Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3605

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
AMS 14- 4029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het bestreden besluit, de bij het primair besluit verleend omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakterras in strijd met het bestemmingsplan, alsnog geweigerd. Verweerder heeft deze weigering in het betreden besluit uitsluitend gebaseerd op artikel 5:50 van het BW. De rechtbank heeft aan de hand van de feitelijke situatie zoals waargenomen tijdens het onderzoek ter plaatse geconcludeerd dat er geen sprake is van rechtstreeks zicht dat een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank overweegt voorts dat hoewel niet kan worden ontkend dat de privacy van omwonenden ten gevolge van de plaatsing van het dakterras afneemt ten opzichte van de oude situatie, de inkijk niet zodanig is dat sprake is van een zodanig onaanvaardbare aantasting van privacy ten gevolge van het bouwplan, dat verweerder daarin redelijkerwijs een belemmering heeft kunnen zien om op grond van het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen voor de bouw van het dakterras. De rechtbank ziet derhalve geen reden om de rechtsgevolgen in stand te laten en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van de derde-partij ongegrond te verklaren zodat het primaire besluit, waarin de omgevingsvergunning is verleend, in stand blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/4029

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2015 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser,

(gemachtigde: mr. A.E.R.B. Snel),

en

Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.W. Bredschneyder).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1], te Amsterdam

(gemachtigde: C.G.R. Kerckhoff)

en [belanghebbende 2], te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van een dakterras op het dak van het trappenhuis van het gebouw [adres 1] en het hierbij afwijken van het bestemmingsplan.

Bij besluit van 22 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij [belanghebbende 1] gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 21 april 2015 hebben er een onderzoek ter plaatse en vervolgens een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij [belanghebbende 1] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Bij het onderzoek ter plaatse is tevens derde-partij [belanghebbende 2] verschenen. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft [belanghebbende 2] zich laten vertegenwoordigen door [belanghebbende 1].

Overwegingen

1. Bij brief van 15 maart 2013 heeft verweerder het voorgenomen besluit bekendgemaakt om bestuursdwang toe te passen of een last onder dwangsom op te leggen, omdat het gerealiseerde dakterras is uitgevoerd zonder of in afwijking van de verleende bouwvergunning. Verweerder heeft aangegeven dat eiser het dakterras dient te verwijderen of een omgevingsvergunning dient aan te vragen. Op 12 april 2013 heeft eiser een omgevingsvergunning voor het dakterras aangevraagd.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van een dakterras op het dak van het trappenhuis van het gebouw [adres 1] en het hierbij afwijken van het bestemmingsplan. Derde-partij [belanghebbende 1] heeft tegen de verlening van deze vergunning bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van derde-partij [belanghebbende 1] (huurster en bewoonster van [adres 2]) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend.

4. Eiser heeft in beroep kort samengevat aangevoerd dat de bezwaarschriftencommissie een verkeerde interpretatie van artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gegeven omdat er slechts zijdelings uitzicht is en zijdelings uitzicht niet onder het artikel valt. Voorts is aangevoerd dat de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen, nu de nadelige gevolgen van de weigering in onevenredige verhouding staan tot de daarmee te dienen doelen.

5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk, (…);

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (…);

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument (…).

5.1.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Ingevolge het tweede lid wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

5.2.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wabo, kan, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

5.3.

Ingevolge het bestemmingsplan “Nieuwmarkt 2004” rust op de grond van de [adres 1] de bestemming gemengde doeleinden. Ingevolge artikel 3, derde lid onder m, van de planvoorschriften zijn dakterrassen op de tot gemengde doeleinden bestemde gronden niet toegestaan. Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder i, van de planvoorschriften is het Dagelijks Bestuur bevoegd een vrijstelling te verlenen van het bepaalde in 3, derde lid onder m, voor een dakterras met bijbehorende afrastering, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 1,20 meter ten opzichte van het dak bedraagt. Ingevolge artikel 18, tweede lid onder g, van de planvoorschriften wordt bij de belangenafweging voor een dergelijke vrijstelling onder andere de privacy van omwonenden en gebruikers van de binnenterreinen betrokken.

5.4.

Ingevolge artikel 5:50, eerste lid, van het BW is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of [belanghebbende 2] als belanghebbende aan het geding kan deelnemen.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende 2] zich een dag voor het onderzoek ter zitting bij de rechtbank heeft gemeld met het verzoek om als belanghebbende aan de procedure deel te nemen. [belanghebbende 2] heeft tijdens het onderzoek ter plaatste aangegeven dat hij pas sinds twee weken in de woning aan de [adres 2] woonachtig is, waardoor hij niet eerder actie heeft ondernomen. Blijkens het door eiser ingebrachte uittreksel van het kadaster is [belanghebbende 2] sinds 31 oktober 2014 eigenaar van de woning.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende 2] niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Hij is immers pas belanghebbende geworden op het moment dat hij eigenaar werd van de woning aan de [adres 2], te weten op 31 oktober 2014. Op dat moment was de termijn om bezwaar te maken tegen het primaire besluit al verlopen. Hoewel [belanghebbende 2] zich wellicht eerder had kunnen melden met het verzoek om als derde-partij deel te nemen aan de procedure, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de goede procesorde, nu [belanghebbende 2] heeft aangegeven zich te willen aansluiten bij het standpunt van derde-partij [belanghebbende 1] en geen afzonderlijk standpunt naar voren heeft gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat [belanghebbende 2] als derde-partij dient te toegelaten om aan het geding deel kan nemen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat dit voor de inhoudelijke behandeling van de zaak geen verschil maakt.

7. Tussen partijen is de voor het dakterras benodigde omgevingsvergunning voor bouwen in afwijking van het geldende bestemmingsplan in geschil. Vast staat dat het dakterras op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. De vraag is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van deze bepaling vrijstelling te verlenen.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder de weigering van de omgevingsvergunning in het bestreden besluit uitsluitend heeft gebaseerd op artikel 5:50 van het BW. Verweerder stelt dat er objectief gezien sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering nu het dakterras direct, en dus minder dan twee meter, van de woning van de derde-partij is gelegen en vanaf het dakterras rechtstreeks zicht is op het dakraam van de derde-partij.

9. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

9.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1814 ), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

9.2.

De rechtbank overweegt dat het dakterras binnen twee meter van de erfscheiding is gelegen en dat er vanaf het dakterras zicht is op het dakraam van de derde-partij. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank heeft echter tijdens het onderzoek ter plaatse waargenomen dat het dakraam aanzienlijk lager is gelegen dan het dakterras en dat er vanaf het dakterras enkel zicht is op het dakraam wanneer er vanaf de rand van het dakterras naar beneden wordt gekeken. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat het een dakraam betreft van een ruimte zonder stahoogte en dat het zicht vanaf het dakterras in de woning van de derde-partij beperkt is tot de ruimte direct onder het dakraam. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het dan ook om zeer beperkte inkijk.

9.3.

De rechtbank is gelet op het voorstaande van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen sprake is van rechtstreeks zicht dat een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning niet op grond van artikel 5:50 van het BW heeft kunnen weigeren.

10. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de gemaakte afweging ruimer is geweest dan de afweging op grond van artikel 5:50 van het BW. Verweerder heeft aangegeven dat er een belangenafweging heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 18 van het bestemmingsplan, waarbij de inkijk in de andere ramen, zoals die van de [adres 2] en [adres 2] en de bijkomende geluidsoverlast zijn meegewogen. Ook heeft verweerder verwezen naar het ruimtelijk advies van 27 maart 2015, dat na het bestreden besluit is opgesteld. De rechtbank overweegt dat deze ruimere afweging niet is terug te vinden in het advies van de bezwaarschriftencommissie van 7 mei 2014, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Verweerder heeft deze belangenafweging naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt als motivering van het bestreden besluit.

11. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal in het kader van de finale geschilbeslechting onderzoeken of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten dan wel om zelf in de zaak te voorzien.

12. De rechtbank ziet zich daarbij voor de vraag gesteld of verweerder zich gelet op de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacy van omwonenden aan de vergunningverlening in de weg staat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd.

12.1.

Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 9.2 heeft beschreven is er met betrekking tot het dakraam slechts sprake van een zeer beperkte inbreuk op de privacy van de derde-belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat er op basis van de inkijk in het dakraam niet kan worden gesproken over een onevenredige inbreuk van de privacy.

12.2.

De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter plaatse geconstateerd dat er vanaf het dakterras zicht is op de ramen van [adres 2] en [adres 2] (zolder). Het betreft hier twee ramen van de [adres 2] en een raam van de [adres 2] . De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de ramen op aanzienlijke afstand van het dakterras zijn gelegen en dat het zicht op de ramen vanaf het dakterras schuin is, waardoor slechts inkijk in een heel beperkt gedeelte van de woningen vanaf het dakterras mogelijk is. De inkijk bij [adres 2] is gelet op de afstand, de schuine hoek ten opzichte van de gevel en het kleine raamoppervlak slechts zeer beperkt. Ook ten aanzien van [adres 2] is er door de afstand en de schuine hoek door het linker raam enkel zicht op hetgeen zich direct achter het raam bevindt. Door het rechter raam op deze etage is sprake van enige inkijk, maar dat is geen substantieel deel van het vertrek.

12.3.

Zoals de Afdeling, in haar uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1921, heeft overwogen is het feit dat sprake is van enige inkijk inherent aan het wonen in een stedelijke omgeving. De inkijk vanaf het dakterras in het vertrek onder het dakraam en in de woonvertrekken op de tweede en derde verdieping is zeer beperkt. Hoewel niet kan worden ontkend dat de privacy van omwonenden ten gevolge van de plaatsing van het dakterras afneemt ten opzichte van de oude situatie, is de inkijk naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat sprake is van een zodanig onaanvaardbare aantasting van privacy ten gevolge van het bouwplan, dat verweerder daarin redelijkerwijs een belemmering heeft kunnen zien om op grond van het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen voor de bouw van het dakterras.

12.4.

Ten aanzien van de door derde-partij gevreesde geluidsoverlast, overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat het dakterras voor de omgeving een extra geluidsbelasting oplevert. Ook hierbij geldt echter dat buren in een stedelijke omgeving enig geluid van elkaar hebben te dulden. Daarbij is de oppervlakte van het dakterras zodanig beperkt dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat sprake zal zijn van bovenmatige geluidsoverlast. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het dakterras hoger ligt dan de omringende bebouwing, waardoor geen sprake is van een versterking van geluid door weerkaatsing. Ook hierin heeft verweerder in redelijkheid geen grond kunnen zien voor het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning.

13. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande wel aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van de derde-partij ongegrond wordt verklaard zodat het primaire besluit, waarin de omgevingsvergunning is verleend, in stand blijft.

13. Ten aanzien van de stelling van derde-partij dat het dakterras in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd, merkt de rechtbank op dat dit buiten deze procedure valt. Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige hekwerk van het dakterras afwijkt van de verleende omgevingsvergunning en daarmee in overeenstemming zal moeten worden gebracht.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1/2 punt voor het onderzoek ter plaatse en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.225.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van Douwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.