Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:2814

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
C-13-568417 - FA RK 14-5077
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kinderbijdrage - jongmeerderjarige en minderjarige, kindgebonden budget, alleenstaande ouderkop, behoefte kinderen nieuwe relatie en draagkracht verdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/568417 / FA RK 14-5077 (HHO/LB)

Beschikking van 20 mei 2015 betreffende vaststelling van een kinderbijdrage

in de zaak van:

1 [naam 1],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,

en

2. [naam 2],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen [naam 2],

advocaat mr. I. Heijselaar, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[naam 3],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. G.M. Haring, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken.

1.2

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 17 april 2015.

Gehoord zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en een tolk Egyptisch-Arabisch, en de man bijgestaan door zijn advocaat. [naam 2] is niet in persoon verschenen.

2 De feiten

2.1

De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum]. Hun huwelijk is op

[datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

Uit het huwelijk zijn geboren [naam 2], te [geboorteplaats] op [datum] en [naam 4], te [geboorteplaats] op [datum]

2.3

Bij beschikking van deze rechtbank van 27 oktober 2010 is het verzoek om een contactregeling met [naam 4] afgewezen.

2.4

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 oktober 2011 is de vrouw alleen belast met het gezag over [naam 2] en [naam 4].

2.5

De man is opnieuw gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee nog minderjarige kinderen geboren.

3.1

Het verzoek van de vrouw

3.1.1

De vrouw verzoekt, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam 4] van € 200,= per maand en [naam 2] verzoekt een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie van € 200,= per maand, beiden, met ingang van 1 januari 2014, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig datum als de rechtbank juist acht.

3.1.2

Een behoefte van € 200,= per maand is niet buitensporig gelet op de uitgaven aan kleding, voeding, school- en studiegeld. [naam 2] is aan een studie begonnen en de vrouw ziet zich hierdoor geconfronteerd met hoge lasten. De vrouw en [naam 2] zijn niet op de hoogte van het exacte inkomen van de man, maar stellen dat hij voldoende draagkracht heeft om voornoemde bijdrage te voldoen.

3.2

Het verweer van de man

3.2.1

De man verweert zich tegen de verzochte bijdragen en verzoekt de vrouw en [naam 2] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken af te wijzen.

3.2.2

De man stelt de behoefte op € 165,= per maand voor de beide kinderen gezamenlijk op basis van het netto-gezinsinkomen van € 1.500,= per maand. De gestelde behoefte is niet onderbouwd. De man heeft onvoldoende draagkracht om een bijdrage te voldoen. Hij heeft een nieuw gezin en moet voor de inburgeringscursus van zijn partner maandelijks € 235,= voldoen. De man doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets nu er sprake is van een laag inkomen en extra lasten. De man verzet zich tegen de ingangsdatum, stellende dat deze niet eerder dan datum indiening verzoek of datum beschikking kan zijn.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1

De man is op grond van artikel 1:392 jo 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onderhoudsplichtig jegens [naam 4] en [naam 2]. Gelet hierop zijn de vrouw en [naam 2] ontvankelijk in hun verzoeken en zal de rechtbank overgaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak.

Kinderbijdrage

Uitgangspunten

4.2

Bij de beoordeling van het verzoek zullen de uitgangspunten van de richtlijn voor de berekening van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen worden toegepast. De hierna te noemen bedragen zijn afgeronde bedragen.

Ingangsdatum

4.3

Uitgangspunt bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatie is de datum van indiening van het verzoekschrift met als achterliggende gedachte dat de wederpartij in ieder geval vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met het verzoek. Bijzondere omstandigheden kunnen tot een andere conclusie leiden. In casu is van dergelijke omstandigheden niet gebleken. De datum van indiening van het verzoekschrift – 4 juli 2014 – zal dus als ingangsdatum worden bepaald.

Behoefte

4.4

De verzochte bijdragen zien op een bijdrage voor een minderjarig kind en een jongmeerderjarig kind. De behoefte van deze kinderen dient op verschillende wijze te worden berekend. Voor de minderjarige [naam 4] gaat de rechtbank uit van het gezamenlijk netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) en de tabel kosten kinderen. Voor de behoefte van de jongmeerderjarige [naam 2], die blijkens de berichten van Dienst Uitvoering Onderwijs een MBO-opleiding volgt, sluit de rechtbank aan bij de normen van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF)

4.5

De man heeft onbetwist gesteld dat het gezamenlijk netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) ten tijde van de samenleving in 2006 € 1.500,= per maand bedroeg. Rekening houdend met de bij de leeftijd van de kinderen behorende kinderbijslagpunten, destijds 10 punten, en de tabel kosten van kinderen 2006 bedraagt het eigen aandeel kosten van kinderen van partijen in 2006 € 295,= per maand. Geïndexeerd naar 2014 zijnde de ingangsdatum, bedraagt de behoefte € 342,= per maand en in in 2015 € 345,=.

De behoefte van [naam 4] kan thans worden vastgesteld op € 171,= per maand in 2014 en in 2015 173,= per maand. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht het kindgebonden budget en met ingang van 1 januari 2015 tevens de alleenstaande ouderkop die de vrouw ontvangt. De rechtbank berekent het kindgebonden budget in 2014 ambtshalve op € 104,= per maand en het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop met ingang van 1 januari 2015 op € 359,= per maand. Voor [naam 4] resteert thans een behoefte van € 67,= per maand in 2014 en met ingang van 1 januari 2015 is de behoefte van [naam 4] nihil.

4.6

[naam 2] heeft gesteld dat zij naast de studiefinanciering behoefte heeft aan een bijdrage van € 200,= per maand van de man. Het studiebudget van een thuiswonende jongmeerderjarige die studeert aan een MBO bedraagt in 2014 in totaal € 439,= per maand en in 2015 € 497,= per maand. De rechtbank brengt daarop in mindering de basisbeurs van

€ 72,= per maand in 2014 en van € 81,= per maand in 2015. Voorts strekt de aanvullende beurs van € 228,= in mindering op dit bedrag. De resterende behoefte van [naam 2] is daarmee € 139,= per maand in 2014 en in 2015 € 188,= per maand.

4.7

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld.

De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. In deze formule staat 0,3 NBI voor de woonlast en € 860,= voor het draagkrachtloos inkomen 2014. In 2015 bedroeg het draagkrachtloos inkomen € 875,=. De rechtbank hanteert deze formule ook voor de berekening van de draagkracht ten behoeve van de jongmeerderjarige.

Draagkracht van de man

4.8

De man heeft een taxibedrijf sinds 2013. De winst uit onderneming bedroeg in 2013

€ 14.918,=. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de winst uit onderneming in 2014 ongeveer 14.000,= bedroeg. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een gemiddelde over deze twee jaar en gaat daarom voor de vaststelling van het NBI aan de zijde van de man van uit van een winst uit onderneming van € 14.459,=. Dit leidt tot een NBI van € 1.188,= per maand.

4.9

Gelet op de richtlijnen alimentatienormen bepaalt de rechtbank de draagkracht van de man op € 50,= per maand. De draagkracht van de man dient gelijk verdeeld te worden over de vier onderhoudsgerechtigde kinderen in 2014 en over drie kinderen in 2015.

De rechtbank berekent de kosten van de twee jongste kinderen uitgaande van zijn huidige NBI op € 179,= per maand. De man ontvangt een kindgebonden budget van € 129,= per maand in 2014 en € 152,= per maand in 2015. Gelet hierop resteert een bedrag van € 50,= aan behoefte in 2014 en in 2015 van € 27,= aan behoefte voor deze kinderen.

4.10

De rechtbank berekent de draagkracht van de man in 2014 daarmee op € 12,50 per kind per maand. Nu de behoefte van de jongste kinderen in 2015 lager is dan de voor hen beschikbare draagkracht, komt de resterende draagkracht aan [naam 2] ten goede zodat deze met ingang van 1 januari 2015 € 23,= per maand bedraagt.

4.12

De man heeft gesteld extra lasten te hebben in de vorm van de kosten voor de inburgeringscursus van zijn huidige echtgenote De rechtbank acht dit echter geen niet verwijtbare last zoals bedoeld in het rapport alimentatienormen. Het betreft immers een keuze van de man om een partner uit het buitenland te huwen, zodat deze kosten uit de vrije ruimte voldaan dienen te worden. De rechtbank houdt hiermee dan ook geen rekening.

Draagkracht van de vrouw

4.12

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat voor de vaststelling van het NBI aan de zijde van de vrouw kan worden uitgegaan van de uitkering Wet Werk en Bijstand en de bijzondere bijstand die zij ontvangt. Dat leidt tot een NBI van € 1.201,= per maand. Door de man is gesteld dat de vrouw extra inkomsten uit huur zou hebben, doch dit is door hem niet onderbouwd, zodat de rechtbank daar geen rekening mee houdt.

4.13

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen.

Verdeling draagkracht

4.15

Nu de vrouw geen draagkracht heeft dient de man naar zijn volledige beschikbare draagkracht bij te dragen in de kosten van [naam 2].

Zorgkorting

4.16

Er is geen sprake van een zorgregeling met [naam 2], zodat de man geen aanspraak kan maken op zorgkorting.

Aanvaardbaarheidstoets

4.17

De man beroept zich op de aanvaardbaarheidstoets, stellende dat hij hoge lasten heeft en een laag inkomen. Het had op de weg van de man gelegen om te stellen en te onderbouwen waarom het buiten beschouwing laten van deze last tot een onaanvaardbare situatie leidt. Naar het oordeel is dit onvoldoende gebleken, zodat het beroep hierop niet slaagt.

Bijdrage

4.18

De rechtbank acht een bijdrage van € 12,50 per maand voor [naam 4] en een bijdrage van € 12,50 per maand voor [naam 2] met ingang van 4 juli 2014 tot en met 31 december 2014 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Ten aanzien van [naam 2] acht de rechtbank met ingang van 1 januari 2015 een bijdrage van € 23,= in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.19

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat de man met ingang van 4 juli 2014 tot en met 31 december 2015 € 12,50 (twaalf euro en vijftig eurocent) per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige [naam 4], bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

- bepaalt dat de man met ingang van 4 juli 2014 tot en met 31 december 2015 € 12,50 (twaalf euro en vijftig eurocent) per maand zal betalen aan voornoemde dochter [naam 2] als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie, bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2015 € 23,= (drieëntwintig euro) per maand zal betalen aan voornoemde dochter [naam 2] als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie, bij vooruitbetaling te voldoen;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.H. Braaf-van der Putten, griffier, op 20 mei 2015.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.