Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3205

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
AWB 15_961, 15_873, 15_1145
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen beslissing opname in het huisvestingsprogramma

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2015/469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 15/961 (beroep)

AMS 15/873 (beroep)

AMS 15/1145 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2015 in de zaken tussen

de Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam, te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. J.W.C. van Kleef),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.C. Nuyten).

Procesverloop

Op 11 februari 2015 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de huisvestingsaanvragen over 2013, 2014 en 2015.

Op 24 februari 2015 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft verweerder op het bezwaar beslist en de aanvragen om opname in het huisvestingsprogramma van 2013, 2014 en 2015 buiten behandeling gesteld (bestreden besluit).

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Verzoekster is vertegenwoordigd door [naam 1], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting namens verweerder aanwezig [naam 2], [naam 3] en [naam 4].

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling

ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Partijen zijn op deze bevoegdheid gewezen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit op de bezwaarschriften van verzoekster tegen de afwijzing van de huisvestingsaanvragen voor 2013, 2014 en 2015 beslist. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten waarbij de aanvragen zijn afgewezen herroepen en verzoeksters aanvragen alsnog buiten behandeling gesteld.

Ten aanzien van de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening voor zover die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en het buiten behandeling stellen van de aanvraag over 2013

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat met betrekking tot de aanvraag om toelating tot het huisvestingsprogramma van 2013 door verweerder al eerder besluiten zijn genomen: een primair besluit van 13 november 2012 en een besluit op bezwaar van 2 september 2014. Verder staat vast dat het besluit op bezwaar van 2 september 2014 door deze rechtbank bij uitspraak van 10 december 2014 is vernietigd (ECLI:NL:RBAMS:2015:8636), dat tegen die uitspraak door verweerder hoger beroep is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en dat de Afdeling in de hoger beroepszaak nog geen uitspraak heeft gedaan.

4. Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter verzoeksters beroepen alsmede haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor zover deze betrekking hebben op de toelating tot het huisvestingsprogramma van 2013, doorgestuurd naar de Afdeling. Deze kwesties vallen derhalve niet binnen de omvang van het onderhavige geschil, zodat de voorzieningenrechter hierover geen oordeel kan geven.

Ten aanzien van het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de aanvragen over 2014 en 2015

5. Verzoekster voert aan dat verweerder bij bestreden besluit de huisvestingsaanvragen voor 2014 en 2015 ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld.

6.1

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. In het vierde lid van artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

6.2

Ingevolge artikel 7:14 van de Awb is, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, titel 4.1, en daarmee ook artikel 4:5 van de Awb, uitgesloten van toepassing in de bezwaarfase.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bevoegd was de aanvragen in de bezwaarfase buiten behandeling te stellen. Verweerder wijst daarbij op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 mei 1997(AB 1997, nr. 267), waarin volgens verweerder een soortgelijke zaak voorlag en waarbij de CRvB het buiten behandeling stellen van de aanvraag in de bezwaarfase heeft geaccordeerd.

8.1

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 7:14 van de Awb niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Uit deze bepaling volgt evident dat artikel 4:5 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op bezwaar.

8.2

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerders betoog dat in de voornoemde uitspraak van de CRvB aanknopingspunten zijn gelegen om te oordelen dat in het onderhavige geval artikel 7:15 van de Awb buiten toepassing moet blijven, niet slaagt. Uit die uitspraak kan worden opgemaakt dat het in die procedure ging om een andere kwestie dan hier aan de orde. Blijkens de uitspraak van de CRvB ging het om een primair besluit waarbij de aanvraag buiten behandeling was gesteld, maar waarbij aan de aanvrager geen hersteltermijn was geboden om voorafgaand aan het primaire besluit nadere informatie over te leggen. In die procedure lag de vraag voor of gedurende de bezwaarfase alsnog een dergelijke hersteltermijn mocht worden gegeven opdat alsnog aan de voorwaarde voor het buiten behandeling stellen van de aanvraag wordt voldaan. In de onderhavige kwestie echter heeft verweerder bij primair besluit de aanvragen niet buiten behandeling gesteld, maar afgewezen. Reeds daarom kan de verwijzing naar de uitspraak van de CRvB verweerder niet baten.

8.3

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de huisvestingsaanvragen voor 2014 en 2015 in strijd met de wet, immers in strijd met artikel 7:14 van de Awb, buiten behandeling heeft gesteld. De voorzieningenrechter zal het beroepvoor zover dat ziet op het buiten behandeling stellen van de aanvragen voor 2014 en 2015 dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

8.4

De voorzieningenrechter zal met gebruikmaking van de in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid verweerder opdragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op verzoeksters bezwaren tegen de besluiten van
6 december 2013 en 31 juli 2014 (primaire besluiten), waarbij de huisvestingsaanvragen over 2014 respectievelijk 2015 door verweerder zijn afgewezen, te nemen met inachtneming van deze uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,-- per dag dat verweerder in gebreke blijft, met een maximum van € 30.000,--.

Ten aanzien van de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren

9. De aanvraag om huisvesting voor 2014 is gedaan op 30 januari 2013. Verweerder heeft de aanvraag op 6 december 2013 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster op
14 januari 2014 bezwaar gemaakt. Daarop is bij besluit van 13 maart 2015 beslist door verweerder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken, uit het dossier of anderszins niet is gebleken dat verzoekster verweerder schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Ten aanzien van het niet tijdig nemen van de beslissing op dit bezwaar is dan ook, gelet op artikel 4:16, derde lid, van de Awb, geen dwangsom verschuldigd. De voorzieningenrechter zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de huisvestingsaanvraag over 2014 dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een huisvestingsverklaring over 2015 niet tijdig door verweerder is beslist. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft verweerder erkend op dat punt in gebreke te zijn gebleven. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij daarom een dwangsom is verschuldigd van in totaal € 1.260,-. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt en volgt niet de stelling van verzoekster dat de hoogte van dat bedrag niet juist is. Het bedrag van € 1.260,- betreft bovendien het ingevolge artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb, wettelijke maximumbedrag. De voorzieningenrechter zal het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de huisvestingaanvraag over 2015 gegrond verklaren en op grond van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsommen vaststellen op € 1.260,-.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op de beroepen heeft beslist, wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang afgewezen.

Proceskosten en griffierecht

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat de proceskosten van verzoekster in bezwaar al door verweerder aan verzoekster zijn toegekend en vergoed. De voorzieningenrechter zal verweerder dan ook veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.450,- (1 punt voor het indienen van ieder beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren (derhalve 2 punten), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover zich dat richt tegen het buiten behandeling stellen van de huisvestingsaanvragen voor 2014 en 2015, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor daarbij de aanvragen voor huisvesting over de jaren 2014 en 2015 buiten behandeling zijn gesteld; draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van 6 december 2013 en
    31 juli 2014, met inachtneming van deze uitspraak, op verbeurte van een dwangsom van € 200,- voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft, met een maximum van € 30.000,-;

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de huisvestingsaanvraag voor 2014 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen de afwijzing van de huisvestingsaanvraag voor 2015 gegrond;

  • -

    stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de huisvestingsaanvraag over 2015 een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.260,- (zegge: duizend tweehonderd en zestig euro);

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- (driehonderdeenendertig euro) aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
    € 2.450,- (tweeduizendvierhonderdvijftig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kouwenhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.