Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3656

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
HA ZA 14-268
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gestolen auto? Diefstal niet bewezen. Tegenover huidige eigenaar onrechtmatig om registratie als gestolen te laten voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/560836 / HA ZA 14-268

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat voorheen mr. B. Parmentier, thans mr. C.J. Hes,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

FCE BANK PLC,

kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.C. Meijroos.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en FCE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 september 2014,

  • -

    de akte uitlaten leveren bewijs van FCE,

  • -

    de fax van 2 april 2015 met de mededeling van FCE dat zij geen getuigen zal voortbrengen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis van 17 september 2014 (hierna: het tussenvonnis) is FCE opgedragen te bewijzen dat zij het bezit van de [Volvo] met [kenteken] (hierna: de Volvo) had verloren door diefstal. Bij akte kondigde zij aan 10 getuigen te willen horen. Bij brief van 2 april 2015 deelde FCE er niet in geslaagd te zijn die getuigen te vinden die kunnen verklaren over hetgeen FCE was opgedragen te bewijzen. Een getuigenverhoor heeft vervolgens niet plaatsgevonden.

2.2.

De rechtbank oordeelt dat FCE niet geslaagd is in het haar opgedragen bewijs. Derhalve is niet komen vast te staan dat FCE het bezit van de auto door diefstal heeft verloren. In het tussenvonnis van 17 september 2014 is reeds geoordeeld dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] eigenaar is geworden van de Volvo en beschermd wordt door artikel 3:86 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat niet is komen vast te staan dat de Volvo gestolen is, kan FCE niet met een beroep op artikel 3:86 lid 3 de Volvo als haar eigendom opeisen en staat de Volvo ten onrechte (nog) geregistreerd als gestolen.

2.3.

De vordering in reconventie ligt derhalve voor afwijzing gereed. Met betrekking tot de vorderingen in conventie overweegt de rechtbank als volgt.

2.4.

De verklaring voor recht dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] eigenaar is van de [Volvo], partijen bekend, is toewijsbaar. De gevorderde verklaring voor recht, die de rechtbank met partijen uitlegt als een vordering dat FCE dient te bewerkstelligen dat de auto niet langer als gestolen geregistreerd zal worden bij de RDW is – zo begrepen – toewijsbaar. Ambtshalve is het de rechtbank bekend dat de registratie beëindigd dient te worden door de politie. De rechtbank zal derhalve FCE veroordelen tot het bewerkstelligen dat de auto niet langer als gestolen geregistreerd staat. Op dit moment zal daaraan nog geen dwangsom worden verbonden, omdat zij afhankelijk is van medewerking van politie en RDW. Indien FCE echter niet voldoet aan dit vonnis, kan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in kort geding alsnog vorderen dat de veroordeling wordt versterkt met een dwangsom.

2.5.

De gevorderde schadevergoeding van € 2.402,65 acht de rechtbank toewijsbaar. Het geregistreerd (laten) staan van de Volvo als gestolen, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden onrechtmatig jegens de rechtmatige eigenaar. Dat in rechte niet is komen vast te staan dat de Volvo gestolen is komt voor rekening van FCE, zodat de onrechtmatige daad haar kan worden toegerekend. Niet weersproken is dat door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de Volvo niet op zijn naam (of op naam van zijn vrouw) heeft kunnen overschrijven, zodat hij de Volvo niet heeft kunnen aanwenden waarvoor hij de Volvo heeft gekocht, namelijk gebruik door zijn vrouw. Dat hij in dat verband kosten voor vervangend vervoer heeft gemaakt, acht de rechtbank aannemelijk. In dat licht bezien, acht de rechtbank de betwisting van de hoogte van die kosten onvoldoende.

2.6.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert – na wijziging van eis – ook € 20.000,00 als waardevermindering van de Volvo. Die vordering is niet toewijsbaar. De waardevermindering van de Volvo staat immers niet in causaal verband met een onrechtmatige daad van FCE. Weliswaar heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de auto enige tijd niet kunnen gebruiken, maar als hij de auto wel had kunnen gebruiken, dan was dezelfde waardevermindering opgetreden. FCE is daarom niet gehouden tot betalen van een schadevergoeding.

2.7.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert tevens buitengerechtelijke kosten. Die vordering is niet toewijsbaar. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert aan dat hij op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW aanspraak kan maken – conform rapport Voorwerk II – op een bedrag van € 904,00. De kern van het geschil tussen partijen is niet de geldvordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie], maar de vraag of FCE de Volvo kan revindiceren. Daarop zag ook het merendeel van de correspondentie waar [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zich op beroept ter onderbouwing van zijn vordering. Gelet hierop gaat het niet om kosten ter voldoening buiten rechte. Rapport Voorwerk II en artikel 6:96 lid 2 sub c BW bieden derhalve geen grondslag voor de vordering.

2.8.

FCE zal als grotendeels de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.119,80

2.9.

FCE zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden begroot op:

- salaris advocaat € 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00)

Totaal € 579,00

2.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.11.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

verklaart voor recht dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] eigenaar is van de [Volvo],

3.2.

veroordeelt FCE om te bewerkstelligen dat de Volvo niet langer als gestolen geregistreerd staat bij de RDW,

3.3.

veroordeelt FCE tot betaling aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van € 2.402,65,

3.4.

veroordeelt FCE in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot op heden begroot op € 2.119,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

3.5.

verklaart de veroordelingen onder 3.2, 3.3 en 3.4 uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.7.

wijst de vorderingen af,

3.8.

veroordeelt FCE in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot op heden begroot op € 579,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

3.9.

veroordeelt FCE in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat FCE niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.10.

verklaart de veroordelingen onder 3.8 en 3.9 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.1

1 type: EJvV coll: