Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:2653

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
AMS 14/6390
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vraag die in deze zaak ter beantwoording voorligt is of eiser recht heeft op een hoger bedrag aan leefgeld dan hij heeft gehad. De rechtbank overweegt dat verweerder met de geboden opvang in de vorm van toegang tot de Vluchthaven inclusief een leefgeldvergoeding van € 35,- per week ten behoeve van maaltijden heeft voldaan aan de vereiste humanitaire ondergrens. De rechtbank ziet in zijn algemeenheid op grond van (verdrags)bepalingen geen verplichting tot het toekennen van een (aanvullende) vergoeding tot de norm van de Rva naast het hebben van een aanspraak op opvang in de Vluchthaven.

Gebleken is dat verweerder op grond van beleid een bepaalde groep vreemdelingen een uitkering toekent uit het Fonds Gevolgen Vreemdelingenbeleid (FGV) ter hoogte van de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit fonds uitsluitend bestemd is voor een bepaalde categorie vreemdelingen, namelijk vreemdelingen met medische problematiek en juridisch perspectief. Met juridisch perspectief wordt bedoeld dat vreemdelingen niet verwijderbaar zijn, bijvoorbeeld op basis van een voorlopige voorziening in afwachting van hun procedure of op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij tot deze groep behoort, zodat hij geen aanspraak kan maken op een uitkering uit het fonds naar de norm van de Rva.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/6390

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2015 in de zaak tussen

[naam], te Venlo, eiser

(gemachtigde: mr. J. Klaas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. P.I. Algoe en mr. H. Joutay).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting op 9 april 2015 heeft op voet van artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een plaatsopneming plaatsgevonden van de bed-bad-broodvoorziening in de [adres] te Amsterdam, waarbij mr. W.G. Fischer en mr. P.I. Algoe aanwezig waren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder nummers AMS 14/4474, 14/3887, 14/5609, 14/5856, 14/5945, 14/6203, 14/7716 en 15/656. Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. W.G. Fischer en mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, kantoorgenoten van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en afkomstig uit Soedan. Ambtshalve is de rechtbank bekend dat eiser hier te lande in het verleden meermalen asiel heeft aangevraagd, welke aanvragen zijn afgewezen. Uit het verweerschrift is gebleken dat eiser, naar aanleiding van een herhaalde asielaanvraag, met ingang van 19 maart 2014 naar een asielzoekerscentrum is overgeplaatst. Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft eiser met ingang van 14 maart 2014 een verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar gekregen. Tussen 29 november 2013 en 14 maart 2014 heeft eiser niet rechtmatig in Nederland verbleven.

1.2.

Vanaf december 2012 heeft een groep vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus verbleven in de St. Josephkerk in Amsterdam (de zogenoemde Vluchtkerk). Op 31 mei 2013 is de Vluchtkerk ontruimd.

1.3.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft verweerder besloten om aan maximaal 159 geregistreerde personen uit de groep “We are here” gedurende zes maanden opvang te bieden in het voormalige huis van bewaring aan de Havenstraat (de zogenoemde Vluchthaven). In het besluit is vermeld dat deze groep personen betreft die in april 2013 te kennen hebben gegeven in aanmerking te willen komen voor een door de burgemeester gedaan individueel hulpaanbod. Om toegang te kunnen krijgen tot de opvang in de Vluchthaven hebben personen op 29 november 2013 een formulier bij verweerder kunnen inleveren. De personen aan wie opvang is aangeboden, hebben een sticker op dit formulier gekregen. Alleen personen met een dergelijke sticker zijn vervolgens met ingang van begin december 2013 toegelaten tot de opvang in de Vluchthaven. Eiser behoort tot de groep die is toegelaten tot de opvang in de Vluchthaven. Eiser heeft in dat verband feitelijke opvang ontvangen in de Vluchthaven en een leefgeldvergoeding van € 35,- per week ten behoeve van maaltijden.

1.4.

Op 28 december 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden van de opvang in de Vluchthaven. Dit bezwaarschrift heeft verweerder aangemerkt als een aanvraag om opvang op grond van de Wmo.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bij brief van 14 mei 2014 bezwaar gemaakt. Op 23 juni 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Op 18 augustus 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 28 december 2013 en 14 mei 2014.

2.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser met ingang van 19 maart 2014 wordt opgevangen in een asielzoekerscentrum. Deze opvang moet worden aangemerkt als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo, zodat geen aanspraak bestaat op opvang op grond van de Wmo.

2.2.

Eiser stelt in beroep dat hij recht heeft op leefgeld overeenkomstig het in Amsterdam geldende beleid, dat wil zeggen overeenkomstig de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Eiser stelt daarom recht te hebben op een nabetaling over de periode van 29 november 2013 tot en met 19 maart 2014. Voorts maakt eiser aanspraak op een dwangsom wegens het te laat beslissen op de bezwaarschriften.

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser op 29 november 2013 een formulier heeft ingeleverd ten behoeve van opvang in de Vluchthaven. De rechtbank overweegt dat maatschappelijke opvang bestaande uit het tijdelijk bieden van onderdak in de Vluchthaven een op artikel 20, eerste lid, in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo berustende publieke taak betreft. De beslissing om een belanghebbende al dan niet toe te laten tot maatschappelijke opvang in natura betreft een op de Wmo berustend besluit. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956) en 5 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3598). Anders dan verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat met het inleveren van het formulier op 29 november 2013 een aanvraag is gedaan in de zin van artikel 4:2 van de Awb, omdat het formulier alle kenmerken van een aanvraag draagt. Naar zijn aard gaat het om een aanvraag om opvang op grond van de Wmo. Personen die op het formulier een sticker kregen konden immers toegang krijgen tot opvang in de Vluchthaven. Voor de Wmo geldt daarnaast als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 29 november 2013 tot en met 10 september 2014, de datum van het bestreden besluit. De periode is in dit geval gelet op de beroepsgronden echter beperkt tot 19 maart 2014.

4. De vraag die thans ter beantwoording voorligt is of eiser recht heeft op een hoger bedrag aan leefgeld dan hij heeft gehad. De rechtbank overweegt dat verweerder met de geboden opvang in de vorm van toegang tot de Vluchthaven inclusief een leefgeldvergoeding van € 35,- per week ten behoeve van maaltijden heeft voldaan aan de vereiste humanitaire ondergrens. De rechtbank ziet in zijn algemeenheid op grond van (verdrags)bepalingen geen verplichting tot het toekennen van een (aanvullende) vergoeding tot de norm van de Rva naast het hebben van een aanspraak op opvang in de Vluchthaven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van heden inzake [naam 1] (AMS 14/4474).

5. Gebleken is dat verweerder op grond van beleid een bepaalde groep vreemdelingen een uitkering toekent uit het Fonds Gevolgen Vreemdelingenbeleid (FGV) ter hoogte van de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). De rechtbank is van oordeel dat dit niet betekent dat ook aan eiser een dergelijke vergoeding toekomt. Daarvoor is het volgende van belang. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit fonds uitsluitend bestemd is voor een bepaalde categorie vreemdelingen, namelijk vreemdelingen met medische problematiek en juridisch perspectief. Met juridisch perspectief wordt bedoeld dat vreemdelingen niet verwijderbaar zijn, bijvoorbeeld op basis van een voorlopige voorziening in afwachting van hun procedure of op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank volgt gelet op de ter zitting gegeven toelichting eiser niet in zijn standpunt dat het beleid hierover onduidelijk is. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij tot deze groep behoort, zodat hij geen aanspraak kan maken op een uitkering uit het fonds naar de norm van de Rva. Eiser heeft ter zitting verwezen naar de beleidsstukken van 12 en 13 maart 2014 van verweerder. Ook in deze stukken valt geen steun te vinden voor het standpunt van eiser dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan leefgeld dan hij heeft gehad.

6. In het kader van eisers aanspraak op een dwangsom in verband met het te laat beslissen op het bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in ieder geval later dan binnen de termijn van zes weken op grond van artikel 7:10 van de Awb een besluit genomen op het bezwaar van 14 mei 2014. Op 22 juli 2014 heeft verweerder een brief verstuurd, met het doel de termijn om op het bezwaar te beslissen te verlengen met zes weken. Deze brief is echter na het verstrijken van de beslistermijn verzonden, zodat de termijn met deze brief niet is verdaagd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2010 (201003281/2/M1).

7. De dwangsom bij niet tijdig beslissen is geregeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb. Deze paragraaf is in artikel 7:14 van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard op besluiten op grond van afdeling 7.2 van de Awb betreffende bijzondere bepalingen over bezwaar. De in paragraaf 4.1.3.2 opgenomen regeling geldt daarom ook voor beslissingen op bezwaar.
In deze paragraaf staat artikel 4:17 van de Awb. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
In het tweede lid is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag bedraagt, de daarop volgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.
In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder bij faxbericht van 18 augustus 2014 in gebreke heeft gesteld. Dit betekent dat verweerder tot en met 1 september 2014 een besluit kon nemen zonder een dwangsom te verbeuren. Verweerder heeft het besluit op bezwaar genomen op 10 september 2014. Dat is negen dagen te laat, zodat een dwangsom is verbeurd van € 180,-.

9. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 180,-. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Ten aanzien van de op de zitting gevoegd behandelde zaken is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Dit heeft tot gevolg dat in de fase van beroep deze zaken ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbp. Gelet op bijlage C2 bij het Bbp is de wegingsfactor 1,5. In beroep komt het bedrag aan proceskosten neer op € 1.837,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het bijwonen van het onderzoek ter plaatse met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1,5). De vergoeding voor deze proceshandelingen is reeds toegekend in de zaak [naam 1] (AMS 14/4474), zodat in deze zaak geen vergoeding meer zal worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend;

  • -

    bepaalt dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 180,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter en mr. M.J. van den Bergh en mr. C. Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.