Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
13.751.965-14 en 14/7388
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2014:8738. Verweer dat de straf niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.965-14

RK nummer: 14/7388

Datum uitspraak: 3 februari 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 november 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2013 door the Regional Court in Gdańsk (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1957,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentie adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 december 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, die heeft waargenomen voor mr. P.W. Szymkowiak.

Bij tussenuitspraak van 23 december 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde

de officier van justitie in de gelegenheid te stellen vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. E.E.W.J. Maessen. Met toestemming van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de heropening.

De rechtbank heeft op de zitting van 9 december 2014 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd, omdat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een valid court judgement of the Regional Court in Gdańsk of 24 November 2006, file number IV K 290/05.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en achtentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, zoals aangevuld bij brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 december 2014. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van dit onderdeel en van deze brief zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten I, II en V waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1, 3 en 5, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie,

mensenhandel

en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten III en IV niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat deze feiten, waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten III en IV leveren naar Nederlands recht op:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e sub 2, OLW

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e sub 2, OLW. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Polen heeft afstand gedaan van het recht om het strafrestant ten uitvoer te leggen, omdat Polen de opgeëiste persoon na de veroordeling in eerste aanleg naar België heeft overgebracht om daar de straf uit te zitten. De Belgische autoriteiten hebben vervolgens een fout gemaakt door de opgeëiste persoon al na enkele maanden in vrijheid te stellen, terwijl hij de volledige straf nog niet had ondergaan. Polen heeft uiteindelijk aan België de overlevering verzocht ter tenuitvoerlegging van de reststraf. De Belgische autoriteiten hebben de overlevering geweigerd, maar hebben zich ertoe verbonden het strafrestant in België ten uitvoer te leggen. Daarbij is tegen de opgeëiste persoon gezegd dat de reststraf in de vorm van elektronische detentie (“enkelbandje”) zal worden ten uitvoer gelegd. De opgeëiste persoon is in afwachting van een enkelbandje. Bij overlevering aan Polen ontstaat het risico van dubbele tenuitvoerlegging van de reststraf, terwijl weigering van de overlevering geen risico van straffeloosheid oplevert. De opgeëiste persoon moet in België immers nog een periode van elektronische detentie ondergaan.

De antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de vragen van de rechtbank leiden niet tot een andere conclusie. Er zijn twee beslissingen tot tenuitvoerlegging van de straf: een Poolse beslissing en een Belgische beslissing. Bij overlevering aan Polen bestaat dus nog steeds het risico van dubbele tenuitvoerlegging van dezelfde straf, terwijl de tenuitvoerlegging van die straf het beste in België kan plaatsvinden.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Vermoedelijk heeft aan de vragen van de rechtbank de gedachte ten grondslag gelegen dat, als Polen aan België om overname van de tenuitvoerlegging van de Poolse reststraf heeft verzocht, het de Poolse autoriteiten niet meer vrij staat die rest zelf ten uitvoer te leggen. Uit de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 januari 2015 blijkt dat de Poolse autoriteiten geen verzoek om overname van de tenuitvoerlegging van de reststraf hebben gedaan. Weliswaar hebben de Belgische autoriteiten geweigerd om de opgeëiste persoon ter tenuitvoerlegging van de reststraf aan Polen over te leveren en hebben zij daarbij bepaald dat de tenuitvoerlegging in België zal plaatsvinden, maar tot een daadwerkelijke tenuitvoerlegging zijn de Belgische autoriteiten niet overgegaan. Nu er nog een reststraf van de Poolse veroordeling openstaat, mogen de Poolse autoriteiten de overlevering ter tenuitvoerlegging van die straf vragen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 januari 2015 houdt onder meer het volgende in:

I. De nog te executeren gevangenisstraf waartoe [opgeëiste persoon] op 24 november 2006 werd veroordeeld door de Arrondissementsrechtbank Gdańsk in de zaak met nummer IV K 290/05 is in het geheel niet ten uitvoer gelegd, aangezien [opgeëiste persoon] overgeleverd werd aan België op grond van de beslissing d.d 02 augustus 2004 van de Arrondissementsrechtbank Gdańsk in de zaak IV Kop 3/04 in het kader van het Europees arrestatiebevel, welke tegen hem op 02 juni 2004 was uitgevaardigd door de rechter-commissaris van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt in de zaak 829/03, alsmede op grond van de beslissing d.d. 14 augustus 2005 van de Arrondissementsrechtbank Gdańsk in de zaak IV Kp 7/05 in het kader van het Europees arrestatiebevel welke tegen hem op 12 oktober 2004 was uitgevaardigd door de rechter-commissaris van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt in de zaak HA.55.41.100785/04.

II. De nog te executeren gevangenisstraf waartoe [opgeëiste persoon] op 24 november 2006 werd veroordeeld door de Arrondissementsrechtbank Gdańsk in de zaak IV K 290/05 is niet door de Belgische rechterlijke autoriteiten overgenomen; op 14 mei 2007 heeft de Arrondissementsrechtbank Gdańsk de Poolse Minister van Justitie verzocht of hij mogelijk een verzoek aan de bevoegde Belgische autoriteiten wil doen of zij de tenuitvoerlegging van de aan [opgeëiste persoon] in de zaak IV K 290/05 opgelegde straf willen overnemen. Bij brief van 29 februari 2012 heeft de Poolse Minister van Justitie te kennen gegeven dat de Belgische autoriteiten geen toestemming hadden verleend voor de overdracht enkel van straf. Tevens is door de Minister aangevoerd dat een uitvaardiging van een Europees arrestatiebevel in deze situatie billijk is, en dat bij weigering van deze door de autoriteiten in België de aan [opgeëiste persoon] opgelegde straf geëxecuteerd kan worden volgens artikel 4 lid 6 van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.

III. Aangezien de executie van straf, opgelegd aan [opgeëiste persoon] op 24 november 2006 door de Arrondissementsrechtbank Gdańsk in de zaak met nummer IV K 290/05 niet door de Belgische autoriteiten werd overgenomen, terwijl de veroordeelde persoon op het Belgische grondgebied verbleef, heeft de Arrondissementsrechtbank Gdańsk op 19 september 2013 een Europees arrestatiebevel tegen betrokkene uitgevaardigd;

IV. Het feit dat de opgeëiste persoon België heeft verlaten en zich naar een andere EU-lidstaat heeft bewogen, heeft geen invloed op de geldigheid van het door de Arrondissementsrechtbank Gdańsk (…) uitgevaardigde EAB. Deze blijft onverminderd van kracht.

De beschikking van het Hof van beroep Antwerpen van 22 mei 2014 houdt onder meer het volgende in:

4 BESLISSING

(…)

4.3

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel van 19 september 2013 uitgaande van de Poolse justitie wordt bevolen in de zin dat de nog resterende uit te voeren straf zal geschieden in België overeenkomstig de Belgische wetgeving.

De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e sub 2, OLW is niet van toepassing.

Voor zover het verweer berust op de stelling dat Polen het recht tot tenuitvoerlegging van de Poolse veroordeling heeft verloren, doordat Polen de opgeëiste persoon ter tenuitvoerlegging van die veroordeling naar België heeft overgebracht, mist het feitelijke grondslag en kan het alleen al om die reden niet slagen. Uit de brief van 15 januari 2015 volgt immers dat van een overdracht van de tenuitvoerlegging van de Poolse veroordeling aan België geen sprake is geweest.

Ook overigens gaat het verweer niet op. De aangevoerde omstandigheden dat bij overlevering aan Polen het risico bestaat dat de opgeëiste persoon de straf nogmaals in België moet ondergaan en dat de tenuitvoerlegging het beste in België kan plaatsvinden, kunnen - wat daarvan ook zij - niet leiden tot weigering van de overlevering aan Polen ter tenuitvoerlegging in Polen van een voor tenuitvoerlegging vatbare Poolse veroordeling.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich primair op het standpunt gesteld dat dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW niet van toepassing is op feit IV, omdat een deel van de feiten zich in Polen heeft afgespeeld. Subsidiair heeft de officier van justitie de vordering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, OLW gedaan.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De beschrijving in het EAB van feit IV vermeldt uitsluitend buiten Polen gelegen pleegplaatsen. Uit de brief van 5 december 2014 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt echter dat de opgeëiste persoon dit feit mede in Polen heeft gepleegd, omdat hij het slachtoffer in Polen heeft overgehaald tot prostitutie. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW mist dus toepassing.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon], aan the Regional Court in Gdańsk (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. H.E. Spruit en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C