Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3658

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
HA ZA 14-998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdraagbaarheid vordering. Bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderings¬recht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenis¬rechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven met in achtneming van de zogenaamde “Haviltex-maatstaf” uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederen¬rechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd (ECLI:NL:HR:2014:682). Het beding in de overeenkomst tussen gedaagde en de uitlenende partij luidt: “Een Partij kan zijn rechten en verplichtingen uit deze geldleningsovereenkomst niet aan een derde overdragen dan wel door een derde doen overnemen, behoudens met de voorafgaande toestemming van de andere Partij.” Dat overdraagbaarheid onder voorwaarden mogelijk is, is niet voldoende om zonder meer aan te nemen dat het beding geen goederenrechtelijke werking heeft. Relevant is immers wat de betekenis van het verbod is als niet aan de voorwaarden is voldaan. Het werkwoord “kunnen” impliceert dat het beding partijen niet verbiedt de vordering over te dragen, maar dat het beding het onmogelijk maakt om – zonder toestemming – de vordering over te dragen. Uit die formulering blijkt dat de partijen bij de geldleningsovereenkomst een verbod met goederenrechtelijke werking hebben beoogd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beding goederenrechtelijke werking heeft. Eiseres is geen rechthebbende geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2015/110
INS-Updates.nl 2015-0290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/574417 / HA ZA 14-998

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QYN B.V.,

gevestigd te Rosmalen,

eiseres,

advocaat mr. S.M.E. Hirdes,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MIA MEDIA B.V.,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaat mr. S.V. Hardonk.

Partijen zullen hierna Qyn en Mia Media genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 oktober 2014, met producties,

- de conclusie van antwoord,

  • -

    het tussenvonnis van 28 januari 2015,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2015 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brief van mr. Hirdes naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Mia Media maakt informatiefilms voor zorginstellingen.

2.2.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid New Business Generation Holding B.V. (hierna: NBG) hield (in 2009) aandelen in Mia Media.

2.3.

Tussen Mia Media en NBG is op 5 augustus 2009 een geldleningsovereenkomst gesloten. Die overeenkomst houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

[…]

A. Tussen de Schuldeiser [NBG, rechtbank] en de Schuldenaar [Mia Media, rechtbank] bestaat een achtergestelde schuldverhouding welke door Schuldeisers als aandeelhouder van Schuldenaar is verstrekt ten titel van geldlening, in totaal ten bedrage van EUR 157.787,50, hierna te noemen: de Geldlening.

B. In verband met opnieuw een zeer dringende financieringsbehoefte van Schuldenaar […] is de Schuldeiser voornemens alle door hem gehouden aandelen in het kapitaal van de Schuldenaar over te dragen aan J & D Consultancy Investments […].

Vergoeding

Artikel 2

2.1

In samenhang met de in preambule onder B genoemde aandelenverkoop, op voorwaarde van de overname van de Schuldenaar op de wijze als in dit artikel nader omschreven, zal de Schuldenaar aan de Schuldeiser de in dit artikel nader omschreven vergoeding [….] verschuldigd zijn […]

Looptijd

Artikel 3

3.1

De looptijd van de lening bedraagt 5 jaren.

[…]

Terugbetaling of conversie

Artikel 4

4.1

De Schuldenaar is verplicht de Hoofdsom, dan wel het nog niet terugbetaalde gedeelte daarvan, aan het einde van de looptijd van de lening terug te betalen.

4.2

De Schuldenaar is bevoegd te bepalen dat […] de Hoofdsom, dan wel het nog niet terugbetaalde gedeelte daarvan, aan het einde van de looptijd van de lening, geheel of gedeeltelijk, in nieuw uit te geven aandelen in het kapitaal van de Schuldenaar wordt geconverteerd. […] De […] bevoegdheid […] tot conversie vervalt indien de Schuldenaar niet uiterlijk 4 weken voor het einde van de looptijd van de lening aan de Schuldeiser heeft medegedeeld dat hij van die bevoegdheid gebruik maakt.

[…]

Opeisbaarheid

Artikel 5

De Hoofdsom [zal] […] terstond opeisbaar zijn in geval:

[…]

Achterstelling

Artikel 8

De verplichting van de Schuldenaar tot terugbetaling van de Hoofdsom, dan wel het nog niet terugbetaalde gedeelte daarvan, en tot betaling van de Vergoeding is achtergesteld bij alle bestaande en toekomstige, al dan niet opeisbare, voorwaardelijke of onvoorwaardelijke, vorderingen van derden op de Schuldenaar en wel zodanig dat die verplichtingen jegens de Schuldeiser niet voldaan behoeven te worden of voor compensatie vatbaar zijn voordat de Schuldenaar die vorderingen van derden volledig heeft voldaan.

[…]

Overdracht rechten en verplichtingen

Artikel 13

13.1

Een Partij kan zijn rechten en verplichtingen uit deze geldleningsovereenkomst niet aan een derde overdragen dan wel door een derde doen overnemen, behoudens met de voorafgaande toestemming van de andere Partij.

13.2

De Schuldenaar verbindt zich jegens de Schuldeiser […] de toestemming als bedoeld in artikel 13.1 […] te zullen verlenen ten aanzien van de overdracht […] op voorwaarde dat de persoon die die rechten en verplichtingen verkrijgt (i) kan worden beschouwd als partij die te goeder naam en faam bekend staat en (ii) zich jegens de Schuldenaar heeft onderworpen aan de verplichtingen tot geheimhouding, op straffe van een redelijke boete, rekeninghoudend met de aard en de eventuele concurrentiepositie van de betrokken verkrijger. […]

2.4.

Tussen Qyn en NBG is op 26 augustus 2009 een “Overeenkomst voor overdracht software en cessie vorderingen uit geldleningsovereenkomst” gesloten. Die cessie-overeenkomst houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

3. Cessie Geldleningsovereenkomst

3.1.

Partijen komen overeen dat NBG op de Overdrachtsdatum al haar vorderingen op MM [Mia Media, rechtbank] voortvloeiend uit of in verband met de Geldleningsovereenkomst aan QYN overdraagt door middel van cessie met mededeling, ex artikel 3:94 lid 1 BW, welke overdracht QYN hierbij aanvaardt.

3.2

Partijen zullen MM direct na ondertekening van deze Overeenkomst mededeling doen van de cessie door middel van een aangetekende brief […].

13 Slotbepalingen

13.1

Partijen verklaren uitdrukkelijk dat zij alle vereiste goedkeuringen hebben gevraagd en verkregen en gemachtigd zijn om de in deze Overeenkomst beschreven Transactie te effectueren.

2.5.

Op 27 augustus 2009 schreef [naam 1] (hierna: [naam 1]), namens Qyn, aan onder meer de directeur van Mia Media:

Ik heb nog een ander doc wat getekend moet worden betreffende cessie van de achtergestelde lening, maar daar kom ik nog wel mee.

2.6.

Op 1 februari 2012 is NBG ontbonden.

2.7.

Bij brief van 11 juli 2014 heeft Qyn Mia Media aangemaand tot betaling van € 157.878,50.

2.8.

Op 4 augustus 2014 schreef Mia Media aan Qyn:

Zoals afgesproken zou ik vandaag reageren op jullie mail van 11 juli 2014.

Ik heb de documentatie bestudeerd en wil jullie conform de leningsdocumentatie 10% van de aandelen van Mia Media BV aanbieden.

In de documentatie kwam ik de stukken mbt de verpanding aan jullie niet tegen. Zouden jullie me die toe kunnen sturen?

3 Het geschil

3.1.

Qyn vordert – samengevat – veroordeling van Mia Media tot betaling van € 157.878,50 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeling van Mia Media in de beslag- en de proceskosten.

3.2.

Mia Media voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

toestemming overdracht

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor cessie van de vordering van NBG op Mia Media in beginsel toestemming van Mia Media vereist was, gelet op artikel 13 van de leningsovereenkomst tussen NBG en Mia Media.

4.2.

Qyn stelt dat zij die toestemming heeft verkregen en subsidiair dat Mia Media die toestemming niet had mogen weigeren. Qyn stelt dat door Mia Media (stilzwijgend) toestemming is gegeven, doordat in de e-mail van 27 augustus 2009 (r.o. 2.5.) wordt verwezen naar toestemming en Mia Media hetzij in gesprekken met [naam 1] – die namens Qyn onderhandelde – hetzij door mededeling van de cessie, op de hoogte is geraakt van de cessie, en daartegen niet heeft geprotesteerd. Ook is het volgens Qyn zo dat Mia Media door middel van het schrijven van 4 augustus 2014 (r.o. 2.8.) heeft erkend dat thans Qyn rechthebbende van de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst is.

4.3.

De verklaring van [naam 1] (productie 8 van Qyn) houdt in:

Niettegenstaande het feit dat ik nergens 100% documentatie heb kunnen vinden, weet ik 100% zeker dat er over alles, ook over de cessie van ALLE vorderingen, (ook die op Mia Media) met Mia Media […] is overlegd. Tot in den treure zelfs, zij hebben zelf inhoudelijk aan de diverse clausules dienaangaande bijgedragen.

4.4.

Mia Media betwist dat zij toestemming heeft verleend voor de cessie en voert aan dat tussen NBG en Mia Media geen geheimhouding is overeengekomen.

4.5.

Uit de e-mail van 27 augustus 2009 valt niet op enigerlei wijze af te leiden dat Mia Media toestemming voor cessie heeft gegeven. Uit het schrijven van 4 augustus 2014 – en met name het daarin vervatte aanbod – valt niet af te leiden dat Mia Media heeft erkend dat Qyn rechthebbende is van de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt voorts slechts dat over de cessie is overlegd, niet dat Mia Media (expliciet) om toestemming is gevraagd of dat Mia Media impliciet akkoord is gegaan met de cessie. Uit de e-mail van [naam 1] (zie onder 2.5) leidt de rechtbank af dat – ook in de optiek van Qyn – in ieder geval nog een document getekend moest worden waar de toestemming uit bleek. Die e-mail en zelfs het uitblijven van een reactie daarop zijn onvoldoende om aan te nemen dat Qyn erop vertrouwde, laat staan er op mocht vertrouwen, dat Mia Media reeds – stilzwijgend – toestemming had verleend. De rechtbank komt zodoende tot het oordeel dat van stilzwijgende of uitdrukkelijke toestemming van Mia Media voor de cessie voorafgaand aan het sluiten van de cessieovereenkomst niet is gebleken.

4.6.

Qyn beroept zich (kennelijk) op het uitblijven van een reactie op mededeling van de cessie aan Mia Media, maar kan niet bewijzen dat de desbetreffende brief daadwerkelijk (aangetekend) is verzonden. Bewijs dat er op 3 september 2009 twee brieven aangetekend zijn verzonden, is immers nog geen bewijs dat op die dag juist deze brief aangetekend aan Mia Media is verzonden. Nu Qyn op dat punt geen – verder – bewijs aanbiedt, kan reeds hierom uit het uitblijven van een reactie op de gestelde mededeling van cessie niet worden afgeleid dat Mia Media stilzwijgend instemde met de overdracht.

4.7.

Voor zover Qyn zich erop beroept dat Mia Media gehouden was om toestemming te verlenen aan de cessie, verwerpt de rechtbank dat beroep. Onweersproken is immers gesteld dat tussen NBG en Qyn geen geheimhoudingsclausule is overeengekomen. Omdat aan die voorwaarde uit de geldleningsovereenkomst niet is voldaan, was Mia Media niet gehouden was om haar toestemming te verlenen aan de cessie. Mia Media is niet gebonden door de verklaring van NBG dat NBG bevoegd was de vordering te verpanden. Het eerste voorstel tot betalen is, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin gelijk te stellen met een (achteraf gegeven) toestemming met de cessie, noch met de erkenning van de overdracht.

overdraagbaarheid lening

4.8.

De vervolgvraag is wat de rechtsgevolgen zijn van het ontbreken van de vereiste toestemming. De vordering is volgens Qyn wel aan haar overgedragen. Qyn betoogt dat gelet op het feit dat de vordering met toestemming overdraagbaar is, NBG en Mia Media geen goederenrechtelijke onoverdraagbaarheid van de vordering hebben beoogd. De vordering is immers als aan het toestemmingsvereiste is voldaan, overdraagbaar en de goederenrechtelijke onoverdraagbaarheid is ook niet als zodanig in de geldleningsovereenkomst opgenomen. Het ontbreken van de toestemming heeft daarom hoogstens tot gevolg dat NBG jegens Mia Media schadeplichtig is geworden, maar Qyn is wel eigenaar van de vordering geworden, aldus steeds Qyn. Mia Media wijst erop dat – anders dan het beding waar de Hoge Raad over oordeelde – bepaald is dat NBG de vordering niet over kan dragen. Dat impliceert, anders dan het woord “zal” een goederenrechtelijke onmogelijkheid, aldus Mia Media. De vordering is derhalve nooit overgedragen aan Qyn, aldus Mia Media.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt geformuleerd dat bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven met in achtneming van de zogenaamde “Haviltex-maatstaf” uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd (ECLI:NL:HR:2014:682). Het beding luidt: “Een Partij kan zijn rechten en verplichtingen uit deze geldleningsovereenkomst niet aan een derde overdragen dan wel door een derde doen overnemen, behoudens met de voorafgaande toestemming van de andere Partij.” Dat overdraagbaarheid onder voorwaarden mogelijk is, is niet voldoende om zonder meer aan te nemen dat het beding geen goederenrechtelijke werking heeft. Relevant is immers wat de betekenis van het verbod is als niet aan de voorwaarden is voldaan. Het werkwoord “kunnen” impliceert dat het beding partijen niet verbiedt de vordering over te dragen, maar dat het beding het onmogelijk maakt om – zonder toestemming – de vordering over te dragen. Uit die formulering blijkt dat de partijen bij de geldleningsovereenkomst, NBG en Mia Media, een verbod met goederenrechtelijke werking hebben beoogd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beding goederenrechtelijke werking heeft.

4.10.

Aangezien de vereiste toestemming niet is gegeven (zie onder 4.5 en 4.6) is de vordering niet overdraagbaar. Qyn is derhalve geen rechthebbende geworden van de vordering uit de geldleningsovereenkomst en daarom liggen haar vorderingen in deze procedure voor afwijzing gereed. Aan de vraag in hoeverre de lening is achtergesteld komt de rechtbank daarom niet toe.

Proces-verbaal

4.11.

De brief van mr. Hirdes naar aanleiding van het proces-verbaal beoogt leemtes aan te vullen. Ook indien van de in dat verband gemaakte opmerkingen wordt uitgegaan wordt het oordeel niet anders.

proceskosten

4.12.

Qyn zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Mia Media worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.671,00

4.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Qyn in de proceskosten, aan de zijde van Mia Media tot op heden begroot op € 6.671,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Qyn in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Qyn niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Kloosterhuis, rechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.1

1 type: EJvV coll: