass nozzles van de verbrandingskamer van gasturbine nr. 1 is een tweede schade ontdekt. Er is een geheel gebroken onderdeel uit de machine gehaald. Op verzoek van ABB Rotterdam is een inspecteur vanuit Zweden opgeroepen om de eventuele restschade te onderzoeken.

Op voorhand hebben wij GAB Robins Takkenberg benoemd, er van uitgaande dat u accoord gaat met deze benoeming.

2.14. Het “preliminary report” van de expert de heer G.S.G. Eliasar (hierna: Eliasar) van GAB Robins Takkenberg B.V. (hierna ook: GAB Robins) met betrekking tot de omloophulsschade van 12 juni 1998 houdt, voor zover hier van belang, in:

3 DISCOVERY

The insured had stopped gasturbine GT- 1 at Erica on Friday May 29, 1998 in order to permit contractor ABB to install measuring equipment required for a planned performance test. That test was necessary to formally conclude the contractual warranty obligations of ABB towards the insured and had been planned well in advance of this date.

If all had proceeded according to the plan, so we were advised, the GT-l unit would have been back on stream on Monday June 1, 1998 at approximately 16.00 hours.

However, when the ABB engineers opened up the machine on Saturday May 30, 1998 (after it had cooled down sufficiently) it was found that a part - initially identified as a ‘snap glas’, but in fact a steel nozzle (ø approx. 55 mm, approx. 75 mm tall) - attached to the combustion chamber of the GT-l unit had broken into at least 3 parts. Of these parts two could be retrieved but the third part was missing (for reasons of simplicity we assume that the missing part is in one piece but it is quite possible that it consists of more than one piece).

Immediately a specialist was called out from the factory in Sweden to do a so-called borescope (a borescope is a device using a flexible tubular glassfibre instrument to view the inside of - in this case - a turbine without actually having to dismantle the section to be viewed) inspection of the turbine blades and vanes situated immediately after the combustion chamber. The man reported on June 2, 1998 (we have a copy of his handwritten draft report on file) that it was noticed that damage was present on two inlet guide vanes on the trailing edge of those vanes.

The man furthermore stated that it is not possible to inspect all guidevanes by borescope.

4 CAUSE

When we write this report all that is know is the fact that aside from a broken nozzle, damage was observed on two inlet guide vanes of the first row following the combustion chamber. Current wisdom has it that it is realistic to propose that the latter damage is the result of the missing piece of the nozzle having impacted with those vanes.

In addition the insured is of the firm opinion that the nozzle fracture predates the formal expiry of the warranty on this machine (25 March 1998, but subject to confirmation).

To assist with making certain that this assumption is correct, one would at least have to do a metallurgical investigation of the broken nozzle and one would furthermore have to open up the gasturbine unit in such a way as to permit a full inspection of all vanes and blades.

The design of the gasturbine is such - because of its split shaft construction - that the so-called powerturbine section can be segregated from the compressor section with relative ease (…) and a full visual inspection becomes possible once this has been done.

We were advised today that this inspection by a specialist will take place on Tuesday June 16, 1998, reportedly the first date an ABB specialist was available for this work

5 EXTENT OF DAMAGE

5.1

material damage

The extent of the physical damage is still unknown, other than the damage already mentioned. However the concern is that more damage has been done than currently has been identified.

5.2

consequential loss

As long as the machine is stopped 50 % of the capacity of the Erica station is out of action. As a result at least that station cannot comply with the contractual nominal capacity of 65 MW.

5.2.1

measures taken

The damage was found more or less by coincidence on May 30, 1998 and before stopping the unit on 29 May 1998 there had not been any indication of problems with either the gasgenerator section or the powerturbine section of the gasturbine that could have served as an indication that something was wrong. Because of this, the location manager and indeed also our engineer adjuster, considered it worthwhile to propose to start the machine and run it to its scheduled maintenance stop (a so-called B-inspection) beginning in week 30, 1998 (week of 21 July 1998). This proposal was actively promoted with the ABB organisation (…) However, on 4 June 1998 ABB Rotterdam advised the insured by facsimile that the ABB organisation was not prepared to participate in taking a risk.

(…)

In view of this statement ABB was requested to proceed with a visual inspection as indicated so that any uncertainties could be removed. However, ABB was unable to provide this service earlier than Tuesday June 16, 1998, so it was reported to us by the manager WKC group of GasEdon v.o.f.

(…)

2.15.

Bij fax van 27 juli 1998 schreef Funk aan Essent:

Hiermee bevestigen wij schade aan alle powerunits welke reeds bekend zijn bij verzekeraars.

Het betreft hier de excentrikiteit van de powerturbine’s.

Er is een bovenmatige slijtage geconstateerd bij de afdichtingsringen.

2.16.

De positie van [bedrijf x] als - kort gezegd - makelaar en aanspreekpunt met betrekking tot de tweede bovenstaande verzekeraar (voor Groep 1: AIG) is op enig moment overgenomen door Marsh LLC (hierna: Marsh).

2.17.

Bij brief van 23 oktober 2000 schreef Marsh aan Funk:

(…)

AIG heeft ons uitdrukkelijk medegedeeld dat deze verzekeraar [de rechtbank leest: verzekering] weliswaar in co-brokerschip is gesloten, echter dat hij de verzekering ziet als een “gewone” co-assurantiepost, waarbij het de gewoonte is dat de leader (in casu: AXA) als eerste parafeert. Voor de goede voortgang van de schade willen wij u dan ook vragen de door AIG verlangde procedure te volgen.

2.18.

Op 17 november 2000 heeft Eliasar met betrekking tot de kruipschade een Eerste rapport uitgebracht. Dit houdt, voor zover hier van belang, in:

DATUM VOORVAL : Kort na 16 juni 1998 voor wat betreft GT 10 gasturbine, serienr. B-623, centrale nr. GT1 in Erica.

(…)

SCHADEADRES : De warmtekrachtinstallaties in de dorpen Erica en Klazienaveen, Nederland.

VOORVAL : Zie rapport

(…)

ONTDEKKING

Kort na 16 juni 1998 bleek dat de rotor van de turbine van machine nr. GT1 in Erica (serienr. B-623) niet meer recht ten opzichte van de stator (een onderdeel bekend als de PT diffusor) stond.

(…)

2.19.

Op 29 augustus 2001 is er een gesprek geweest tussen [naam 1] van GAB Robbins Takkenberg en advocaten van If. De desbetreffende gespreksnotitie van de hand van mr. Kouwenhoven houdt, voor zover hier van belang, in:

Wij spraken over het al dan niet voortzetten van de werkzaamheden door GAB Robins Takkenberg. In de onderhavige zaak is inmiddels een duidelijke tegenstelling van belangen ontstaan. Niet alleen staan verzekeraar en verzekerde tegenover elkaar, met name de twee groepen verzekeraars hebben een volledig tegenstrijdig belang.

[naam 1] gaf aan dat hij het uit professioneel opzicht een goed idee zou vinden om de opdracht terug te geven en het dossier te sluiten. (…) [naam 2] kon hier als advocaat van de verzekeraars van groep 1, althans van IF, van harte mee instemmen. [naam 1] gaf echter aan dat de andere twee partijen zich waarschijnlijk niet zonder slag of stoot bij deze beslissing zullen neerleggen. Naar hij verwacht, zal in ieder geval de verzekerde problemen hebben met het teruggeven van de opdracht door GAB Robins Takkenberg. Verder zullen de verzekeraars van groep 2 hier ook niet zondermeer mee instemmen.

Wij spraken over hoe destijds de opdracht aan GAB Robins Takkenberg is verstrekt. Uit de brief van Eliasar van 17 mei jl. blijkt het volgende:

“Destijds werden wij middels het intermediair van Funk International Nederland door partijen – zijnde IF (destijds Skandia) als een van de leidende verzekeraars en Gas Edon als verzekerde – benoemd om deze schade te behandelen.”

Hieruit volgt dat GAB Robins Takkenberg in beginsel door de verzekeraars van groep 1 is ingeschakeld. Later is GAB Robins Takkenberg echter de werkzaamheden ook voor de verzekeraars van groep 2 gaan verrichten. Op grond van de polisvoorwaarden wordt een deskundige aangewezen die in opdracht van verzekeraar(s) en verzekerde onderzoek zal doen naar de oorzaak en de omvang van de schade. [naam 1] gaf aan dat GAB Robins Takkenberg de opdracht via de makelaar Funk had gekregen en er dus niet van op de hoogte is welke verzekeraars op de polis hebben ingetekend. GAB Robins Takkenberg was derhalve ook niet op de hoogte van een risico-overgang en van een eventueel tegenstrijdig belang. Uiteraard kan GAB Robins Takkenberg geen verwijt worden gemaakt dat een en ander zo is gelopen, maar nu de situatie eenmaal geworden is tot de huidige, waarin de drie partijen overduidelijk tegenstrijdige belangen hebben, dient er actie te worden ondernomen. (…)

2.20.

Bij brief van 1 oktober 2001 schreef Eliasar aan [naam 3] van If:

In het kader van de destijds uitsluitend door U verstrekte opdracht (verzekeraars van de polis ingaande 16 mei 1998, 0.00 uur, benoemden Crawford & Company) hebben wij de van verzekerde ontvangen opstellingen voor de materiële schade en de bedrijfsschade verwerkt tot een voorstel aan hen met betrekking tot de door ons binnen het kader van uw opdracht te rapporteren omvang van een schade welke gereclameerd werd als zijnde reeds vóór 15 mei 1998 (middernacht) ontstaan.

Bij dat omstandig gemotiveerde voorstel hebben wij ons gebaseerd op ons officieel door verzekerde verstrekte details uit een voorbericht van het door hen ingeschakelde KEMA onderzoeksinstituut. Dat voorbericht beschrijft onderzoeksresultaten op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat twee van de vier breuken van de in drie delen gebroken huls ouder zijn dan tenminste 26 dagen (en dus vóór 15 mei 1998 zijn ontstaan) en dat de breuken welke als “restbreuk” werden aangemerkt tenminste tussen de nul en 26 dagen oud waren.

Dat heeft als consequentie dat van de gevonden materiële gevolgschade (stootschade door aanraking met het losgebroken deel van de gebroken huls aan 11 schoepen en/of schoepsegmenten) niet objectief is vast te stellen of deze vóór of na 15 mei 1998 middernacht is ontstaan. Die resulterende onzekerheid hebben wij niet in detail beschouwd. Ook hebben wij niet verder in detail beschouwd het gegeven dat er tijdens onze vaststelling duidelijk werd dat er nog een aantal andere zaken waren ontdekt welke in de beleving van verzekerde als schade dienden te worden aangemerkt. De uitzondering hierop is er echter wel de destijds apart in opdracht gegeven vervorming/verzakking van de diffusorhuizen (Funk ref: 98/24.4506) die ook in deze periode werd ontdekt bij GT-1 te Erica.

In totaal blijkt er door onderhoudsaannemer Alstom (destijds ABB) een summier gespecificeerd bedrag ad NLG 1.051.643 in rekening gebracht voor al deze zaken.

Omdat een detail specificatie ontbreekt is niet te controleren wat de exacte waarde is van de diverse delen.

De uitkomst van ons voorstel is daarom een geschatte materiële schade van NLG 2.500 per defecte omloophuls (er was in machine GT-1 in Erica één huls in drie delen gebroken; elke machine bevat echter 23 stuks en naar verluid zou KEMA hebben vastgesteld dat alle aangetast zouden zijn door interkristallijne corrosie).

Ten aanzien van de bedrijfsschade werd een bedrag berekend van NLG 199.025 (zijnde ongeveer één week stilstand en berekend op basis van het voor kalenderjaar 1998 geldende en door onze bedrijfsschadenregelaars genormaliseerde jaarbelang en de door ons inmiddels gedefinieerde rekenregels in relatie tot het verzekerde belang – zie ook eerdere rapporten).

Echter de bedrijfsschade behorende bij een hersteltermijn waarbinnen alle bedoelde zaken werden hersteld werd door ons (op basis van dezelfde methodiek en reken regels) vastgesteld op NLG 4.770.439.

Vandaag hebben wij via makelaar Funk vernomen dat verzekerde zich in het geheel niet met onze vaststelling kan verenigen en derhalve niet bereid is het gevraagde akkoord te geven. Men is de mening toegedaan dat wij onze opdracht te “eng” hebben geïnterpreteerd en men stelt dat wij zouden behoren te rapporteren over alle door hen als schade aangemerkte zaken.

Zoals gesteld zijn wij, gegeven de destijds gevoerde discussie, uitgegaan van een schade aan een omloophuls (en de eventuele – materiële – gevolgschade daarvan) welke (onze woorden) aantoonbaar vóór middernacht 15 mei 1998 reeds aanwezig was. Die interpretatie heeft het gedane voorstel met de bovenstaand genoemde uitkomst als consequentie.

De concrete vraag is nu aan u of u bereid bent gevolg te geven aan de wens van verzekerde ons te verzoeken ook de overige, naderhand ontdekte, zaken (met uitzondering van de reeds apart in opdracht gegeven zaak) vast te laten stellen. Van die zaken, opgesomd in onderstaande tabel, is in onze beleving slechts nr. 1 het onderwerp van onze huidige opdracht en zijn slechts de nrs. 5.1.1, 5.3 en 5.4 het onderwerp van een andere opdracht.

GT-1, serie nr. B623

17.017 draaiuren 134 starts

volg nr.

naam onderdeel

aard van defect

reparatie of vervangen

1

omloop huls

1 unit gebroken

vervangen

2

verbrandingskamer

nr. 8 conus gescheurd

kamer vervangen

3

buitenste hitteschild

los

reparatie

4

compressorturbine

diversen, zie onderstaand

4.1.1

leischoepen rij 1

3 segmenten stootschade

vervangen

4.1.2

leischoepen rij 1

17 segmenten scheuren aan basis

vervangen

4.2.1

loopschoepen rij 1

8 schoepen stootschade

vervangen

4.2.2

loopschoepen rij 1

8 schoepen niet door flow test

vervangen

4.2.3

loopschoepen rij 1

44 schoepen bruikbaar

geen actie

4.3

leischoepen rij 2

11 schoepen gescheurd bij basis

geen advies gezien

4.3

loopschoepen rij 2

geen stootschade, blauw verkleurd

geen actie

5

powerturbine

diversen, zie onderstaand

5.1.1

leischoepen rij 3

honeycomb afdichting zwaar versleten

zie opmerking

5.2.1

koeling leischoepen rij 3

defecte pakking koellucht toevoer pijp

reparatie

5.2.2

koeling loopschoepen rij 3

5.2.1.1

leischoepen rij 3

verkleurd

geen actie

5.2.2.1

loopschoepen rij 3

hete zones bovendeel

5.3

leischoepen rij 4

honeycomb afdichting zwaar versleten

zie opmerking

5.4

rotor uitlijning

rotor verplaatst t.o.v. stator

zie opmerking

Opmerking: Deze constateringen verwijzen naar de reeds genoemde “ontdekking” in Erica van de gevolgen van het “kruip” fenomeen dat de uitlaathuizen (diffusors), welke de powerturbine rotor dragen, treft. Deze zaak is destijds als een aparte opdracht bij ons in behandeling gegeven.

Gegeven de ernst van deze zaak en de omvang van de ermee gemoeide bedragen, alsook het huidige disakkoord, vragen wij u beleefd ons snel van een aanvullende instructie te voorzien.

2.21.

Het “rapport commissie kruip-fenomeen power units GasEdon” (hierna: kruipcommissie rapport) bevat onder meer de volgende illustratie van het fenomeen kruip:

2.22.

Het eindrapport van Eliasar met betrekking tot de omloophulsschade van 16 oktober 2001 houdt, voor zover hier van belang, in:

DATUM VOORVAL : De schade werd formeel op 30 mei 1998 ontdekt.

(…)

SCHADEADRES : :Beekweg 12, 7887 TN Erica (eerste) en

Zwet 20, 7891 XJ Klazienaveen (opvolgende ontdekkingen).

VOORVAL : Schade aan gasturbine GT-1 te Erica, bestaande uit een gebroken omloop huls van de verbrandingskamer en waarschijnlijke gevolgschade aan andere turbine onderdelen.

SCHADE BEDRAG : Zie het rapport

(…)

Inleiding en samenvatting

Dit rapport bespreekt de ontdekking en oorzaak van een schade aan een omloop huls (één van de 23) van het omloopsysteem van de verbrandingskamer van gasturbine GT-1 (…) te Erica. Van deze omloop huls, die in drie delen was gebroken, ontbrak één deel – een metalen scherf van 15 x 15 x 2 mm – en dat deel wordt verondersteld materiële gevolgschade te hebben aangericht aan lei- en loopschoepen. De vondst van de gebroken omloop huls (in het Zweeds ook “borrel glas” genoemd) was toevallig en omdat er al snel door een Zweedse werknemer van het (toenmalige) ABB werd gemeld dat er ongeveer een jaar geleden een soortgelijke scheur werd aangetroffen in een andere omloop huls (de man produceerde er een foto van), werden de overige machines in Erica en Klazienaveen ook onderzocht. Er werden meer gescheurde omloop hulzen gevonden maar van geen ontbraken er stukken of was er materiële gevolgschade toegebracht aan deze machines. Omdat de ontdekking minder dan twee weken na de nieuwe polis ingangsdatum plaatsvond, vond onze benoeming uitsluitend plaats namens de verzekerde belangen tot en met middernacht 15 mei 1998. (…)

OPDRACHT disakkoord

Op 2 juni 1998 werd de opdracht aanvaard om een onderzoek in te stellen naar de aard, de oorzaak en de omvang van een schade welke op 30 mei 1998 werd ontdekt tijdens de uitvoering van routine werkzaamheden.

Een gedetailleerd voorlopig rapport werd op 12 juni 1998 afgegeven (…).

Thans kunnen wij melden onze opdracht te hebben voltooid met betrekking tot de schatting van de herstelkosten van een defecte omloop huls en de bijbehorende derving ten gevolge van de resulterende bedrijfsonderbreking. Volledigheidshalve melden wij ook dat verzekerde de mening is toegedaan dat wij onze opdracht te “eng” hebben geïnterpreteerd en de werkelijk geleden schade behoren te behandelen uit hoofde van uw instructie. Desgevraagd liet u ons weten geen gevolg te geven aan deze wens van verzekerde en ons derhalve geen instructie geeft om de overige, naderhand ontdekte zaken, vast te stellen.

(…)

VASTSTELLING

materiële schade

(…) Omdat er geen waarde beschikbaar is voor een individuele huls zijn we bereid een schatting aan te bieden van niet meer dan EUR 2500 per huls inclusief arbeid.

(…)

bedrijfsschade

(…)

schadevaststelling
Uit de operationele gegevens van GasEdon blijkt dat er een inkomensderving is opgetreden in de periode van 30 mei 1998 tot en met 9 oktober 1998. (…)

Het is onmogelijk, anders dan arbitrair, om de periode zodanig te ontleden dat individuele tijdsegmenten kunnen worden toegewezen aan specifieke reparaties. (…) Evenzo arbitrair schatten wij dat in de meest ongunstige situatie (…) het vervangen van één omloophuls circa 7 dagen (…) kan duren. Dat zou een vaststelbare bedrijfsschade vertegenwoordigen van NLG 199.025 (…).

2.23.

Bij brief van 5 maart 2002, met als kenmerk het dossiernummer van het nitraatspanningsdossier heeft If aan GAB Robins Takkenberg en Eliasar opdracht gegeven om de werkzaamheden te staken.

2.24.

Bij brief van 27 maart 2002 schreef de advocaat van If aan GAB Robins Takkenberg:

Onder verwijzing naar de korrespondentie tussen u en mijn cliënte (…), laat ik u bij deze weten dat de instructie aan u om uw bemoeiingen te staken, is gedaan door If P&C uitsluitend voor zichzelf. Deze beslissing wordt ingegeven door de conflicterende belangen waarin een ieder nu is verzeild geraakt.

Mijn cliënte heeft besloten om als nieuwe expert te benoemen de heer Feenstra Kuiper van Bureau Crawford. (…)

U bent – zonder dat u dat heeft gewenst – terechtgekomen in een belangenconflict tussen verzekeraars. De enige juiste oplossing is dat u zich geheel uit de zaak terug trekt. If P&C zal er dan ook grote bezwaren tegen hebben wanneer u aan de overige verzekeraars van groep I blijft rapporteren.

Onlangs ontving If P&C een tweede interim-rapport gedateerd 26 november 2001. (…) Ook ontving If P&C een nota voor de bemoeiingen van uw bureau in die periode.

Ik begrijp dat allemaal niet zo goed.

Zijdens If P&C is toch al geruime tijd geleden aangegeven dat een voortzetting van de activiteiten van uw bureau – juist in verband met de betrokken belangen – onwenselijk werd geacht?

2.25.

Bij brief van 16 april 2003 schreef Funk aan If:

Volgens onze gegevens zijn er bijna vijf jaar verstreken sinds de volgende schade zich heeft geopenbaard.

Fin nr. schadedatum omschrijving uw nr.

4506 16-6-1998 diffusorhulzen onbekend

Dit betekent dat het risico bestaat dat de vorderingen verjaren. Met het oog daarop delen wij u hierbij mede, dat GasEdon [Essent, rechtbank] haar rechten ter zake van de schade uitdrukkelijk voorbehoudt.

2.26.

Bij brief van 24 april 2003 schreef Funk hetzelfde aan If met betrekking tot (onder meer) de schade met als omschrijving Snapglasses Klazinaveen (schadedatum 30-5-1998).

2.27.

Bij brief van 28 juni 2006 schreef Funk aan If:

Voor onderstaande claims hebben wij per brief d.d. 24-04-2003 en 18-03-2004 [de rechtbank leest: 2003] de verjaring gestuit.

Wederom delen wij u mede dat GasEdon zich haar rechten ter zake van de schades uitdrukkelijk voorbehoudt.

Fin nr. schadedatum omschrijving uw nr.

(…)

4461 30-5-1998 Snapglasses Klazinaveen onbekend

(…)

4506 16-6-1998 diffusorhulzen onbekend

2.28.

Het eindrapport van Eliasar met betrekking tot de kruipschade van 23 januari 2008 houdt, voor zover hier van belang, in:

EIND RAPPORT (VERTALING)

(…)

SCHADEVASTSTELLING: Materiele schade EUR 759.725

Bedrijfsschade (…) EUR 873.967 EUR 1.633.692

GAB Robbins rekeningen (…)

Door verzekerde voorgeschoten EUR 86.223,39

(…)

samenvattende conclusie

Ter afronding van dit hoofdstuk kan men concluderen dat al het tot op heden gedane onderzoekswerk heeft aangetoond dat kruip de voornaamste oorzaak was van de aanhoudende vervorming van de diffusors van alle in bedrijf zijnde GT10B machines, inclusief die welke door verzekerde worden bedreven.

Echter, de intensiteit van het kruipproces is verre van de oorspronkelijke voorspellingen van de gasturbine fabrikant.

(…)

Bevoordeeld door de interactie met een kruip deskundige tijdens de kruipcommissie fase, weten we dat het zeer aannemelijk is dat dit mogelijk komt door het gebruik van materialen welke niet voldoende geschikt zijn voor blootstelling aan de in de diffusor heersende bedrijfsomstandigheden.

(…)

OMVANG VAN DE MATERIELE SCHADE

Inleiding

(…)

Kruip is in dit rapport al gedefinieerd in wetenschappelijke bewoordingen. Daarnaast beschrijft /visualiseert het kruipcommissie rapport (en ook de door ons geziene literatuur) het kruipproces als volgt door middel van voorbeelden:

Kruiprapport (bladzijde 6)

• de verlenging van een staaf waaraan getrokken wordt.

• het zwellen van een buis waarin een inwendige druk heerst.

• het doorbuigen van een éénzijdig ingeklemde staaf o.i.v. zijn eigen gewicht.

(…) Het is daarom feitelijk juist om te stellen dat de deskundigen (zowel degene die aan de kruipcommissie deelneemt als de auteurs van de door ons geraadpleegde literatuur) het eens lijken te zijn dat kruip een aantasting van de fysieke vorm van een (in dit geval, metalen) voorwerp.

Het rapport bespreekt niet het feit dat kruip, in praktische bewoordingen, een aandoening is waarmee de werktuigbouwkundige sector bekend en vertrouwd is en een belangrijke factor is bij het ontwerp van elke constructie en meer specifiek elk drukvat of vergelijkbaar voorwerp, voor gebruik bij verhoogde temperaturen en spanningen. (…) Indien kruip wordt waargenomen binnen de begrenzingen van de oorspronkelijke ontwerp criteria gedurende een gedefinieerd (levensduur)tijdspad, kan het om die reden overtuigend worden gezien als een vorm van slijtage, terwijl op basis van een strikte interpretatie van de (polis)definitie er betoogd zou kunnen worden dat het materiële schade is. Met betrekking tot deze specifieke opdracht lijkt het er op dat kruip noch relaxatie, van de aangetroffen omvang, deel uitmaakten van de oorspronkelijke ontwerpoverwegingen van de fabrikant.

2.29.

Het (tweede) eindrapport van Eliasar, op dat moment werkzaam bij Cunningham Lindsey Nederland BV (hierna: Cunningham), met betrekking tot de omloophulsschade van 26 mei 2010 houdt, voor zover hier van belang, in:

(…)

Opmerking: Essent N.V. schoot onze vacatie en onkosten voor.

Exclusief BTW bedroeg het totaal EUR 58.812,72

(…)

OORZAAK

eigen bevindingen

De discussie omtrent de oorzaak is tweeledig. De grondoorzaak van de in dit rapport besproken schade is het bezwijken van de omloophuls. De schade aan leid- en loopschoepen was het gevolg van het uiteenvallen van dit onderdeel nadat het in een eerder stadium blijkbaar scheuren had opgelopen. Het was voor ons duidelijk dat, gegeven het feit dat onderdelen, zoals de omloophuls, gemaakt waren zijn van meer gespecialiseerde metaallegeringen, elk serieus onderzoek naar de grondoorzaak gespecialiseerde kennis vereiste.

De verzekerde nam KEMA Nederland B.V. (KEMA) in de arm om het bezwijken van de omloophuls van GT-l in Erica te onderzoeken. Dit onderzoek, dat werd goedgekeurd door sommige van de mogelijk betrokken verzekeraars, maakte het voor ons onnodig om nog weer een onderzoek op te starten.

De uitkomsten van het onderzoekswerk zoals gedaan door KEMA en door aannemer ABB (in zoverre ze hun resultaten met verzekerde deelden) werden ons voor gebruik ter beschikking gesteld.

andere onderzoeken

Zoals gezegd benoemde verzekerde KEMA om de bezweken omloophuls te onderzoeken.

Omdat het destijds (september 1998) duidelijk was dat naast het opsporen van de (metallurgische) reden(en) voor het bezwijken, het van even groot belang zou zijn om te ontdekken wanneer de initiële en de laatste (i.c. het uiteenvallen) breuken zich voordeden, werd KEMA opgedragen hun onderzoek op deze onderwerpen te concentreren.

Ze produceerden twee rapporten:

1. Rapport 70487-KPG/I&M 98-6049 gedateerd 11 september 1998, titel “Onderzoek naar de ouderdom van breukvorming in een klep van GT1OB, eenheid Erica 1” en

2. Rapport 98570734-KPGII&M 99-1058 gedateerd 21 januari 1999, titel “Onderzoek naar de oorzaak van scheurvorming en breuk in kleppen van GT-1OB, WKC Erica eenheid 1”

Het eerste rapport, hetgeen slechts het werk behandelt dat aan de bezweken omloophuls was uitgevoerd, had de volgende bestek.

1. Microscopisch vaststellen van de oxidelaag diktes op Ml (de bezweken snapsglas)

2. Het uitvoeren van gloeiproeven op stukjes afkomstig van M2 (een nieuw snapsglas) en het vaststellen van de dikte van de oxidelaag.

De wetenschap achter het werk zijnde het gegeven dat oxidelagen aangroeien gedurende het verloop van tijd, waarbij de temperatuur een versneller is. Indien dat proces van een maatstaf kon worden voorzien, dan zou het mogelijk worden een volgorde van gebeurtenissen, met mijlpalen, vast te stellen.

Het doet verslag van de dikte van de oxidelagen aangetroffen op de breukvlakken van de drie pootjes (…) van omloophuls M1 en wel als volgt:

Pootje Al: Het pootje heeft twee breukvlakken (aangeduid als A en B) als gevolg van het uitbreken van een stukje metaal. Geen van de breukvlakken had een oxidelaag.

Pootje A2: De oxidelaag op het breukvlak heeft een dikte van circa 3,5 micron.

Pootje A3: De oxidelaag op het breukvlak varieert van 1,3 tot 2,5 micron.

De oxidelaag op de 2 mm smalle zijkanten (zowel aan de binnen als buitenzijde) werd ook gemeten als een soort referentie waarde omdat die laag ontstond tijdens de gebruiksduur van de omloophuls (wij begrepen dat het de oorspronkelijke was waarmee de machine werd afgeleverd, de machine had sindsdien 17.690 zogeheten equivalente bedrijfsuren ofwel EOH’s verzameld). (…)

Het rapport stelt in de rubriek “Evaluatie”:

De oxidedikte op de pootjes A2 en A3 bedragen enkele micron, terwijl op pootje Al met 2 breuken geen oxide is aangetroffen. Dit betekend dat het uitbreken van het stukje strip uit pootje Al heeft plaatsgevonden ná het optreden van breukvorming in de pootjes A2 en A3.

De oxidelaagjes op de breukvlakken van A2 en A3 zijn beduidend dikker dan die op de kopse kanten van de strippen. Dit duidt erop dat de temperatuur van de strippen (tijdelijk) hoger is geweest in een periode nadat breuk in A2 en A3 is opgetreden. De afwezigheid van een meetbare oxidedikte op gegloeide strippen vormt een aanwijzing dat de temperatuur, die verantwoordelijk is voor de oxidelagen op A2 en A3(aanzienlijk) hoger is geweest dat 350 °C. Echter, doordat een meetbare oxidedikte op de breukvlakken van pootje A1 ontbreekt en doordat bij de gloeiproeven geen meetbare oxidedikte is gevormd, vervalt de mogelijkheid om aan te geven of het stukje strip is uitgebroken vóór of ná 16 mei 1998.

Het rapport besluit:

Het onderzoek naar de oxidedikte op de breukvlakken en de gloeiproeven geeft geen houvast om aan te geven of het stukje strip voor of na 16 mei 1998 is uitgebroken.(…)

In antwoord op (een) aan hen gestelde vra(a)g( en) met betrekking tot het tweede rapport antwoord KEMA als volgt, daarbij uitweidende over de details van het schade proces:

Zoals vermeld (…), is het niet mogelijk een hard bewijs te leveren over het tijdstip van scheurinitiatie en de tijdsduur van de scheurpropagatie. De kenmerken van het onderzochte breukvlak zijn echter van dien aard dat het aannemelijk is dat de schade in een langere periode dan twee weken (de periode tussen 16 mei 1998 en 30 mei 1998) is ontstaan.

Voorafgaand aan scheurgroei door vermoeiing treedt scheurinitiatie op, met name rondom plaatsen waar piekspanningen kunnen optreden, zoals bij scherpe lasovergangen en kerven. Scheurinitiatie kan men zien als een “periode” waarin het materiaal lokaal wordt verzwakt door de betreffende vermoeiingsbelasting, die wordt afgesloten met het ontstaan van een microscheur.

In feite kan men het ontstaan van de schade in een drietal perioden onderscheiden:

1. Scheurinitiatie : deze periode kan lang duren, zeker bij kleine spanningsamplitudes en een lage trillingsfrequentie. Het is zeer waarschijnlijk dat deze periode voor 16 mei 1998 is begonnen en doorlopen. Uit uw opgave dat meerdere kleppen onder vergelijkbare omstandigheden en door vergelijkbare mechanismen zijn bezweken mag worden afgeleid dat het geen unieke gebeurtenis is geweest, die door een toevallige samenloop van bedrijfsomstandigheden in de periode tussen 16 en 30 mei 1998 is opgetreden. Als de vermoeiingsbelasting is veroorzaakt door reguliere bedrijfsvoering en de condities waaronder deze vermoeiing is opgetreden in de loop van de bedrijfsvoering niet zijn gewijzigd, dan moet men ervan uit gaan dat de initiatie (periode 1) heeft plaatsgevonden vanaf het eerste bedrijfsuur na montage van de betreffende klep in de GT.

2. Scheurpropagatie: de periode van scheurgroei kan in zeer korte tijd worden doorlopen indien sprake is van relatief grote spanningsamplitudes en een hoge frequentie. Aan het breukvlak is te zien dat de scheurstapjes dicht bij elkaar liggen, waaruit blijkt dat de spanningsamplitude klein is geweest. Over de trillingsfrequentie is echter niets bekend. Er is dus geen nauwkeurige uitspraak te doen of de scheurpropagatie snel is doorlopen (bij hoge trillingsfrequentie), of juist traag. In de literatuur wordt een vuistregel beschreven die er van uitgaat dat periode 1 ongeveer 80 tot 90% van de totale bezwijktijd in beslag neemt en periode 2 de resterende de resterende tijd. Uitgaande van vermoeiing vanaf het moment van inbedrijfstelling van de klep zou periode 2 langer dan twee weken hebben moeten duren.

3. Breuk en gevolgschade:

Resumerend achten wij het onwaarschijnlijk dat de schade, waartoe wij de scheurinitiatie ook rekenen, alleen in de periode na 16 mei 1998 is opgetreden.

(…)

slotopmerking

De bovenstaande onderzoeksresultaten en de conclusies geuit door de KEMA deskundigen, laten zien dat de breuken in twee van de drie pootjes van omloophuls nr. 14 ouder waren dan ten minste 26 dagen, dit onder aanname dat de gesimuleerde bedrijfsomstandigheden (uitsluitende hitte) representatief waren voor de werkelijke bedrijfsomstandigheden. Echter het is noodzakelijk dat het laatste pootje afbreekt en een stukje ervan losbreekt en in het gas pad van de turbine terecht komt, om de gevonden materiële gevolgschade (ook bekend als “vreemd voorwerp – inslagschade” te kunnen veroorzaken.

Het “losbreekproces” werd niet door KEMA geaccentueerd, maar het lijkt ons logisch dat wanneer twee van de driepootjes waren bezweken en dus niet langer de belasting deelden, waardoor het kerndeel van de huls onstabiel werd, het complete afbreken van het laatste pootje geen langdurig proces zal zijn geweest.

2.30.

In een rapport van 6 december 2010 heeft Feenstra Kuiper van Crawford op verzoek van If gereageerd op dit onder 2.29 aangehaalde rapport van Cunningham van 26 mei 2010.

2.31.

In een rapport van 20 april 2012 (naar aanleiding van het onder 2.28 beschreven rapport van GAB Robins van 23 januari 2008) schrijft Feenstra Kuiper van Crawford:

(…)

Het ontstaan van kruip en de kruipsnelheid

Nu er kruip is vastgesteld met blijvende vervorming als gevolg, zochten wij naar aanwijzingen in het rapport van GAB op de volgende twee vragen:

1. wanneer heeft het proces van kruip ingezet en

2. hoe snel verliep het proces bij elke van de vier eenheden van Erica en Klazinaveen?

Onzes inziens heeft GAB deze twee vragen in haar eindrapport onderbelicht.

Wij hebben het dossier met daarin de door u meegezonden stukken nader bestudeerd om antwoord op deze twee vragen te vinden.

(…)

Wij citeren:

(…)

Inherent of this creep problem is that it has been present since start-up of the turbine and that the displacement will be proportional with time. Based on current understanding, ABB expects that the replacement of the original housing will be necessary after about 60,000 OH. Up to this replacement periodic measurements should be made and adjustments can be made using excentric bolts. It is ABB’s contention that once the deformed original housing has been replaced by a refurbishing unit, which is a modified housing, the remaining 60,000 OH (design life being 120,000 OH) of the diffuser housing can be utilized.”

Hiermee is onze eerste vraag beantwoord: de fabrikant heeft gesteld dat het proces van kruip is ingezet vanaf het moment dat de gasturbines voor het eerst zijn opgestart, mits daarbij de normale procescondities zijn bereikt en de diffusor de normale bedrijfstemperatuur van ca. 560 °C heeft aangenomen. (…)

Op vraag 2: “hoe snel verliep het proces bij elke van de vier eenheden van Erica en Klazinaveen?” is moeilijk een antwoord te vinden.

Uiteindelijk kunnen we concluderen dat de vormverandering van de diffusors alleen bij gasturbine 8-623 van Erica tot schade leidde in de vorm van versnelde slijtage van de honingraatafdichtingen tussen de 3de en 4de trap van de vermogensturbine.

3. Het geschil

in de zaak 12-120 (kruipschade)

3.1.

Essent vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

een verklaring voor recht dat de door schade-expert Eliasar vastgestelde kruip “materiële schade” is als bedoeld in artikel 1.1. van de Algemene Voorwaarden van de door Essent afgesloten All-risk object- en objectbedrijfsschadeverzekering met polisnummer 14075/241, respectievelijk 14075/242 en dat de door deze schade-expert vastgestelde materiële en bedrijfsschade dient te worden vergoed onder aftrek van het toepasselijke eigen risico;

3.1.2.

veroordeling van de verzekeraars voor hun in 1.2 (van de dagvaarding, rechtbank) vermelde aandeel in de schade ten bedrage van in totaal € 1.633.692,00 verminderd met het eigen risico van € 45.378,00 vermeerderd met de expertisekosten van € 86.223,39 de schaderegelingscourtage van € 15.883,14 en de balanskosten van € 4,47 zijnde € 1.690.425,00 aan Essent te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening en - wat de expertisekosten betreft - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling door Essent als vermeld in nummer 59 van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

3.1.3.

met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van de procedure.

3.2.

De verzekeraars voeren – kort samengevat – de volgende verweren:

3.2.1.

Generali is geen (rechtsopvolger van een) risicodragende verzekeraar en kan derhalve niet worden aangesproken uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst.

3.2.2.

De vorderingen van Essent zijn nooit gemeld bij de verzekeraars en derhalve verjaard.

3.2.3.

Eliasar is nooit benoemd als deskundige. In ieder geval geldt dat If het vertrouwen in Eliasar heeft verloren en de opdracht heeft ingetrokken. De verzekeraars zijn derhalve niet gebonden aan de rapporten van Eliasar.

3.2.4.

Er is geen sprake van schade, maar alleen van “normale slijtage”. Als er al schade is, is die schade niet ontstaan in de door Groep 1 verzekerde periode tussen 26 maart 1996 en 16 mei 1998.

3.2.5.

Essent heeft bij overeenkomst van 24 maart 1999 jegens ABB afstand gedaan van haar rechten en zodoende de belangen van de verzekeraars geschaad. Op grond van artikel 7:941 BW komen derhalve de kosten van reparatie / vervanging van de diffusors niet voor vergoeding in aanmerking. Essent heeft kennelijk afstand gedaan van haar rechten, omdat Essent (meende dat zij) verzekerd was voor deze schade. Dat levert misbruik van de verzekering op, zodat haar aanspraak op dekking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.2.6.

De verzekeraars betwisten voorts de hoogte van de vordering en wijzen in dat verband onder meer op het eigen risico, en betwisten de ingangsdatum van de gevorderde rente, de verschuldigdheid en de hoogte van de kosten van Eliasar.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 12-423 (omloophulsschade)

3.4.

Essent vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

3.4.1.

een verklaring voor recht dat de door schade-expert Eliasar vastgestelde schade “materiële schade” is als bedoeld in artikel 1.1. van de Algemene Voorwaarden van de door Essent afgesloten All-risk object- en objectbedrijfsschadeverzekering met polisnummer 14075/241, respectievelijk 14075/242 en dat de door deze schade-expert vastgestelde materiële en bedrijfsschade dient te worden vergoed onder aftrek van het toepasselijke eigen risico;

3.4.2.

veroordeling van de verzekeraars om aan Essent te voldoen, een bedrag van in totaal € 2.041.780,00 naar rato van hun in nummers 1.2 en 68 van de dagvaarding vermelde aandeel (Allianz en Allianz BV hoofdelijk voor hun gezamenlijke aandeel van 13,5%), zijnde:”

If 45% € 918.801,00

Reaal 5% € 102.089,00

AIG 30% € 612.534,00

Allianz en Allianz BV 13,5% € 275.640,30

Delta Lloyd 2,5% € 51.044,50

Generali 4% € 81.671,20

te vermeerderen met de wettelijke rente

- over € 1.963.344,03 met ingang van 29 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening;

- over € 19.633,35 met ingang van 29 augustus 2001 tot de dag der algehele voldoening;

- over € 27.469,72 met ingang van 17 november 2008 tot de dag der algehele voldoening;

- over € 31.343,00 met ingang van 28 juni 2010 tot de dag der algehele voldoening;

3.4.3.

met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van de procedure.

3.5.

De verzekeraars voeren – kort samengevat – de volgende verweren.

3.5.1.

Generali en Allianz BV zijn geen (rechtsopvolger van een) risicodragende verzekeraar en kunnen derhalve niet worden aangesproken uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst.

3.5.2.

De verjaring van de vordering van Essent is alleen jegens If (en dus ook jegens Reaal) gestuit, maar niet jegens AIG en de overige verzekeraars.

3.5.3.

Het grootste gedeelte van de schade is niet ontstaan gedurende de looptijd van de verzekering. Het gaat hier om twee te onderscheiden schadevoorvallen: enerzijds de schade aan de omloophuls (en de bedrijfsschade die daarvan het gevolg is), anderzijds de schade aan de schoepen (en de bedrijfsschade die daarvan het gevolg is). De schade aan de schoepen heeft niet tijdens de verzekerde periode plaatsgevonden en valt daarom niet onder de verzekering. De bedrijfsschade is op volstrekt ondeugdelijke wijze begroot, zodat gebondenheid aan het rapport van Eliasar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.5.4.

De verzekeraars betwisten voorts de hoogte van de vordering en wijzen in dat verband onder meer op het eigen risico, en betwisten de ingangsdatum van de gevorderde rente, de verschuldigdheid en de hoogte van de kosten van Eliasar.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Wie zijn verzekeraars

In beide zaken

4.1.

De verzekeraars voeren aan dat Generali de rechtsopvolger is van de besloten vennootschap Nederlandse Assurantie Groep B.V. (hierna: NAG). NAG heeft de verzekeringsovereenkomst echter niet voor zichzelf als verzekeraar getekend, maar als makelaar. Haar belang had zij ondergebracht bij de verzekeraars QBE Insurance & Reinsurance LTD (38,5% van het belang waarvoor NAG getekend heeft), Charles Taylor Insurance Services Limited (23%) en Allianz Belgium (38,5%), aldus de verzekeraars.

4.1.1.

Essent stelt dat NAG de verzekering heeft getekend als verzekeraar en dat zij daaraan gehouden kan worden. Voor zover NAG haar belang onder heeft gebracht bij andere verzekeraars regardeert dat Essent niet.

4.2.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Krachtens artikel 28 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 [oud] dienden verzekeraars met zetel in Nederland de rechtsvorm van naamloze vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij te bezitten. Funk, die optrad als makelaar en tussenpersoon namens Essent moet dat hebben geweten en haar kennis moet worden toegerekend aan Essent. Essent mocht er derhalve niet op vertrouwen dat NAG voor zichzelf (en niet als vertegenwoordiger) tekende. De verzekeringspolis moet derhalve zo worden uitgelegd dat NAG slechts tekende als vertegenwoordiger, niet als partij. Haar rechtsopvolger, Generali, is daarom geen partij (geworden) bij de verzekeringsovereenkomst.

in de zaak 12-423 (omloophulsschade)

4.2.1.

De verzekeraars stellen dat Allianz BV weliswaar de rechtsopvolger is van Allianz Nederland NV, maar dat de verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst zijn overgedragen aan Allianz (gedaagde sub 4) zodat de vordering op Allianz BV moet worden afgewezen.

4.2.2.

Essent voert daartegen aan dat de overdracht van de verplichtingen haar niet kan worden tegengeworpen en dat van contractsovername geen sprake is, omdat zij daarmee niet heeft ingestemd.

4.3.

Vast staat dat Allianz Nederland N.V. de polis als verzekeraar heeft getekend. Allianz Nederland N.V. is evenwel geen procespartij, dat is Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. De vennootschap Allianz BV (voluit: Allianz Europe B.V.) is de rechtsopvolger van de besloten vennootschap Allianz Finance B.V. en die besloten vennootschap is de rechtsopvolger van de naamloze vennootschap Allianz Nederland N.V., die op de polis staat vermeld. Echter Allianz Nederland N.V. heeft – zoals blijkt uit de mededeling in de Staatscourant van 8 juli 1999 – haar rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering per 1 januari 1999 overgedragen aan Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. (gedaagde sub 4) (destijds: Royal Nederland Schadeverzekering N.V.). Dat is conform de daarvoor geldende regeling gegaan en na publicatie kan dat ook aan Essent worden tegengeworpen. Na de overdracht van de rechten en verplichtingen uit de overeenkomsten van schadeoverdracht kan Allianz BV niet worden aangesproken uit hoofde van de onderhavige verzekeringsovereenkomst. De vordering op haar ligt derhalve voor afwijzing gereed.

in beide zaken

4.4.

Essent beroept zich vervolgens op de opstelling van de verzekeraars in de procedure inzake de nitraatspanningscorrosie waarin het verweer dat Generali en Allianz BV niet aangesproken konden worden onder de polis niet is gevoerd. Met de verzekeraars begrijpt de rechtbank dat als een beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank in die zaak.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat het verweer dat Generali en Allianz BV niet aangesproken konden worden onder de polis in de procedure inzake de nitraatspanningscorrosie niet is gevoerd en de rechtbank en het hof daarop ook niet (uitdrukkelijk) hebben beslist, zodat aan die uitspraken ten aanzien van de vraag of Generali en Allianz BV aangesproken kunnen worden onder de polis, reeds daarom geen gezag van gewijsde kan toekomen. De slotsom is dan dat het verweer van Generali en Allianz BV slaagt. Waar in het navolgende over “de verzekeraars” wordt gesproken, ziet dat (uitsluitend) op If, Reaal, AIG, Allianz en Delta Lloyd.)

Verjaring

in de zaak 12-120 (kruipschade)

4.6.

De verzekeraars stellen allereerst dat de kruipschade in 1998 nooit bij verzekeraars is gemeld, maar dat zij daarvan pas in 2004 op de hoogte werden gesteld. Omdat de kruipschade al in 1998 bekend was, is de vordering op dat moment al verjaard, aldus verzekeraars.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bevestigingsfax van Funk van 27 juli 1998 (zie onder 2.15) blijkt dat bovenmatige slijtage al in 1998 is gemeld bij Funk. Het gaat hier om de kruipschade. Op grond van artikel 14 AVW mocht Essent volstaan met melding aan Funk: het verweer van de verzekeraars dat zij deze mededeling niet zouden hebben ontvangen, kan hen reeds daarom niet baten. Het beroep op verjaring van de kruipschade stuit daar in zoverre op af.

in beide zaken

4.8.

Verzekeraars voeren vervolgens aan dat de verjaring jegens AIG, Allianz en Delta Lloyd niet (tijdig) is gestuit. Zij voeren daartoe aan dat de stuitingsbrieven van Funk tot 29 december 2008 alleen waren gericht aan If en niet aan de andere verzekeraars, met name niet aan AIG, zodat jegens hen de verjaring niet is gestuit. De brieven van Funk zien verder op “Snapglasses Klazienaveen”, zodat de verjaring van de vordering met betrekking tot de schade aan de omloophulzen van de centrale te Erica niet is gestuit.

4.9.

Essent stelt daar allereerst tegenover dat de verjaring van haar vorderingen pas aanvangt met de opeisbaarheid van de uitkering, dat wil zeggen vier weken na ontvangst van het afsluitend rapport van de schade-expert, zodat haar vorderingen niet zijn verjaard. Subsidiair is de verjaring van de vorderingen tijdig gestuit omdat Funk, gelet op de mededeling van AIG (zie onder 2.17) kon volstaan met het stuiten van de verjaring jegens If.

4.10.

Ten aanzien van het onder 4.9 eerstgenoemde verweer tegen het beroep op verjaring overweegt de rechtbank dat artikel 8 AVW (slechts) een regeling bevat voor de termijn waarbinnen de schade-uitkering moet plaatsvinden, waarna sprake kan zijn van verzuim. Deze regeling doet niet af aan het ontstaan van het recht op uitkering zodra schade is ingetreden en het recht om daarvan nakoming te vorderen (vergelijk rechtbank Rotterdam 1 juni 2011 ECLI:NL:RBROT: 2011:BR4154). Dat wil zeggen dat – voor zover hier relevant – in ieder geval vanaf de melding van de schade de verjaringstermijn van de vordering tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst op grond van (destijds) artikel 3:307 BW per 3 juni 1998 respectievelijk 27 juli 1998 is aangevangen.

4.11.

De verjaring is vervolgens door Funk bij brieven aan If van 16 april 2003, 24 april 2003, 28 juni 2006, 23 oktober 2007, 10 november 2008 gestuit. Uit de verwijzing naar “snapsglasses Klazinaveen” heeft If, mede bezien in het licht van de met Eliasar gevoerde correspondentie, kunnen en moeten begrijpen dat het (ook) ging om de op 3 juni 1998 gemelde omloophulsschade. De andersluidende stellingen van verzekeraars dienaangaande gaan niet op.

4.12.

Essent voert vervolgens aan dat Funk op grond van artikel 3.5 AVW (zie hiervoor onder 2.4) kon volstaan met stuiting bij If (voorheen: Skandia) en AIG. In de fax van Marsh van 23 oktober 2000 heeft AIG volgens Essent echter uitdrukkelijk medegedeeld dat deze verzekering weliswaar in co-brokership was gesloten, maar dat zij de verzekering ziet als een gewone co-assurantiepost, zodat kon worden volstaan met stuitingsbrieven aan If. De rechtbank is anders dan Essent van oordeel dat Funk uit de fax van Marsh van 23 oktober 2000 niet heeft kunnen of mogen begrijpen dat mededelingen voortaan alleen nog maar aan If hoefden te worden gedaan. Daarbij is allereerst van belang dat deze fax van 23 oktober 2000 betrekking heeft op een geheel andere schadeafhandeling, namelijk een die binnen Groep 2 moest plaatsvinden waarbij naast AIG niet If maar AXA als tweede leader optrad. Verder is van belang dat de fax van Marsh betrekking heeft op de afwikkeling van een specifiek schadegeval waarbij Marsh te kennen geeft dat AIG er van uitgaat dat AXA als eerste zal paraferen. Funk heeft als professionele assurantietussenpersoon op basis van die enkele mededeling van Marsh er redelijkerwijs niet op mogen vertrouwen dat AIG er mee instemde dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.5 van de polis alle mededelingen binnen Groep 1 voortaan uitsluitend nog aan If hoefden te worden gedaan. De slotsom is dan dat de stuitingsbrieven ten onrechte niet ook aan AIG zijn verstuurd, zodat de verjaring van de vordering met betrekking tot de omloophulsschade en de kruipschade jegens AIG, Allianz en Delta Lloyd niet tijdig is gestuit en per 3 juni 2003 althans 27 juli 2003 is voltooid.

in de zaak 12-120 (kruipschade)

Status rapport Eliasar

4.13.

De verzekeraars voeren aan dat de kruipschade nooit bij hen is gemeld en dat Eliasar niet de “nader door partijen benoemde” deskundige is in de zin van artikel 7 AVW. De verzekeraars zijn derhalve ook niet gebonden aan het rapport van Eliasar. Aangezien de co-assuradeuren in zijn geheel niet betrokken zijn geweest bij besprekingen over en afhandeling van de schades, zijn zij in het bijzonder niet gebonden aan het rapport van Eliasar.

4.14.

Het verweer dat de schade niet gemeld is bij de verzekeraars gaat zoals hiervoor bij het beroep op verjaring al is overwogen niet op. De vraag of AIG, Allianz en Delta Lloyd als co-assuradeuren aan het rapport gebonden zijn kan in het midden blijven nu de vorderingen jegens hen zijn verjaard. De rechtbank is vervolgens met Essent van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat Eliasar door Funk, namens de verzekeraars is benoemd als expert in de zin van de polis. Als onbestreden staat vast dat dit met betrekking tot elk van de geconstateerde schades aan de WKC’s de gebruikelijke gang van zaken was. Daarnaast geldt dat uit de stukken volgt dat ook If er van op de hoogte was dat GAB Robins in de persoon van Eliasar als schade-expert onderzoek deed naar de kruipschade. Niet alleen blijkt dit uit de notitie van het gesprek tussen de advocaten van If en GAB Robins van 29 augustus 2001 maar ook uit de brief van 1 oktober 2001 (zie onder 2.20) van Eliasar aan (de raadsman van) If waar expliciet wordt verwezen naar “de reeds genoemde “ontdekking” in Erica van de gevolgen van het “kruip” fenomeen dat de uitlaathuizen (diffusors), welke de powerturbine rotor dragen, treft. Deze zaak is destijds als een aparte opdracht bij ons in behandeling gegeven.” Nu verzekeraars, althans If, daarop niet hebben gereageerd met de uitdrukkelijke mededeling dat zij niet akkoord zijn met de benoeming van Eliasar als expert inzake de kruipschade, mocht zowel GAB Robins in de persoon van Eliasar als Essent er op vertrouwen dat If als bovenstaande verzekeraar instemde met de benoeming door Funk van Eliasar als expert in de zin van artikel 7 AVW, en kan zij zich er thans niet meer met succes op beroepen dat dit niet het geval zou zijn geweest.

4.15.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het eindrapport van Eliasar van 23 januari 2008 (zie onder 2.28) de taxatie van de expert is, zoals bedoeld in artikel 7 AVW. Partijen zijn hier in beginsel aan gebonden.

Schade?

4.16.

Uit het rapport van Eliasar blijkt dat er sprake is van “kruip”. De expert laat (terecht, omdat het hier een juridische kwalificatie betreft) open of er sprake is van “schade” in de zin van de polisvoorwaarden. De verzekeraars stellen zich op het standpunt dat er sprake is van normale slijtage en dat als er al sprake is van schade - subsidiair - deze is ontstaan vóór de verzekerde periode van 25 maart 1996 tot 16 mei 1998 12:00 uur omdat de kruip zich ook al in testfase voorafgaand aan 25 maart 1996 zal hebben voorgedaan.

4.17.

Artikel 1.1 van de AVW definieert materiële schade als “Iedere objectieve aantasting van de stoffelijke structuur van een zaak die naar verkeersopvattingen de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt.”, terwijl ingevolge artikel 1.4.2. van de BVW van dekking is uitgesloten “Normale slijtage (...) en enig ander geleidelijk bederf (voor zover geen invloed op de verwachte levensduur/standtijd van de verzekerde objecten hebben).” In zijn rapport van 2008 stelt de expert vast: “de intensiteit van het kruipproces is verre van de oorspronkelijke voorspellingen van de gasturbine fabrikant”. Het gaat hier derhalve niet om normale slijtage, maar om abnormale slijtage en dat valt niet onder de uitsluiting. De vaststelling van de expert dat kruip (en dus niet normale slijtage) de oorzaak is van de schade, bindt partijen op grond van artikel 7 van de AVW.

Ontstaansmoment schade

4.18.

Voorts stellen de verzekeraars zich op het standpunt dat de schade, dat wil zeggen de aantasting van de stoffelijke structuur van de zaak, zich niet heeft voorgedaan in de periode tussen 26 maart 1996 en 16 mei 1998 en zij beroepen zich in dat verband op het rapport van Crawford van 20 april 2012 (zie onder 2.31).

4.19.

Uit de verschillende in het geding gebrachte - en in zoverre niet betwiste - rapporten blijkt dat “kruip” een eigenschap is van metaal en inherent is aan iedere metalen constructie, zoals de onderhavige gasturbines. Uit de rapporten blijkt een vermoeden dat het voor de constructie van de gasturbines gebruikte materiaal in combinatie met de gekozen constructie ten grondslag zou kunnen liggen aan het feit dat in de gasturbines sprake is van meer dan de normale / berekende mate van kruip. Dat wil echter niet zeggen dat de schade al is ontstaan of aanwezig was vanaf het opstarten van de turbines. Schade is immers gedefinieerd als “Iedere objectieve aantasting van de stoffelijke structuur van een zaak die naar verkeersopvattingen de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt” zodat een normale vervorming als gevolg van kruip nog niet kan worden aangemerkt als schade, maar dat daarvan pas sprake zal zijn als een abnormale vervorming als gevolg van kruip optreedt.

Uit het kruipcommissierapport (zie ook de illustratie onder de feiten) leidt de rechtbank af dat in de eerste fase van het proces van kruip geen sprake is van aantasting van het materiaal van de gasturbines die naar verkeersopvattingen de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt: juist omdat enige mate van kruip inherent is aan metaal. De rechtbank is van oordeel dat naar verkeersopvattingen pas in fase III sprake is van een aantasting in het materiaal, die de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt. Anders gezegd, van schade - in de zin van polis - was pas sprake op het moment dat zich als gevolg van kruip een meer dan verwachtte mate van vervorming van het materiaal voordeed, en niet al bij iedere eerste vervorming of verandering van het materiaal van de gasturbine. Een dergelijk mate van vervorming als gevolg van kruip is dan op zichzelf al aan te merken als schade, niet vereist is dat verdere secundaire fysieke schade door de vervorming (zoals slijtage van de honingraatafdichtingen) zich reeds heeft geopenbaard. De slotsom is dan dat uit het rapport van de kruipcommissie volgt dat zich pas enige tijd na ingebruikneming van de gasturbines een abnormale vervorming als gevolg van kruip heeft voorgedaan. Nu naar het oordeel van de rechtbank zich pas in fase III en derhalve pas in de loop van de tweede helft van de beschreven periode een abnormale vervorming van het materiaal van de gasturbines heeft voorgedaan en vast staat dat de WKC’s in Erica en Klazinaveen op respectievelijk 8 maart en 9 mei 1996 zijn opgeleverd, moet het er voor gehouden worden dat de kruipschade binnen de verzekerde periode en na 16 mei 1997 is ontstaan.

4.20.

Zodoende falen de verweren van de verzekeraars en zijn zij - in beginsel - gehouden tot dekking onder de verzekering.

Benadeling van de verzekeraars

4.21.

De verzekeraars stellen dat zij - door een overeenkomst tussen Essent en ABB - zijn benadeeld in hun regresrecht. Artikel 7:692 BW bepaalt thans: “De verzekerde moet zich, nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, onthouden van elke gedraging welke aan het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet”. Dit artikel houdt een nadere precisering van de in artikel 6:154 BW vervatte regel. De in dat artikel geformuleerde norm gold, op die grond en als ongeschreven recht, reeds voor invoering van het nieuwe verzekeringsrecht.

4.22.

De verzekeraars stellen daartoe dat ABB onder de garantie gehouden kon worden tot herstel, althans schadevergoeding. Hoewel de verzekeraars de exacte overeenkomst tussen Essent en ABB niet kennen, maken zij met name uit het rapport van Eliasar van 2008 op dat Essent in 1999 afstand heeft gedaan van (bepaalde) garantierechten uit haar overeenkomst met ABB en zodoende de verzekeraars heeft benadeeld in hun mogelijkheid om regres te nemen op ABB. Ook na de garantietermijn had Essent jegens ABB een beroep op non-conformiteit kunnen doen. De kosten van herstel (ad € 759.725,00) hadden voor rekening van ABB moeten komen en komen derhalve niet voor vergoeding door de verzekeraars in aanmerking, aldus de verzekeraars.

4.23.

Essent voert hiertegen aan dat ABB als medeverzekerde op de polis stond vermeld, zodat onder het oude verzekeringsrecht de verzekeraars geen regres konden nemen op ABB. Voorts voert zij aan dat ABB zich kon beroepen op het verstrijken van de garantietermijn en bovendien contractueel aansprakelijkheid grotendeels had uitgesloten.

4.24.

De rechtbank overweegt als volgt. Onder het nieuwe recht is het niet mogelijk dat de verzekeraar bij wijze van subrogatie een vordering van verzekerde op een medeverzekerde verkrijgt en kan van dat voorschrift niet worden afgeweken (artikel 7:962 lid 3 jo 7:963 lid 1). Onder het hier van toepassing zijnde oude recht bestond op dat punt geen dwingendrechtelijke bepaling. Zowel het sluiten van de overeenkomst als het ontstaan van een eventuele regresvordering vond plaats onder het regime van het oude recht. Gelet op artikel 6 van de AVW hebben de verzekeraars uitdrukkelijk geen afstand gedaan van hun mogelijkheid van regres, voor zover ABB op grond van door haar verstrekte garanties gehouden was tot schadevergoeding jegens Essent. Dat impliceert dat partijen bij de overeenkomst - waaronder ABB - ervan uitgingen dat de verzekeraars in dat geval wel regres zouden kunnen nemen op ABB. Partijen bij de overeenkomst zijn dus - in zoverre in afwijking van artikel 284 Wetboek van Koophandel [oud] - overeengekomen dat de verzekeraars gesubrogeerd zouden worden in vorderingen van Essent op ABB uit hoofde van de garantie.

4.25.

Het gaat hier echter niet om een voorwaarde voor dekking, of om een recht van de verzekeraar om de uitkering te verminderen (artikel 7:941 BW is ook niet naar analogie van toepassing op deze situatie), maar om een beroep op verrekening van een eventueel uit te keren vergoeding onder de polis met een wellicht door Essent verschuldigde schadevergoeding op grond van 6:154 BW en 7:962 BW (althans 284 WvK [oud]) juncto 6:162 BW of 6:74 BW. De rechtbank is van oordeel dat de gegrondheid van dit beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zodat het gelet op het bepaalde in artikel 6:136 BW niet aan toewijzing van de vordering van Essent in de weg kan staan.

4.26.

De stelling van de verzekeraars dat op dit punt Essent misbruik van de verzekering zou hebben gemaakt hebben zij niet althans onvoldoende concreet onderbouwd. Aan bewijslevering komt de rechtbank op dit punt derhalve niet toe.

Omvang schade

4.27.

De verzekeraars voeren aan dat gebondenheid aan het rapport van Eliasar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Eliasar heeft bij zijn berekening geen rekening gehouden met het schadebegrip in de polisvoorwaarden. Immers was vervanging van een diffusor (laat staan 4 diffusors) niet nodig. Desondanks zijn vier diffusors vervangen. Het gaat hier daarom om verbeteringen aan de WKC’s. Op grond van artikel 1.4.3. van de bijzondere voorwaarden zijn de kosten van verbetering of verandering in het object van dekking uitgesloten. Essent moet hierover duidelijkheid verschaffen. Ook is het aantal stops onjuist berekend en vallen die gedeeltelijk buiten de verzekerde periode. Door Eliasar is ten onrechte geen rekening gehouden met de besparingen als gevolg van de stilstand. Daarnaast behouden de verzekeraars zich alle rechten voor met betrekking tot het eigen risico.

4.28.

Zoals hiervoor overwogen (in r.o. 4.15) zijn partijen gebonden aan de rapporten van Eliasar: ook de omvang van de schade is door Eliasar bindend vastgesteld. Uit het rapport blijkt dat twee diffusors (van de vier) zijn vervangen (één door een “opgeknapte” diffusor, één door een nieuwe diffusor) en dat de twee andere diffusors niet zijn vervangen, maar dat voor die diffusors wel kosten zijn gemaakt in verband met de “0-fix” en tussentijdse controles, die kosten zijn opgevoerd als bedrijfsschade. Eliasar heeft overwogen dat vervanging van die twee diffusors nog niet is gepland en daarom daarvoor geen kosten begroot. Uit het rapport van Eliasar uit 2000 (zie onder 2.18) blijkt dat de verschuiving ten opzichte van de hartlijn in de twee turbines waarin de diffusor is vervangen het grootst was (B-623, verticaal 1,4 mm en B-629 verticaal “bijna 1,6 mm”). Gelet daarop stond het Eliasar vrij om te oordelen dat vervanging van die twee diffusors het gevolg was van kruip en derhalve de kosten daarvan als schade in de definitie van de polis te beschouwen. De verzekeraars betwisten dat tevergeefs. Het betoog dat (ook) de bedrijfsschade onjuist is berekend, slaagt evenmin nu uit het door verzekeraars in dat verband gestelde in ieder geval niet kan volgen dat sprake is van een zo ernstige fout van Eliasar dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien de verzekeraars desondanks aan het rapport gebonden zouden zijn.

4.29.

Uit het voorgaande volgt dat de kruipschade door Eliasar in zijn rapport van 23 januari 2008 tussen partijen bindend is vastgesteld op € 1.633.692,00.

Kosten Eliasar

4.30.

De verzekeraars betwisten de verschuldigdheid van de kosten van Eliasar aangezien Eliasar niet de door partijen benoemde expert zou zijn en de desbetreffende facturen niet zijn overgelegd. De rechtbank volgt verzekeraars niet. Het verweer dat Eliasar niet de door partijen benoemde expert is, is reeds verworpen. Gelet op de omstandigheid dat (niet betwist is dat) Essent het honorarium van Eliasar, zoals vermeld in diens rapport van 23 januari 2008 ad € 86.223,39 bij wijze van voorschotten op de gestelde data heeft voldaan, kunnen de verzekeraars in dit geval niet volstaan met een blote betwisting bij gebrek aan wetenschap. Dat de facturen niet in het geding zijn gebracht is onder die omstandigheden op zichzelf niet voldoende om de vordering als onvoldoende onderbouwd af te wijzen. De vordering ter zake van het honorarium van Eliasar is dan ook toewijsbaar inclusief de wettelijke rente vanaf de data van betaling van de desbetreffende voorschotten.

Schaderegelingscourtage

4.31.

Tussen partijen is niet in geschil dat een maximum van 1% van het uit te keren bedrag is verzekerd als schaderegelingscourtage. Het ter zake door Essent gevorderde bedrag van € 15.883,14 is als onvoldoende betwist toewijsbaar.

Balanskosten

4.32.

Tegen deze post ad € 4.47, is door de verzekeraars geen verweer gevoerd, zodat zij kan worden toegewezen.

Wettelijke rente

4.33.

Essent vordert wettelijke rente vanaf 29 augustus 2001, de datum dat de verzekeraars de opdracht van Eliasar introkken. De verzekeraars voeren aan dat er geen afsluitend rapport van een door partijen benoemde deskundige ligt, zodat de vordering niet opeisbaar is. Zelfs indien het anders zou zijn, zou het na 2001 nog enige jaren hebben geduurd voordat Eliasar de schade zou kunnen hebben begroot, zeker gelet op de omstandigheid dat tot 2005 de nota’s van Eliasar door de verzekeraars zijn betaald. De verzekeraars zijn ook nimmer in gebreke gesteld.

4.34.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 29 augustus 2001 hebben de verzekeraars GAB Robbins laten weten de opdracht terug te willen nemen, op basis van belangenverstrengeling (zie onder 2.19). Blijkens haar stellingen en proceshouding zag dat op alle dossiers waarin GAB Robbins optrad als expert voor Essent en de verzekeraars. In deze procedure hebben de verzekeraars niet toegelicht waaruit die belangenverstrengeling bestond – anders dan de tegengestelde belangen die eigen zijn aan dit soort verzekeringskwesties – en evenmin heeft zij kunnen toelichten om welke concrete redenen zij het vertrouwen in Eliasar zijn verloren. Het gaat hier om een door partijen benoemde deskundige, die benoemd is om een geschil tussen partijen te beëindigen. Verzekeraars kunnen een dergelijke opdracht niet zelfstandig beëindigen door deze eenzijdig in te trekken zonder haar medeopdrachtgever(s) daarbij te betrekken. De intrekking is dan ook zonder rechtsgevolg gebleven.

4.35.

In de gegeven omstandigheden mocht Essent uit de als intrekking bedoelde mededeling aan GAB Robbins inderdaad afleiden dat de verzekeraars te kort zouden schieten in hun verbintenis om mee te werken aan totstandkoming van het deskundigenrapport zoals bedoeld in artikel 7 AVW. Omdat dat rapport een voorwaarde is voor de vaststelling en opeisbaarheid van de uit te betalen schadevergoeding, geldt dat dit ook te gelden heeft als een mededeling dat de verzekeraars in de nakoming van hun betalingsverplichting zouden tekortschieten. Op grond van 6:80 lid 1 sub b BW treden daarmee de gevolgen van niet-nakoming reeds in voordat de vordering opeisbaar is. Daaruit volgt echter nog niet dat ook vertragingsschade zonder meer toewijsbaar is. Op grond van artikel 6:81 BW is daarvoor vereist dat de prestatie opeisbaar is geworden. Evenmin levert de intrekking, zonder meer, een zelfstandige grondslag voor schadevergoeding op, met name niet omdat niet duidelijk is geworden wat het effect van de intrekking is geweest, in hoeverre het opstellen van de eindrapporten erdoor is vertraagd en wanneer Essent hierover heeft geklaagd bij de verzekeraars. De betaling van de verschuldigde schadevergoeding onder de verzekering is niet een voorwaardelijke verbintenis in de zin van 6:21 BW, omdat slechts het moment van betaling en niet de verplichting tot betaling afhankelijk is van (de datum van) het rapport van de expert. Het beroep op artikel 6:23 BW gaat daarom niet op.

4.36.

Bij deze stand van zaken moet worden uitgegaan van hetgeen partijen zijn overeengekomen. De verzekeringsovereenkomst (artikel 8 AVW) bepaalt dat de verschuldigde schadevergoeding zal worden voldaan binnen vier weken na ontvangst van het afsluitend rapport van de schade-expert als bedoeld in artikel 7 AVW. Dat is een voor voldoening bepaalde termijn, zodat na het verstrijken daarvan de verzekeraars in verzuim zijn geraakt. De verzekeraars hebben niets gesteld over de ontvangst van de rapporten, zodat de wettelijke rente over de hoofdsom toewijsbaar is vanaf vier weken na dagtekening van het eindrapport, te weten vanaf 21 februari 2008.

Eigen risico

4.37.

Essent heeft bij berekening van haar vordering een eigen risico van € 45.378,00 in mindering gebracht op haar vordering. Verzekeraars hebben bij conclusie van antwoord gesteld dat in de hier van toepassing zijnde periode 16 mei 1997 tot 16 mei 1998 het eigen risico 20% van het schadebedrag bedraagt met een minimum van € 226.890,11, totdat een maximum (per 12 maanden) van € 453.780,21 is bereikt. Daarna bedraagt het eigen risico per schadegeval € 45.378,01 (NLG 100.000,00). De verzekeraars stellen dat eerst moet worden vastgesteld hoeveel aan eigen risico in de desbetreffende periode aan Essent in rekening is gebracht. De verzekeraars behouden zich daarom op dit punt alle rechten voor. Bij repliek heeft Essent het door verzekeraars gestelde onderschreven, gesteld dat het maximale bedrag in de periode tot 16 mei 1998 reeds is bereikt en zich op het standpunt gesteld dat het eigen risico dus € 45.378,00 bedraagt. Verzekeraars hebben dit bij dupliek niet meer inhoudelijk bestreden zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan.

Conclusie

4.38.

Uit het voorgaande volgt dat voor vergoeding in aanmerking komt € 1.633.692,00 (kruipschade), € 15.883,00 (courtage) en € 86.223,39 (kosten expert) € 4.47 (balanskosten), minus € 45.378,01 (het eigen risico), derhalve in totaal € 1.690.424,85, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering tot betaling daarvan is jegens If voor 45% en Reaal voor 5% toewijsbaar. De vorderingen jegens AIG, Allianz en Delta Lloyd zijn verjaard en zullen worden afgewezen. Essent heeft onder die omstandigheden geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Nu partijen over en weer in min of meer gelijke mate in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

in de zaak 12-423 (omloophulsschade)

Gedekte schade?

4.39.

Tussen partijen is onder andere in geschil of de schade aan de leidschoepen als gevolg van het afbreken van de omloophuls in de centrale in Erica zich al dan niet heeft voorgedaan in de verzekerde periode, dat wil zeggen vóór 16 mei 1998 te 12.00 uur.

Verzekeraars hebben er in dat verband op gewezen dat de schade aan de leidschoepen als een aparte schade in de zin van de polis moet worden beschouwd en dat deze pas kan zijn ontstaan nadat het derde pootje van de omloophuls was afgebroken waarna het losgeschoten deel van de omloophuls in de gasturbine terechtkwam en de leidschoepen beschadigde. Omdat niet kan worden vastgesteld wanneer het derde pootje is afgebroken kan evenmin worden vastgesteld wanneer de schade aan de leidschoepen is ontstaan. Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat aldus niet is komen vast te staan dat zich tijdens de verzekerde periode een ‘objectieve aantasting van de stoffelijke structuur’ van de leidschoepen heeft voorgedaan, zodat ter zake van de schade aan de leidschoepen ook geen dekking bestaat.

4.40.

Essent heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade aan de leidschoepen vóór 16 mei 1998 te 12.00 uur is ontstaan en dus onder de verzekering is gedekt. Essent voert allereerst aan dat uit het rapport van KEMA volgt dat de eerste scheuren in de omloophuls 26 dagen voor ontdekking van de afgebroken delen op 30 mei 1998 en dus ruim vóór 16 mei 1998 zijn ontstaan.

Onder verwijzing naar het tweede eindrapport van Eliasar van 26 mei 2010 concludeert Essent vervolgens dat de breuken in twee van de drie pootjes van de omloophuls ouder waren dan ten minste 26 dagen en dat wanneer twee van de driepootjes zijn bezweken en dus niet langer de belasting delen het complete afbreken van het laatste pootje geen langdurige proces zal zijn geweest.

4.41.

De rechtbank is met verzekeraars van oordeel dat pas sprake is van materiële schade aan de leidschoepen in de zin van de polis, op het moment dat zich een daadwerkelijke aantasting van de stoffelijke structuur van de leidschoepen heeft voorgedaan en dat dit zich pas heeft voorgedaan op het moment dat het losgeschoten deel van de omloophuls in de gasturbine terechtkwam en in aanraking is gekomen met de leidschoepen.

Verder is de rechtbank met verzekeraars van oordeel dat slechts dekking onder de verzekering bestaat indien komt vast te staan dat de materiële schade is ontstaan tijdens de looptijd van de verzekering en dat ter zake van de vraag of zich een verzekerd evenement heeft voorgedaan de stelplicht en de bewijslast ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op Essent rusten.

4.42.

Uit geen van de rapporten van KEMA, Eliasar of Feenstra met zekerheid kan worden afgeleid wanneer het laatste pootje van de omloophuls is afgebroken. Integendeel, uit die rapporten blijkt juist ondubbelzinnig dat daarover geen zekerheid te geven is. Vast staat dat de schade aan de leidschoepen op 30 mei 1998 is ontdekt. Met Essent kan op basis van het rapport van KEMA worden aangenomen dat de eerste scheuren in twee van de drie pootjes van de omloophuls ten minste 26 dagen voordien, en dus in de verzekerde periode, zijn ontstaan. Uit het rapport van KEMA blijkt vervolgens dat op de breukvlakken van het derde pootje geen oxidelaag is aangetroffen en dat daarom niet kan worden vastgesteld wanneer die breuken zijn ontstaan. KEMA schrijft immers:

Pootje Al: Het pootje heeft twee breukvlakken (aangeduid als A en B) als gevolg van het uitbreken van een stukje metaal. Geen van de breukvlakken had een oxidelaag.

Pootje A2: De oxidelaag op het breukvlak heeft een dikte van circa 3,5 micron.

Pootje A3: De oxidelaag op het breukvlak varieert van 1,3 tot 2,5 micron.

(…)

De oxidedikte op de pootjes A2 en A3 bedragen enkele micron, terwijl op pootje Al met 2 breuken geen oxide is aangetroffen. Dit betekend dat het uitbreken van het stukje strip uit pootje Al heeft plaatsgevonden ná het optreden van breukvorming in de pootjes A2 en A3. (…) Doordat een meetbare oxidedikte op de breukvlakken van pootje A1 ontbreekt en doordat bij de gloeiproeven geen meetbare oxidedikte is gevormd, vervalt de mogelijkheid om aan te geven of het stukje strip is uitgebroken vóór of ná 16 mei 1998.

Daartegenover acht de rechtbank de enkele opmerking van Eliasar dat het logisch lijkt “dat wanneer twee van de driepootjes waren bezweken en dus niet langer de belasting deelden, waardoor het kerndeel van de huls onstabiel werd, het complete afbreken van het laatste pootje geen langdurige proces zal zijn geweest”, onvoldoende om als vaststaand aan te kunnen nemen dat het derde pootje voor 16 mei 1998 is afgebroken en dat de schade aan de leidschoepen dus in de verzekerde periode is ontstaan en onder de verzekering is gedekt. Dit temeer nu de conclusies van Eliasar de rechtbank niet zonder meer logisch lijken in het licht van de bevindingen van KEMA: als het derde pootje kort na het afbreken van de eerste twee zou zijn gevolgd, ligt het immers veeleer voor de hand dat op de drie pootjes een vergelijkbare oxidelaag zou zijn aangetroffen. Aangenomen moet worden dat thans, 16 jaar na dato, niet meer met zekerheid zal zijn vast te stellen wanneer het derde pootje van de omloophuls precies is afgebroken. Nu op dit punt ook een voldoende concreet bewijsaanbod ontbreekt, kan op basis van de thans nog voorhanden zijnde gegevens niet worden vastgesteld dat, zoals Essent aan haar vordering ten grondslag legt, de schade aan de leidschoepen in de verzekerde periode is ontstaan.

4.43.

Essent heeft vervolgens gewezen op artikel 1.2 van de AVW waarin is bepaald dat:
‘Als “schadegeval” resp. “het schadegeval” in de zin dezer polis c.a. wordt beschouwd een gebeurtenis resp. een complex van gebeurtenissen voortvloeiende uit een en dezelfde oorzaak’.

Essent betoogt dat het scheuren en afbreken van de pootjes van de omloophuls en de daarop gevolgde beschadiging van de leidschoepen moeten worden gezien als één schadegeval waarvan de oorzaak - te weten de eerste scheuren in de pootjes van de omloophuls - 26 dagen voor ontdekking van de afgebroken delen op 30 mei 1998 en dus ruim vóór 16 mei 1998 is ontstaan.

4.44.

De rechtbank volgt Essent ook hier niet. Het bepaalde in artikel 1.2 AVW heeft geen betrekking op de vaststelling van de omvang van de gedekte “materiele schade” of het moment waarop die schade is ontstaan. De definitie van “schadegeval” in de AVW strekt ertoe te voorkomen dat op een complex van samenhangende gebeurtenissen meermaals de maximaal verzekerde som per gebeurtenis of het eigen risico van toepassing zijn. De in artikel 1.2 AVW gedefinieerde term schadegeval wordt vervolgens in de polis, de voorwaarden en de aanhangsels ook niet gebezigd bij de omschrijving van de dekking maar in de bepalingen omtrent het eigen risico en de schaderegeling.

4.45.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat de schade aan de leidschoepen gedekt is onder de verzekering, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Omvang schade

4.46.

Tussen partijen is vervolgens niet in geschil dat de schade aan de omloophuls en de bedrijfsschade die daar het gevolg van is, onder de verzekering is gedekt. Evenmin staat ter discussie dat Eliasar dienaangaande is benoemd als expert in de zin van artikel 7 AVW en dat een door hem opgemaakte taxatie tussen partijen heeft te gelden als uitsluitend bewijs van de hoegrootheid van de schade. In zijn eindrapport van 16 oktober 2001 heeft Eliasar die schade als volgt begroot:

materiële schade

(…) Omdat er geen waarde beschikbaar is voor een individuele huls zijn we bereid een schatting aan te bieden van niet meer dan EUR 2500 per huls inclusief arbeid.

(…)

bedrijfsschade

(…)

schadevaststelling
uit de operationele gegevens van GasEdon blijkt dat er een inkomensderving is opgetreden in de periode van 30 mei 1998 tot en met 9 oktober 1998. (…)

Het is onmogelijk, anders dan arbitrair, om de periode zodanig te ontleden dat individuele tijdsegmenten kunnen worden toegewezen aan specifieke reparaties. (…) Evenzo arbitrair schatten wij dat in de meest ongunstige situatie (…) het vervangen van één omloophuls circa 7 dagen (…) kan duren. Dat zou een vaststelbare bedrijfsschade vertegenwoordigen van NLG 199.025 (…).

4.47.

De rechtbank is van oordeel dat het eindrapport van Eliasar heeft te gelden als een taxatie in de zin van artikel 7 AVW en dat de daarin door Eliasar vastgestelde omvang van de als gevolg van het afbreken van de omloophuls ontstane materiele schade en bedrijfsschade partijen bindt. Daaraan doet niet af dat Eliasar de bedrijfsschade bij gebreke van voldoende concrete aanknopingspunten bij wijze van “arbitraire” schatting heeft begroot. Eliasar heeft immers in zijn rapport uiteengezet waarom hij niet tot een concrete vaststelling van de bedrijfsschade heeft kunnen komen en dat deze dus moest worden geschat. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. Onder die omstandigheden stond het Eliasar, als de door partijen daartoe benoemde expert, vrij om de omvang van de schade bij wege van schatting vast te stellen en het is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar partijen aan die vaststelling gebonden te achten. De slotsom is dan dat de schade als gevolg van het afbreken van de omloophuls onder de verzekering is gedekt tot een bedrag aan materiële schade van NLG 2.500,00 (€ 1.134,45) en aan bedrijfsschade van NLG 199.025,00 (€ 90.313,61), in totaal (€ 91.448,06).

Schaderegelingscourtage

4.48.

Tussen partijen is niet in geschil dat een maximum van 1% van het uit te keren bedrag is verzekerd als schaderegelingscourtage. Het ter zake door Essent gevorderde bedrag is tot € 9.144,81 als onvoldoende betwist toewijsbaar.

Wettelijke rente

4.49.

De verzekeringsovereenkomst bepaalt in artikel 8 AVW dat de verschuldigde schadevergoeding zal worden voldaan binnen vier weken na ontvangst van het afsluitend rapport van de schade-expert als bedoeld in artikel 7 AVW. Dat is een voor voldoening bepaalde termijn, zodat na het verstrijken daarvan de verzekeraars in verzuim zijn geraakt. Partijen hebben niets gesteld over de ontvangst van het rapport van Eliasar van 16 oktober 2010, zodat de wettelijke rente over de toe te wijzen hoofdsom zal worden toegewezen vanaf vier weken na dagtekening van het eindrapport, te weten vanaf 14 november 2001.

Eigen risico

4.50.

Op gelijke gronden als hiervoor bij de kruipschade overwogen wordt ook voor de omloophulsschade het toepasselijk eigen risico vastgesteld op € 45.378,01 (NLG 100.000,00).

Kosten Eliasar

4.51.

Als onbetwist staat vast dat verzekeraars de kosten van Eliasar tot en met diens eindrapportage van 16 oktober 2001 hebben voldaan. Nu verzekeraars niet gehouden zijn dekking te verlenen voor meer dan de daarin reeds vastgestelde schade bestaat evenmin aanleiding hen te veroordelen de kosten te voldoen van het nadien op verzoek van Essent nog door Eliasar verrichte nadere onderzoek. De vordering is in zoverre niet toewijsbaar.

Conclusie

4.52.

Uit het voorgaande volgt dat voor vergoeding in aanmerking komt € 91.448,06 (omloophulsschade) en € 9.14,48 (courtage), minus € 45.378,01 (het eigen risico), derhalve in totaal € 46.984,53, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering tot betaling daarvan is jegens If voor 45% en jegens Reaal voor 5% toewijsbaar. De vorderingen jegens AIG, Allianz en Delta Lloyd zijn verjaard en zullen worden afgewezen. Essent heeft onder die omstandigheden geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Nu partijen over en weer in min of meer gelijke mate in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 12-120 (kruipschade)

5.1.

veroordeelt If aan Essent te betalen € 760.691,18 (zevenhonderdzestigduizend zeshonderdeenennegentig euro en achttien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt Reaal aan Essent te betalen € 84.521.24 (vierentachtigduizend vijfhonderdeenentwintig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten zal dragen,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak 12-423 (omloophulsschade)

5.6.

veroordeelt If aan Essent te betalen € 21.143,04 (eenentwintigduizend honderddrieënveertig euro en vier cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2001 tot aan de dag der voldoening,

5.7.

veroordeelt Reaal aan Essent te betalen € 2.349,23 (tweeduizend driehonderdnegenenveertig euro en drieëntwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2001 tot aan de dag der voldoening,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten zal dragen,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.W.H. Vink, G.H. Marcus en C.H. Rombouts, rechters, bijgestaan door mr. E.J van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.

*

*