Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3035

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
15-06-2015
Zaaknummer
13-684749-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorbereiding van moord. Bedreiging wel bewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684749-13

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedag] 1977,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Kilinç, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging op de zitting, ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 21 december 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de [straat 1], in elk geval op of aan de openbare weg, ter voorbereiding van het misdrijf om een persoon, te weten [persoon 1], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (moord, strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) opzettelijk een (hak)mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

hij op of omstreeks 21 december 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend:

  • -

    tegen zijn vader gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 1] zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of waarna de vader van verdachte met [persoon 2] heeft gebeld en/of voornoemde woorden heeft doorgegeven en/of gezegd aan/tegen voornoemde [persoon 2] waarna voornoemde [persoon 2] voornoemde [persoon 1] heeft gebeld en/of (vervolgens) voornoemde woorden heeft doorgegeven en/of gezegd aan/tegen voornoemde [persoon 1] en/of

  • -

    tegen [persoon 2] gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 1] zou vermoorden en/of doodschieten en/of dat er twee kogels bestemd waren voor voornoemde [persoon 1], althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of waarna voornoemde [persoon 2] voornoemde [persoon 1] heeft gebeld en/of (vervolgens) voornoemde woorden heeft doorgegeven en/of gezegd aan/tegen voornoemde [persoon 1];

  • -

    tegen [persoon 1] gezegd: “Ben jij [persoon 1]? Ik kom je opzoeken. Ik heb drie kogels: een voor jou, een voor mijn zus en een voor mijzelf”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

hij op of omstreeks 21 december 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend:

  • -

    tegen zijn vader gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 2] zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of waarna de vader van verdachte met voornoemde [persoon 2] heeft gebeld en/of (vervolgens) voornoemde woorden heeft doorgegeven en/of gezegd aan/tegen voornoemde [persoon 2] en/of

  • -

    tegen voornoemde [persoon 2] gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 2] zou vermoorden en/of doodschieten en/of dat er twee kogels bestemd waren voor voornoemde [persoon 2], althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.


Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt verdachte verweten dat hij zich op 21 december 2013 heeft schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord.

4.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen.

4.1.2.

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft als standpunt naar voren gebracht, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, dat verdachte van de voorbereiding aan moord dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft aangevoerd dat voor de beoordeling of de voorbereidingsmiddelen zijn bestemd tot het begaan van het beoogde misdrijf de volgende criteria maatgevend: zijn

a. de uiterlijke verschijningvorm van de voorbereidingsmiddelen;

b. het gebruik daarvan en

c. het misdadige doel dat verdachte met het gebruik voor ogen had.

Verdachte heeft gedreigd om [persoon 1] dood te schieten met een wapen dat hij niet had, met gebruik van kogels die er niet waren. Nu verdachte ook met het (hak)mes, dat hij bij zich droeg, niet voor ogen heeft gehad om [persoon 1] iets aan te doen, kan er niet gesproken worden van een misdadig doel dat hij met het gebruik van het mes voor ogen heeft gehad. De bedreiging was bedoeld om [persoon 1] bang te maken en het mes was meegenomen ter zelfverdediging. Er is geen sprake van het opzettelijk voorhanden hebben van een (hak)mes, bestemd tot het begaan van een moord.

4.1.3.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde voorbereiding van moord niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft [persoon 1], een vriend van zijn zus [persoon 2], op de bewuste dag indirect bedreigd te zullen vermoorden met twee kogels. Verdachte heeft deze bedreigingen geuit aan zijn zus en hun vader, en hij heeft daarna telefonisch contact gezocht met voornoemde [persoon 1], die op dat moment werkzaam was bij het [hotel 1] te Amsterdam.

Voor de voorbereiding van moord moet volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2014:3081) aan het bewijs van het bestemd zijn tot het begaan van moord bepaalde eisen worden gesteld, hetgeen impliceert dat uit de redengevende feiten en omstandigheden moet blijken dat het misdadige doel dat verdachte met zijn voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen voor ogen stond, als moord moet kunnen worden aangemerkt. Net zoals bij moord moet ook bij de voorbereiding van moord sprake zijn van een voorgenomen daad en gelegenheid tot nadenken over en zich rekenschap geven van die betekenis en de gevolgen van die daad.

De rechtbank heeft uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen vaststellen dat verdachte boos was en dat hij met keukenmessen, waaronder een hakmes, van zijn woonplaats [plaats 1] naar de [straat 1] te Amsterdam is gereden met de bedoeling om [persoon 1] te ontmoeten. Hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk het voornemen heeft gehad genoemde [persoon 1] tijdens deze ontmoeting te doden en daartoe het hakmes heeft meegenomen. Mede gegeven de discrepantie tussen het dreigen met het doodschieten en het meenemen van een hakmes, staat het opzet om voornoemde [persoon 1] te vermoorden onvoldoende vast. Andere scenario’s zijn denkbaar, waaronder dat van grootspraak, bangmakerij en zelfverdediging.

4.2.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 21 december 2013 in Nederland [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend:

  • -

    tegen zijn vader gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 1] zou vermoorden, waarna de vader van verdachte met [persoon 2] heeft gebeld en voornoemde woorden heeft doorgegeven aan voornoemde [persoon 2] waarna voornoemde [persoon 2] voornoemde [persoon 1] heeft gebeld en voornoemde woorden heeft doorgegeven aan voornoemde [persoon 1] en

  • -

    tegen [persoon 2] gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 1] zou vermoorden en dat er twee kogels bestemd waren voor voornoemde [persoon 1], waarna voornoemde [persoon 2] voornoemde [persoon 1] heeft gebeld en voornoemde woorden heeft doorgegeven.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 21 december 2013 in Nederland [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend:

  • -

    tegen zijn vader gezegd dat hij, verdachte, voornoemde [persoon 2] zou vermoorden, waarna de vader van verdachte met voornoemde [persoon 2] heeft gebeld en voornoemde woorden heeft doorgegeven aan voornoemde [persoon 2] en

  • -

    tegen voornoemde [persoon 2] gezegd dat hij, verdachte voornoemde [persoon 2] zou vermoorden en dat er twee kogels bestemd waren voor voornoemde [persoon 2].


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf
8.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 43 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen, waarvan een gedeelte, groot 100 uren, subsidiair 50 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Verdachte dient zich gedurende de proeftijd te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht en een behandelverplichting als de reclassering dat nodig acht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte door de 43 dagen voorarrest zwaar genoeg is gestraft. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis kan worden opgeheven. Verdachte heeft zich sinds 11 maart 2014 aan de gestelde voorwaarden gehouden. De reclassering heeft geen reden gezien om aan verdachte een behandelverplichting op te leggen, zodat het alsnog opleggen van bijzondere voorwaarden niet meer aan de orde is. Er is evenmin reden om nog een taakstraf aan verdachte op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de het opleggen van de straf laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan twee ernstige bedreigingen, door te handelen zoals hiervoor bewezen is verklaard. Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de aangevers. Dit soort strafbare feiten kan gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengen in de samenleving en bij de slachtoffers in het bijzonder.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van onder meer de navolgende over verdachte opgemaakte rapportages:

  • -

    Pro Justitia rapport van 29 april 2014 van psycholoog mr. drs. R.A. Sterk;

  • -

    Reclasseringsadvies van 18 april 2014 van Reclassering Nederland.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van een brief van 17 februari 2015 van psychiater dr. J.E. Hovens. De rechtbank neemt het advies van de psycholoog over dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De rechtbank heeft verder kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals verdachte en zijn raadsman deze ter zitting nader hebben toegelicht, waaronder de verklaring van verdachte dat hij zich heeft gehouden aan de door de reclassering gestelde bijzondere voorwaarden en dat hij enorm veel spijt heeft dat hij, in een periode dat het persoonlijk en lichamelijk wat minder goed met hem ging, zo heeft gehandeld.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 16 april 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ten slotte rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de onder 1 ten laste gelegde voorbereiding van moord niet bewezen acht, is de rechtbank alles overwegende van oordeel dat de na te noemen taakstraf passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. M.R.J. van Wel en W.M. van den Bergh, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2015.