Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3603

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6810
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser heeft aangevoerd dat de zogenaamde perceptiekosten niet mogen worden doorbelast naar automobilisten die vergeten zijn om de parkeerbelasting te betalen. Verweerder heeft toegelicht dat perceptiekosten de kosten zijn die ontstaan uit handhavingsactiviteiten, maar ongedekt blijven na inning van betaalde naheffingsaanslagen. Van alle opgelegde naheffingsaanslagen is een deel niet inbaar. De rechtbank overweegt dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen ziet op kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag en dat daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van wel en niet betaalde naheffingsaanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande gehouden worden dat de perceptiekosten niet rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen zoals vereist in die bepaling. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/6810

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: M. Brekveld).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 2 augustus 2014 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 59,50.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 september 2014 (de bestreden uitspraak op bezwaar) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en L. Miedema.

Overwegingen

1. Op 30 juli 2014 om 9:13 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat de auto van eiser, met [kenteken] op de Elandsgracht ter hoogte van nummer 96 in Amsterdam geparkeerd stond. Bij controle stelde de parkeercontroleur vast dat geen aangifte van parkeerbelasting voor het parkeren van de auto was gedaan. Op grond daarvan heeft de parkeercontroleur aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Het nageheven bedrag bestaat uit € 4 (parkeerbelasting) en € 55,50 (kosten van de naheffingsaanslag).

2. Niet in geschil is dat op de plaats waar de auto stond geparkeerd, parkeerbelasting verschuldigd was. Evenmin is in geschil dat eiser voor het parkeren eerst vanaf 10:09 uur parkeerbelasting heeft voldaan.

3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij het niet eens is met de door verweerder gehanteerde systematiek. Volgens eiser moet men, bij het vergeten van het voldoen van parkeerbelasting, in staat worden gesteld om het achterstallige parkeergeld alsnog te voldoen, zonder een “boete” te moeten betalen. De rechtbank overweegt in dat verband dat de parkeerbelasting een zogenaamde objectieve belasting is, dat wil zeggen dat de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige in beginsel niet in de weg kunnen staan aan de naheffing, als overigens aan de voorwaarden voor naheffing is voldaan. In het onderhavige geval is door het parkeren de parkeerbelastingplicht ontstaan en is verweerder op goede gronden overgegaan tot naheffing, nu niet door betaling was voldaan aan die plicht.

4. Eiser heeft verder aangevoerd dat de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag niet in verhouding staan tot de hoogte van de parkeerbelasting van € 4,- .

5. Ingevolge artikel 234, vijfde lid van de Gemeentewet worden ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.

Ingevolge het zesde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.

6. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening Parkeerbelastingen 2014 (de Verordening) worden voor een naheffingsaanslag voor de belasting als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, alsmede voor het aanbrengen, respectievelijk het verwijderen van de wielklem en voor het overbrengen en bewaren kosten in rekening gebracht. De hoogte van het daarvoor in rekening te brengen bedrag is opgenomen in Hoofdstuk 4 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

7. Ingevolge hoofdstuk 4, onder 1, van de Tarieventabel 2014 bedragen de kosten van de naheffingsaanslag voor de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2014 € 55,50. De kosten van de naheffingsaanslag zijn opgebouwd volgens de wettelijke systematiek uit het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. De daarbij behorende overzichten zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van deze tarieventabel.

8. Uit hoofdstuk 7 van de tarieventabel volgt dat de totale kosten voor de oplegging van een naheffingsaanslag € 16.829148,80 bedragen. Het voor 2014 geraamde aantal op te leggen naheffingsaanslagen is 303.000. De kosten gedeeld door het aantal te verwachten naheffingsaanslagen geeft een bedrag van € 55,50.

9 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vierde lid, van de wet ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:

a. vaste informatieverwerkingskosten;

b. variabele informatieverwerkingskosten;

c. kosten van afschrijving;

d. kosten van interest;

e. personeelskosten;

f. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.

Ingevolge het tweede lid stelt de raad op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht.

10. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit bedraagt het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, met ingang van 1 januari 1999 ten hoogste € 41,-. Dit bedrag is per 1 januari 2014 aangepast en bedraagt met ingang van die datum € 58,-.

11. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening worden gebracht. Deze kosten betreffen een veelvoud van de nageheven belasting. Het behoort tot de bevoegdheid van de gemeenteraad om binnen de grenzen van de wet de hoogte van de tarieven en de kosten van de naheffingsaanslag vast te stellen. De hoogte van het tarief en van de kosten is dan ook vastgelegd in de Verordening. Voor de kosten die in rekening gebracht mogen worden, is in artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen een maximum opgenomen. Met ingang van 1 januari 2014 is dat maximum vastgesteld op € 58,-. De hier in rekening gebrachte kosten (€ 55,50) liggen onder dat maximum. Gelet daarop heeft verweerder deze kosten in rekening kunnen brengen. Eisers beroepsgrond faalt daarom.

12. Verder heeft eiser aangevoerd dat het onrechtmatig is om degenen die een naheffingsaanslag opgelegd krijgen omdat zij vergeten zijn te betalen zoals hijzelf of niet hebben betaald, financieel verantwoordelijk te maken voor de totale kosten van de de handhaving van het parkeerbeheer, zoals die volgen uit hoofdstuk 7 van de tarieventabel.

13. Ter zitting heeft verweerder gewezen op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (het hof) van 29 augustus 2003 (ECLI:NL:GHAMS:2003:AL3288). In rechtsoverweging 6.2.7 heeft het hof geoordeeld dat tot de kosten die rechtstreeks verband houden met de inning van niet betaalde parkeerbelasting ook de totale controlekosten behoren. De controletaak is niet te splitsen in een deel dat ziet op betaalde en een deel dat ziet op niet-betaalde parkeerbelasting. Zulks kan tevens worden afgeleid uit de onder 6.1.3 genoemde nota van toelichting bij artikel 2 van het Besluit, waar de salarissen van parkeercontroleurs expliciet worden genoemd als kosten welke rechtstreeks voortvloeien uit het fiscaal afhandelen van het niet betalen van parkeerbelastingen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen.

14. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat de zogenaamde perceptiekosten niet mogen worden doorbelast naar automobilisten die vergeten zijn om de parkeerbelasting te betalen.

15. Verweerder heeft bij brief van 24 februari 2015 toegelicht dat perceptiekosten de kosten zijn die ontstaan uit handhavingsactiviteiten, maar ongedekt blijven na inning van betaalde naheffingsaanslagen. Van alle opgelegde naheffingsaanslagen is een deel niet inbaar. Dat kan doordat de naheffingsaanslag is opgelegd aan een buitenlands kenteken uit een land waar niet actief wordt geïnd, een kenteken zonder herkenbare landcode, kentekenhouder onbekend (gestolen auto) of voertuigeigenaar kan de naheffingsaanslag niet betalen.

16. De rechtbank overweegt dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit ziet op kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag en dat daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van wel en niet betaalde naheffingsaanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande gehouden worden dat de perceptiekosten niet rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen zoals vereist in die bepaling.

17. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag op goede gronden is opgelegd.

18. Het beroep is ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.