Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3292

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
13-669241-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op 13 november 2014 omstreeks 17.36 uur komt bij de politie een melding binnen over een mogelijke huiselijk geweldsituatie te Amsterdam. Ter plaatse treffen zij een tienjarige jongen aan die levenloos op zijn buik op de grond ligt. Tevens wordt verdachte aangetroffen in de woning. Hij heeft een verwarde en verwilderde blik in zijn ogen en spreekt onsamenhangend, maar verklaart dat hij zijn zoon heeft doodgestoken. Verdachte wordt aangehouden. Ondanks medische hulp die ter plaatse heeft plaatsgevonden, overlijdt de zoon aan de steekverwondingen. Verdachte is onderzocht door een psycholoog, een psychiater en een neuroloog. De rapporteurs concluderen dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en een ziekelijke stoornis in de zin van hersenorganisch lijden, mede veroorzaakte door epileptische aanvallen. Dit hersenorganisch lijden was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en heeft invloed gehad op zijn handelen. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het tenlastegelegde verdachte niet kan worden toegerekend en ontslaat hem van alle rechtsvervolging. Geadviseerd wordt behandeling in het kader van een TBS met bevel tot verpleging van overheidswege te laten plaatsvinden. De rechtbank neemt dit advies over.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669241-14 (Promis)

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedag] 1968,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats 1], gedetineerd in het [detentie adres] (hierna: [detentie adres]) te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.C. van der Hulst naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 13 november 2014 te [plaats], in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade (zijn kind) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, eenmaal of meermalen

- ( met een voorwerp) de mond en/of de neus van voornoemde [slachtoffer 1] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of

- met een of meer mes(sen), in elk geval een of meer scherp(e) en/of puntige(e) voorwerp(en), in de hals en/of in de borstkas en/of in de rug (ter hoogte van het hart) en/of in het gezicht/hoofd en/of in de arm(en), in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], gestoken en/of gesneden ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De bewuste dag, 13 november 2014, begint als iedere andere doordeweekse dag. De tienjarige [slachtoffer 1] neemt rond 9.00 uur afscheid van zijn moeder als hij naar school gaat. Zijn vader (hierna: verdachte) vertrekt om 9.10 uur van huis om vrijwilligerswerk te verrichten. Moeder verlaat om 13.00 uur ook het huis en gaat naar haar werk. Om 16.37 uur heeft moeder telefonisch contact met haar zoon. Hij was uit school gekomen en had trek in chips. Ook verdachte sprak op dat moment met moeder aan de telefoon. Om 17.00 uur vindt wederom een telefoongesprek van een paar minuten plaats tussen moeder, [slachtoffer 1] en verdachte. Omstreeks 17.36 uur komt bij de politie een melding binnen over een mogelijke huiselijk geweldsituatie in de [adres, te plaats 1]. Ter plaatse treffen zij een jongen aan die levenloos op zijn buik op de grond ligt. Het blijkt om [slachtoffer 1] te gaan. Tevens wordt verdachte aangetroffen in de woning. Hij heeft een verwarde en verwilderde blik in zijn ogen en spreekt onsamenhangend, maar verklaart dat hij zijn zoon heeft doodgestoken. Verdachte wordt aangehouden. Ondanks medische hulp die ter plaatse heeft plaatsgevonden, overlijdt [slachtoffer 1] aan de steekverwondingen.

Verdachte is onderzocht door een psycholoog, een psychiater en een neuroloog. De rapporteurs concluderen dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en een ziekelijke stoornis in de zin van hersenorganisch lijden, mede veroorzaakte door epileptische aanvallen. Dit hersenorganisch lijden was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en heeft invloed gehad op zijn handelen. Op grond van het voorgaande komt de psycholoog tot de conclusie dat het tenlastegelegde de verdachte niet kan worden toegerekend. De psychiater adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Op basis van de bevindingen van de politie bij het betreden van de woning, de aanhouding van verdachte, het technisch sporenonderzoek, de resultaten van het DNA onderzoek en de sectie in combinatie met de bekennende verklaring van verdachte, kan worden bewezen dat verdachte zijn zoon door meerdere messteken om het leven heeft gebracht. Het onderzoek geeft onvoldoende aanknopingspunten om te stellen dat bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte rade.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van een bewezenverklaring van doodslag refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde bestanddeel ‘voorbedachte rade’, nu dit op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak moord

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van voorbedachte rade, waardoor verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

Doodslag

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van zijn zoon door hem de mond en neus te smoren en hem meerdere keren met een mes in het lichaam te steken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 13 november 2014 te [plaats], opzettelijk zijn kind [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet,

- de mond en de neus van voornoemde [slachtoffer 1] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden en

- met messen in de hals, in de borstkas, in de rug ter hoogte van het hart, in het gezicht en in de armen van voornoemde [slachtoffer 1] gestoken en gesneden ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Zowel de raadsvrouw als de officier van justitie hebben verzocht verdachte conform het advies van de psycholoog volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren, nu dit rapport wordt ondersteund door het rapport van de neuroloog.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch Pro Justitia rapport van 18 februari 2015 van L.M.L. Thung, klinisch psycholoog. Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Op grond van de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat verdachte lijdt aan focale complexe temporale epilepsie, zich manifesterend in complex partiële en incidenteel secundair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen, met post-ictale verwardheid en geagiteerd gedrag. Uit neurologisch onderzoek volgt dat de epilepsie leidt tot hersenbeschadigingen, in de vorm van duidelijke atrofie van de linker hippocampus en geobjectiveerde afwijkingen, die passen bij het prefrontaal syndroom. Op basis van het voorgaande is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis, in de vorm van een organische persoonlijkheidsverandering als gevolg van epilepsie en het prefrontaal syndroom. Als gevolg van deze beperkingen is verdachtes vermogen tot het overzien van consequenties en de controle over impulsen ernstig aangetast. Dit alles maakt verdachte extreem kwetsbaar voor affectlabiliteit, agressieve prikkelbaarheid en impulsiviteit, verwardheid en regulatiestoornissen. Tot slot wordt bij verdachte een ernstige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld, in de vorm van intellectuele vermogens op licht zwakzinnig niveau. Ook zijn er taalfunctiestoornissen, leerproblemen, communicatieproblemen, beperkte zelfredzaamheid, alles leidend tot sociaal isolement. Ten tijde van het tenlastegelegde was bij verdachte sprake van deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Verdachte geeft aan dat zijn zoon niet wilde luisteren, dat zijn zoon altijd naar zijn moeder luisterde, dat zij ruzie kregen, dat hij, verdachte, wilde dat zijn huis netjes en opgeruimd was, dat hij wilde dat zijn zoon het huis ging opruimen en dat hij boos was dat zijn zoon over een sleutel van het huis beschikte. Verdachte zegt dat hij zelf ook niet weet waarom hij zijn zoon met een mes heeft gestoken. Ook verklaart verdachte dat hij in de aanloop naar het tenlastegelegde geïrriteerd was, woedend werd, dat hij ontzettend kwaad was op zijn zoon en zelf ook niet weet waarom.

Of de epilepsieaanval en de collaps eerder op de dag verdachte reeds in affectlabiele en/of verwarde toestand hebben gebracht, kan niet worden achterhaald. Op basis van het voorgaande kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden verondersteld dat verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde rechtstreeks en volledig zijn beïnvloed door de ziekelijke stoornis in de vorm van organische persoonlijkheidsverandering in combinatie met de beschreven gebrekkige ontwikkeling. Met name de defecteuze affect-, impuls- en agressieregulatie op basis van de combinatie van ernstig hersenorganisch lijden en lichte zwakzinnigheid, hebben maximaal doorgewerkt in het tenlastegelegde. Voornoemde factoren kunnen al bij relatief geringe stresserende en frustrerende invloeden scherp worden aangesproken en die -mede gegeven de defectueuze gewetensremming en de zeer gebrekkige empathische vermogens- niet afgeremd of gecontroleerd kunnen worden. Dit heeft ten tijde van het tenlastegelegde geresulteerd in een massale impulsdoorbraak, waarbij verdachtes wils- en handelingsvrijheid zo extreem was aangetast dat geen aantoonbare ruimte was om innerlijk overleg te plegen, zijn handelen te heroverwegen, de consequenties van zijn handelen te overzien en andere keuzes te overwegen en te maken. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het tenlastegelegde aan verdachte niet kan worden toegerekend.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het psychiatrisch Pro Justitia rapport van 15 februari 2015 en de aanvulling hierop van 24 april 2015 van N. Duits, psychiater. Deze rapporten houden onder meer in, zakelijk weergegeven:

Met betrekking tot de vraag of bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens wordt verwezen naar het Pro Justitia rapport van de psycholoog. Omdat, vanwege het feit dat verdachte weinig prijsgeeft over het tenlastegelegde, niet kan worden gereconstrueerd wat er is gebeurd, of er een impulsief begin was, of verdachte boos is geworden en wat verdachte wel en niet heeft kunnen reguleren, is deductie van zijn gebrekkig functioneren naar het tenlastegelegde door de onduidelijkheid over het tenlastegelegde niet mogelijk. Verdachte vertelt in het onderzoek van de politie en justitie niets over zijn motieven en de voorbereiding om zijn zoon dood te steken en vertelt nauwelijks iets over zijn gedragingen. Hij heeft slechts verklaard dat zijn zoon niet naar hem wilde luisteren en hem irriteerde. In het psychiatrisch onderzoek kan en wil hij niet vertellen hoe en wat er precies is gebeurd en wat er aan vooraf ging. Uit de heteroanamnese wordt duidelijk dat hij zijn zoon pestte en treiterde, dat hij zijn vrouw pestte en dreigde, en dat hij hen beiden niet meer in huis wilde hebben, hij wilde scheiden. Het blijft dus onduidelijk wat de toedracht en de motieven waren en wat er precies gebeurde ten tijde van het tenlastegelegde. Het blijft daarom giswerk welk gedrag verdachte vertoonde en welk gedrag hij wel of niet kon reguleren voorafgaand en tijdens het tenlastegelegde. Het buitensporig geweld en herhaald steken met messen bij het tenlastegelegde, de overdoding, suggereert ontremming. Het rustig bedekken van het bloed buiten de deur met een deurmat na het tenlastegelegde is inadequaat maar pleit tegen ontremming. Het handelen van verdachte na het tenlastegelegde is inadequaat, hij blijft in de woning, doet bizarre verwijtende uitingen over zijn vrouw, zegt dat hij binnen minuten zal overlijden. Het is onduidelijk of dit de verwarring en stress na een levensdelict is of het toch om een post-ictale verwardheid gaat en er dus voordien een absence of aanval zou hebben plaatsgevonden. Verdachtes beperkte neurologische en prefrontaal disfunctioneren door de epilepsie, zijn persoonlijkheidsverandering en antisociale gedragsstoornis, staan in verband met het tenlastegelegde. Verdachte kan en wil ook geen duidelijkheid geven over het tenlastegelegde tijdens het onderzoek. Hij wil dat eerst met zijn advocaat bespreken. De onduidelijkheid over de toedracht lijkt voort te komen uit verdachtes beperkingen, maar het komt ook voort uit zijn opportune overwegingen. Verdachtes psychische beperkingen lijken daarom niet alles bepalend te zijn voor de onduidelijkheid over het tenlastegelegde. Dit leidt tot het advies om verdachte het tenlastegelegde, gezien zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, verminderd toe te rekenen.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het neurologisch Pro Justitia rapport van 20 februari 2015 van C. Jonker, neuroloog. Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Verdachte is bekend met temporale epilepsie als gevolg van mesio-temporale sclerose.

In de afgelopen dertig jaar heeft verdachte zeer frequent epileptische aanvallen gehad, met name door onregelmatig gebruik van anti-epileptica. Aansluitend op de aanvallen treedt soms een periode van verwardheid op met traag reageren, in herhaling vallen en stereotype gedrag. Naast deze post-ictale verwardheid heeft verdachte sinds een aantal jaar woedeaanvallen die geen relatie lijken te hebben met de epilepsie. Het gedrag van verdachte ten tijde van het gedragneurologisch onderzoek wordt gekenmerkt door perseveraties (het telkens in herhaling vallen) zonder dat sprake is van een post-ictale toestand. Bij cognitief onderzoek worden stoornissen gevonden in de executieve functies (gebrekkige oordeelsvorming, overzichtsverlies, ontbrekend ziekte-inzicht, verminderde mentale flexibiliteit) en de aandachtfuncties. Verder komt naar voren dat verdachte een beperkt inlevingsvermogen heeft. Alle gegevens overziende zijn op diagnostisch niveau duidelijke kenmerken van een prefrontaal syndroom. De woedeaanvallen lijken deels samen te hangen met dit syndroom. Het is bovendien niet uitgesloten dat het gebruik van medicatie tegen epilepsie invloed kan hebben gehad op de woedeaanvallen. Op grond van het voorgaande kan worden gesteld dat sprake is van hersenorganisch lijden. Dit was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en heeft invloed gehad op het handelen van verdachte. Bij gevoelens van onmacht en spanning en in complexe situaties, wanneer hij het overzicht kwijt raakt, heeft verdachte moeite zijn impulsen onder controle te houden en raakt ontremd. Dat op momenten van ontremming geen besef ontstaat van wederrechtelijk handelen hangt deels samen met het tekortschieten van zelfreflectie, deels met de stoornis in de regulering van het affect en het daarmee samenhangend gebrek aan empathisch vermogen. Dat verdachte zich niet ten volle bewust lijkt van de ernst en de omvang van het tenlastegelegde hangt samen met het ontbrekend ziekte-inzicht, het beperkt empathisch vermogen en de gebrekkige geheugenfuncties waardoor hij zich wel de aanloop tot maar het tenlastegelegde zelf niet in detail herinnert.


De rechtbank maakt de conclusie van de psycholoog tot de hare nu dit rapport bevestiging vindt in het neurologisch rapport en zal de conclusie tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht overnemen. Uit zowel het rapport van de neuroloog als het rapport van de psycholoog blijkt dat op momenten van ontremming, waarvan gesteld kan worden dat daar sprake van was nu verdachte heeft verklaard dat irritatiegevoelens jegens zijn zoon die dag hebben geleid tot kwaadheid, bij verdachte geen besef is van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Daarnaast wordt door beide rapporten de stelling van de psychiater, dat sprake is van mogelijk opportuun zwijgen, onvoldoende aannemelijk gemaakt nu dit zwijgen samenhangt met het ontbreken van ziekte-inzicht, het beperkt empathisch vermogen en de gebrekkige geheugenfuncties, waardoor hij zich het één en ander niet meer kan herinneren en hij derhalve niet in staat is daarover te verklaren.

Het bewezen geachte feit kan verdachte dus wegens een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en een ziekelijke stoornis niet worden toegerekend. Verdachte dient daarvoor dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 Terbeschikkingstelling

8.1.

De eis van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan hem wordt opgelegd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn tienjarige zoon die net was thuis gekomen van school. Als verdachte geïrriteerd raakt en kwaad wordt, waarschijnlijk omdat zijn zoon niet naar hem luistert, neemt hij hem mee naar de keuken, pakt twee messen en steekt meermalen op hem in. Pogingen van hulpverleners om zijn zoon te reanimeren mogen niet meer baten. Verdachte heeft door zijn daad het slachtoffer het meest fundamentele recht dat hem toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft hij door zijn daad een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht aan de nabestaanden en dierbaren van het slachtoffer, [slachtoffer 1], hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer 1]. Ook in bredere kring heeft de doodslag op [slachtoffer 1] een grote schok teweeg gebracht. Een feit als dit maakt een grote inbreuk op de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd en legt aan dat oordeel het volgende ten grondslag.

De hiervoor onder rubriek 7 genoemde rapportages van de psycholoog en de psychiater houden met betrekking tot de afdoening onder meer in, zakelijk weergegeven:

Als verdachte onbehandeld terugkeert naar de maatschappij, is er een groot risico op ernstig gewelddadig gedrag. De kans op doding van een eigen kind op korte en middellange termijn is weliswaar klein, maar het recidiverisico ten aanzien van andere personen in de directe of nabije omgeving wordt groot geacht, met name ten aanzien van de partner van verdachte en moeder maar ook overige familieleden. Verdachtes frustratie-en spanningstolerantie alsmede impuls- en agressieregulatie zijn immers zo defectueus en de aanleiding voor een woede-uitbarsting kan zo klein zijn dat hij bij geringe frustraties en krenkingen woedend kan worden met alle risico’s van dien. De voornaamste factor die bijdraagt aan de kans op herhaling is de ernstige ziekelijke stoornis van verdachte en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens zoals hiervoor onder rubriek 7 genoemd. Ook het afwezige ziekte-inzicht, de neiging tot ontkenning van zijn epilepsie, de medicatie-ontrouw en het externaliseren, zijn riscofactoren. Gelet op de forse beperkingen en de hoge kans op recidive, is poliklinische behandeling ontoereikend en onverantwoord. Om de kans op herhaling te voorkomen is derhalve een klinisch en sterk gestructureerde setting aangewezen, waar verdachte langdurig behandeld en begeleid kan worden. Geadviseerd wordt daarom de behandeling in het kader van een TBS met bevel tot verpleging van overheidswege te laten plaatsvinden. Daarbij is het aangewezen dat de instelling expertise consulteert of inschakelt op het terrein van de organische persoonlijkheidsverandering, epilepsie, niet aangeboren hersenletsel en zwakzinnigheid. De complexe problematiek van verdachte komt neer op permanente beperkingen die met zich brengen dat de kans op herhaling van een soortgelijk feit in de toekomst sterk is verhoogd. Om deze recidivekans in te dammen is een omgeving nodig met stringent toezicht en begeleiding.

De reclassering heeft in het reclasseringsadvies van 10 februari 2015 een strafkader geadviseerd waarbij zij, gezien de strafverwachting en de geïndiceerde intensieve en mogelijk langdurige behandeling, geen verdere bemoeienis heeft.

De rechtbank neemt het advies van de rapporteurs over. De rechtbank is met de rapporteurs van oordeel dat een minder vergaande maatregel ontoereikend is ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande te worden ter beschikking gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het bewezen geachte feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit doodslag een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b, en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. A.B.M. Wijnveldt en S. Brinkhoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei 2015.